Non-fictie, Signalement

Signalement: Darwin in de stad

Darwin in de stad

Evolutie in de urban jungle

Menno Schilthuizen

Een stad is ook maar een biotoop. Een biotoop die gemaakt is om met velen in samen te leven, trouwens, en niet alleen voor mensen. Ook kraaien, duiven, muggen en spinnen doen het uitstekend in de stad. Het probleem is dat de meeste gevleugelde en/of veelpotige stadsbewoners niet erg aaibaar zijn. Om die reden zien we de stad soms als een grijze, steriele plek waarin weinig te beleven valt voor veldbiologen of natuurliefhebbers. De bioloog Menno Schilthuizen denkt daar anders over: steden bruisen van leven!

Ook als je de mensen wegdenkt is er leven in de stad. Dieren hebben ontelbare creatieve manieren gevonden om zich aan hun antropogene biotoop aan te passen: spinnen weven hun webben in kunstmatig licht omdat daar meer insecten voorbij vliegen, stadsmezen zingen hoger om te kunnen communiceren over het lage gedreun van de stad heen en enorme meervallen hebben geleerd om op krokodilachtige wijze stadsduiven het water in te sleuren terwijl ze normaal enkel op andere vissen jagen. Cool.

In de eerste dertig pagina’s van dit boek is er echter geen stad te bekennen. In plaats daarvan heeft Schilthuizen het over een mierenkolonie. Mieren zijn namelijk “ecosysteemingenieurs”, organismen die hun leefwereld zodanig aanpassen dat ze een heel nieuw ecosysteem creëren waarin andere soorten zich vestigen. Andere insecten, meer bepaald de myrmecofielen (letterlijk “mierenliefhebbers”), voelen zich perfect thuis in de wereld die de mieren hebben gecreëerd. Bladluizen worden door mieren verzorgd en gemolken, breedgerande glanskevers liggen op de loer in donkere mierengangen totdat er een nietsvermoedende voorbijganger in de val loopt. Kortschildkevers scheiden geruststellende geurstoffen af zodat ze ongestoord in het veilige mierenhuis kunnen leven.

De mens is ook een systeemingenieur, dat spreekt voor zich. Maar is er dan helemaal geen verschil tussen een mierenkolonie en een mensenstad? Dat lijkt Schilthuizen te beweren. We moeten steden  bekijken als een natuurlijke en goedaardige biotoop die gewoon door de zoveelste ingenieursoort is ontwikkeld, zegt hij. Er zijn echter héél veel verschillen te bedenken tussen een stad en een mierenkolonie. Myrmecofielen hadden namelijk miljoenen jaren tijd om zich aan te passen aan een nieuwe omgeving, terwijl dieren in de stad slechts enkele decennia hadden om zich aan te passen, een veel te korte tijd voor evolutie. En voor zover ik weet pompen mierenkolonies geen enorme hoeveelheden fossiele brandstoffen de grond uit en de lucht in.

Een stad is geen mierenkolonie, en dat Schilthuizen dat niet wilt toegeven, is symptomatisch voor het enige echte probleem met dit boek: ongefundeerd optimisme over de invloed van de mens op de wereld waarin hij leeft. Dit controversiële optimisme valt misschien bij sommigen niet in de smaak, maar het is in ieder geval food for thought: dat de mens een diersoort is en de stad een ecosysteem, durven we soms te vergeten.

Het zou dan ook oneerlijk zijn om het boek daarop af te rekenen, niet alleen omdat nieuwe ideeën altijd het voordeel van de twijfel moeten krijgen, maar ook omdat het grote middendeel van dit boek een heel andere toon heeft. De toon van een enthousiaste bioloog die je graag zijn collectie gekke stadsbeestjes wilt laten zien, en daar hoef je daar natuurlijk niet politiek over te doen.

Wist je huismussen hun nesten bouwen met sigarettenpeuken als natuurlijk insecticide? Of dat coyotes het beter doen in de stad dan op het platteland omdat de boeren hen massaal afschieten maar stadsbewoners wat minder trigger happy zijn? Sommige van de voorbeelden in het boek zijn erg bekend, zoals het verhaal van de koolmezen die leerden om de dopjes van glazen flessen melk te schroeven of dat van de Japanse kraaien die voorbijrijdende auto’s gebruiken om harde noten voor hen te kraken, maar Schilthuizen weet er telkens wel een persoonlijke toets of een onverwacht detail aan toe te voegen.

Schilthuizen schrijft op een heldere en persoonlijke manier, met humor en vindingrijkheid. Hij aarzelt niet om ook moeilijke en dubbelzinnige verhalen aan te pakken, zoals die van het industrieel melanisme van de peper-en zout vlinder. Dat toonbeeld van adaptatie blijkt toch ingewikkelder in elkaar te zitten dan schoolboeken altijd geleerd hebben, en er waren meerdere ontzettend gedetailleerde experimenten voor nodig om het verhaal helemaal uit te klaren.

Darwin in de stad staat bol van de intrigerende dieren- en plantenverhalen. Die verhalen zijn op een begrijpelijke en enthousiaste manier neergeschreven en spelen zich af in een biotoop waar je misschien nog nooit als zodanig over hebt nagedacht: de stad. Dat die stad een paradijselijke mierenhoop is voor al wat kruipt en groeit, dat neem je best met een dikke korrel zout, maar verder valt dat stadsbuffet van Menno Schilthuizen wel te smaken.

Atlas Contact, Amsterdam, 2018

Geplaatst op 02/06/2019

Tags: Atlas Contact, Biologie, Biotoop, Charles Darwin, Darwin in de stad, Menno Schilthuizen, Pieter van de Walle, Stad

Categorie: Non-fictie, Signalement

Deel:

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.