Geschiedenis, Recensies

Tegen de (blinde) muur

Tegen de Muur

Ongecensureerd gevangenisdagboek (1944-1949)

Filip De Pillecyn

Zopas verscheen bij uitgeverij Doorbraak Tegen de muur, een heruitgave van het gevangenisboek Face au mur van Filip De Pillecyn. Dit is geen vanzelfsprekende keuze aangezien de Vlaamse auteur geen onbesproken figuur is. Als lid van de collaborerende partijen VNV en DeVlag, pleitbezorger van een Vlaamse Kultuurkamer en invallend directeur-generaal van het secundair onderwijs werd De Pillecyn na de Tweede Wereldoorlog schuldig bevonden aan culturele collaboratie.

 

In de jaren dat hij op beschuldiging van collaboratie in de cel zat, schreef De Pillecyn honderd min of meer chronologische notities. De aantekeningen zijn gebundeld in drie hoofdstukken, genoemd naar de drie detentiecentra waar hij tussen 1944 en 1949 verbleef: de gevangenis van Dendermonde, het hechteniskamp van Lokeren en de gevangenis van Sint-Gillis. In de stukjes beschrijft De Pillecyn onder meer het naoorlogse interneringsregime, de volgens hem onrechtvaardige afloop van de vele krijgsraden, en de volkswoede die na de Tweede Wereldoorlog tweemaal opflakkerde, bij de bevrijding in september 1944 en bij de capitulatie van nazi-Duitsland in mei 1945:

 

Een nieuwe golf van bloed en geweld slaat over het land. Na de Septemberdagen, de Meidagen. Nieuwe vrachten van afgeranselde en uitgeplunderde mensen worden naar kampen en gevangenissen gevoerd. En al de akeligheden die in concentratiekampen gebeurd zijn en waar, voor een deel althans, belhamels uit die kampen zelf voor verantwoordelijk zijn, en de gruwelen die uzelf doen verachten omdat u een mens zijt, dat alles hebben wij gedaan. (120)

 

Het fragment is om een aantal redenen representatief voor het boek. Ten eerste verbeelden zinssneden als ‘golf van bloed en geweld’ en ‘vrachten van afgeranselde en uitgeplunderde mensen’ de buitenproportionele agressie van de epuratie en zetten meteen de verhoudingen op scherp: de door de volkswoede gevonniste ‘collaborateur’ is in de(ze) geschiedenis (meer) het slachtoffer (dan de dader). Door de agressie van de straat regelmatig aan te halen, en tegelijk de zuivere inborst van de beklaagden te benadrukken (bv. op pagina 53-54; 68; 83-84; 103-105; 116-117), sijpelt in de tekst geleidelijk de gedachte door dat de gevangenen moreel superieur zijn aan diegenen die hun recht over hen hebben doen gelden. Terwijl de straat immers tekeerging, bouwden geïnterneerden met zeer beperkte middelen een cultuurleven uit in het hechteniskamp (111-113). En toen ze dit cultuurleven nieuw leven inbliezen nadat het onder dwang van de publieke opinie was stopgezet, concludeert De Pillecyn: ‘Het is alsof zij, in het bewustzijn van geestelijke inferioriteit, het contrast met ons niet kunnen verdragen’ (148). Wie onder ‘zij’ verstaan moet worden, is onduidelijk, maar in ieder geval behoren tot deze groep de cipiers, agenten, pastoors en krijgsauditeurs. Meermaals wordt het gedrag van deze beroepscategorieën tegenover de ‘wij’-groep geplaatst: terwijl de gendarmen de proces-verbalen naar hun hand zetten om gearresteerden er toch maar ‘achter te draaien’ (130) en de krijgsraden het ene na het andere buitensporige vonnis vellen (148-149), bereidt een deel van de beschuldigden zich in alle rust voor om vrijwillig naar Argentinië uit te wijken (143). De Pillecyn is er zeker van dat Argentinië zich deze gastvrijheid nooit zal beklagen: ‘Want ik kan mij niet voorstellen dat er ooit een contingent van dergelijke kwaliteit voor kolonisatie-arbeid optrok dat het onze waard zou zijn’ (143). Het is opvallend hoe De Pillecyn zich met deze uitspraak inkapselt in de ‘gemeenschap’ van geïnterneerden en meteen ook alle mogelijke verdenkingen tegen deze groep wegwuift.

 

Vervolgens verschuift in het citaat de focus van het interneringskamp naar het concentratiekamp. Een echo van die subtiele gelijkschakeling van deze gevangeniskampen lezen we ook in andere notities, bijvoorbeeld in de sarcastische opmerking aan het begin van het tweede hoofdstuk: ‘De hemel zij geprezen dat hier geen concentratiekampen zijn, alleen maar hechteniskampen waar geconcentreerd wordt’ (91). Via het taalspel wekt De Pillecyn nogal boud de suggestie dat beide kampen inwisselbaar zijn. Hij gaat daarbij weliswaar voorbij aan de verschillen tussen de kampen, zoals de motieven om iemand op te sluiten (ras en seksuele of politieke voorkeur in de concentratiekampen ten opzichte van incivisme in de hechteniskampen) en het zeer ongelijk lopende dodental.

 

Hoe dan ook roept de accumulatie van zo veel zinloos geweld bij De Pillecyn verontwaardiging op: ‘de gruwelen die uzelf doen verachten omdat u een mens zijt’ (120). Maar dat blijkt niet voldoende. Opeens wordt de ‘wij’ in een allerlaatste frase voor een schuldvraag geplaatst. Zo lijkt het toch. Alleen wordt de vraag niet werkelijk gesteld, en de beschuldiging is ronduit overdreven – alle gruwelen van de concentratiekampen worden op de geïnterneerden afgeschoven. Voor zo’n groteske aantijging kan geen enkele beklaagde zich verantwoordelijk voelen. Bovendien staat de schuld al vast, voor het proces nog maar van start gegaan is. Dat De Pillecyn aangeeft dat ‘wij dat alles gedaan hebben’ is dan ook geen bekentenis, maar wel bittere scherts. Wanneer De Pillecyn zijn eigen bezettingsactiviteiten terloops onder ogen ziet, blijkt hij trouwens evenmin spijt of berouw te voelen (66, 78, 86, 161, 183).

 

Tot slot staat er in de passage nog de suggestieve toevoeging dat de verantwoordelijken, ‘voor een deel althans’, gezocht moeten worden bij de ‘belhamels uit die kampen zelf’. Naar wie de belhamels precies verwijzen, expliciteert de tekst opnieuw niet. Zijn het de kampbewakers (die voor hun individuele wangedrag op de vingers getikt moeten worden) of zijn het kampgevangenen (die de opsluiting aan door hen zelf verrichte misdaden te wijten hebben)? Zoals ik al aangaf heeft De Pillecyn geen hoge pet op van het beroep van cipier, maar hij zaait in de tekst ook twijfel over de concentratiekampslachtoffers door te suggereren dat de kampen bewoond werden door smokkelaars en plunderaars die hun misdaden na de oorlog presenteerden als verzet tegen de Duitse bezetter (58, 70). Verderop in het boek portretteert hij ook een Buchenwald-slachtoffer: ‘Hij is rond en vet, ge kunt hem uit zijn broek schudden. Zijn groot bol gezicht glanst van vettige voldaanheid. Hij is geen kwade vent; na een paar maanden ziet hij er minder gevuld en minder glanzend uit’ (124). De weinige keren dat er naar de slachtoffers uit de concentratiekampen verwezen wordt, lijken zo ingezet te worden om de verhalen over de kampen af te zwakken. In die context lijkt ook het woord ‘belhamel’ gekozen, maar die term, en de connotatie van deugniet of oproerling, doet vanuit geschiedkundig opzicht resoluut tekort aan de gecoördineerde verschrikkingen van de nazistische werk- en vernietigingskampen.

 

De heruitgave

Hoewel De Pillecyn de getuigenis in 1958 persklaar maakte, zou de tekst pas zeventien jaar na zijn overlijden, in 1979, gepubliceerd worden bij uitgeverij De Clauwaert. Die eerste editie kan intussen integraal geraadpleegd worden in de digitale bibliotheek voor Nederlandse letteren, maar in deze scans ontbreekt het aan een gedegen, ongekleurde literair-historische duiding: vriend Bert Ranke benadrukt in zijn verantwoording dat de ‘ingoede De Pillecyn’ in dit werk ‘aangrijpend’ getuigt van het onrecht in de naoorlogse periode (5-6) en Vlaams-nationalist Willem Melis zet in zijn summiere voorwoord de bestraffing van de collaboratie als onzinnig weg (7). Melis noemt het boek vooral een protest tegen de ‘brutale uitwassen’ van de justitiële epuratie (‘justice de rois nègres’) die, opgehitst door de straat, de aanleidingen tot collaboratie totaal miskenden (8). Melis voorspelt dat de tekst bij de lezer schaamte en weerzin zal opwekken voor deze zwarte bladzijde uit onze geschiedenis (10). De vergoelijkende, weinig afstandelijke lezingen van Ranke en Melis leren ons weinig over de inhoud en de context van de tekst, bijvoorbeeld welke gedachten De Pillecyn in zijn gevangenisboek verwoordt, of hij die in de loop van het boek herziet, en hoe we zijn verhaal in de naoorlogse context kunnen plaatsen.

 

Een heruitgave zou de tekst bijgevolg van een meer feitelijk kader moeten voorzien, bij voorkeur met een uitgebreider notenapparaat om de vele verwijzingen naar personen, groeperingen en contemporaine gebeurtenissen te kunnen becommentariëren. Tegen de muur komt slechts tot op zekere hoogte tegemoet aan die vraag: de tekst werd geannoteerd en in de inleiding probeert editeur en commentator Jean-Pierre Rondas de dagboeknotities te begrijpen en te systematiseren. Die ingrepen zijn een belangrijke eerste stap om dit gevangenisboek toegankelijk te maken voor een nieuwe generatie lezers. Maar het is stuitend dat er in de schets van Rondas nauwelijks kritische kanttekeningen geplaatst worden bij De Pillecyns persoonlijke verwerking van de epuratie. En door de waarnemingen en bespiegelingen niet in een groter perspectief te plaatsen, bevestigt de tekst meer dan eens de tendentieuze kijk van De Pillecyn.

 

‘Gecensureerde’ passages

Aanleiding voor de heruitgave is enerzijds de missie van het Filip De Pillecyncomité, dat de auteur en zijn werk zo volledig en genuanceerd mogelijk wil bestuderen en dus ook deze tekst ‘over de grote cesuur in De Pillecyns leven’ niet onbesproken laat (12), en anderzijds de vondst van een typoscript, dat volgens inleider Emmanuel Waegemans – in tegenstelling tot de eerder gepubliceerde tekst – ‘ongecensureerd’ is. Voor de samenstellers is het onzeker wie verantwoordelijk was voor de aanpassingen in de eerste editie: Waegemans zegt dat dit het werk is van de redactie van De Clauwaert (11), Rondas stelt dat De Pillecyn zelf de emendaties aanbracht. Hoe het ook zij, en anders dan de flaptekst belooft, blijkt het met de ‘verminkte vorm’ wel mee te vallen: de nieuwe editie bevat op een geheel van tweehonderd bladzijden niet meer dan dertig bijkomende passages die in lengte variëren tussen twee zinnen en een volledige pagina. Verder zijn een twintigtal korte herformuleringen opgenomen en een dertigtal ‘gewraakte’ woorden, zinsdelen of zinnen toegevoegd. Dat er in de tekst heel wat geknipt is (7), is overdreven.

 

Desondanks is het wel interessant om te kijken welk soort fragmenten geschrapt is in de eerste uitgave. Ook hierover zijn de meningen verdeeld. In de flaptekst staat dat de lezer nu voor het eerst kan oordelen hoe De Pillecyn worstelt met het volksnationalisme dat hij had gepropageerd. Wie het boek doorneemt, zal echter opmerken dat dit verkooppraatje geen hout snijdt; ook in de niet-bewerkte tekst twijfelt De Pillecyn of zijn beeld van het Vlaamse volk niet op hersenschimmen gebaseerd is (bv. op pagina’s 132-133). Bovendien is het nog maar de vraag of De Pillecyn in dit werk echt afstand neemt van het door hem bepleite volksnationalisme. Hij toont zich dan wel verbolgen over het gedrag van de straat tijdens de epuratie, hij blijft vasthouden aan concepten als ‘volk’, ‘gemeenschap’ en ‘heimat’. Zo vindt hij zijn volk terug in de beperktere ‘gemeenschap’ van incivieken ‘achter prikkeldraad’ (107; 118; 119), in het bijzonder in de barak van de Oost-Vlamingen tot wie hij behoort omdat hij met hen zijn geboortegrond deelt (95). En wanneer hij twijfelt over de mens, is er altijd de verbondenheid met de trouwe aarde, waarin hij zich blijvend geworteld voelt (77; 82; 93; 113; 116; 140; 146; 228; 231; 241). Een zin uit de geschrapte passages plaatst deze ideeën bovendien in een uitgesproken essentialistisch paradigma: ‘Ik geloof dat de mens van Germaansen bloede meer behoefte heeft aan het bovennatuurlijke dan de Latijn’ (149). Al deze aspecten wijzen er op dat De Pillecyn niet losgekomen is van een volksverbonden Vlaams-nationalistisch gedachtegoed, ondanks alle (emotionele) reserves die hij rond het concept ‘volk’ formuleert.

 

In zijn inleiding geeft Rondas een andere duiding van de gewraakte fragmenten. Zijn lezing confronteert hij met de visies uit de eerste boekuitgave, waarin Ranke opmerkte dat in de boekversie enkele alinea’s sneuvelden ‘met te journalistiek of pamfletachtig karakter’ en Melis beweerde dat de auteur overbodige en bittere passages had weggelaten (35). De kortere weglatingen mogen dan wel weggewerkt zijn omdat ze overtollig waren en het punt al gemaakt was, maar, schrijft Rondas, ‘bitterheid zie ik niet, ik zie slechts realisme met wijd open ogen’ (35). Deze bizarre uitspraak, die overigens niet verder gemotiveerd wordt, lijkt me wederom niet vol te houden. Bepaalde geschrapte uitspraken zijn duidelijk gekleurd, zoals:

 

En deze jonge mannen [krijgsauditeurs], die doorgaans, als advocaat hun brood niet konden verdienen, meenden de weg naar vastheid in hun ambt of verdere promotie te vinden niet in de kennis der wet, niet in de onbevangenheid van het oordeel of in de inspraak van hun geweten, maar in de praktijken der koppensnellerij. Bloeddorstigheid was een aanbeveling, het was gunstiger voor hen beul te spelen dan rechter. En het absolute van hun onwetendheid in vele zaken stijfde de beslistheid van hun repressieve geest. (217-218)

 

Termen als ‘koppensnellerij’, ‘bloeddorstigheid’ en ‘beul’ kan je bezwaarlijk als objectief bestempelen, om nog maar te zwijgen over de diverse veralgemeningen. Waarom deze beschimpingen volgens Rondas niet als ‘bitter’ bestempeld mogen worden, lijkt samen te hangen met de eerdere stelling dat het ‘goedkoop’ is om deze ‘memoires af te doen als het product van verbittering, rancune en ressentiment’ (12). Ideologiekritische publicisten zouden gevoelens van bitterheid en rancune als een extra beschuldiging gebruiken in de bespreking van de tekst. In hun analyse zou doorklinken dat wie rancuneus is, de ‘heilzame lessen van de Belgische gevangenis niet geleerd’ zou hebben (25-26). Rondas vermeldt niet wie hij hier parafraseert, waardoor een open debat in de kiem gesmoord wordt. Het is bovendien opmerkelijk dat Rondas andermans interpretatie van de verbitterde passages gebruikt om de stelling af te zwakken dat verbittering een bepalende ondertoon van dit werk is. Via deze kunstgreep verschuift Rondas de focus van verbittering naar de vertedering voor de gevangenisgemeenschap, waardoor duidelijk zou moeten worden dat De Pillecyn zich tijdens deze periode van epuratie wel degelijk ‘gezuiverd’ zou hebben. Die stelling smaakt echter bijzonder wrang, aangezien het zuiveren in deze uitspraak louter slaat op het wegmasseren van de verbittering, en niet op een doorgedreven reflectie op zijn daden tijdens de bezetting, bijvoorbeeld de vrijwillige ondertekening van de documenten die een Joods segregatiebeleid op middelbare scholen mogelijk maakten.

 

Rondas betoogt verder dat de ‘gecensureerde’ passages vooral teksten zijn waarin De Pillecyn ‘probeerde te formuleren wat hem bezielde’ (11). Daarmee doelt Rondas opnieuw niet op het overdenken van zijn bezettingsactiviteiten, maar wel op een ‘prangende’ weergave van wat hij De Pillecyns repressiefilosofie noemt (36). Kort samengevat komt het erop neer dat De Pillecyn de epuratie als een lange burgeroorlog zag die van start ging in 1944 met een oplopend aantal gewelddaden van verzet en bezetter, uitmondde in de massale ‘weerwraak’ van de epuratie, en uitdoofde in 1949. De Pillecyn ziet zichzelf in dit geschil als een politiek idealist, die de strijd met vele offers moest bekopen. De celstraf beschouwt hij als onrechtvaardig, omdat ze uitgesproken werd door een krijgsauditeur die als overwinnaar niet in staat was om onpartijdig te oordelen. Spijt, berouw of schaamte voelt hij niet, noch de nood om iets te veranderen (30-36). Resonanties van de door Rondas geschetste repressiefilosofie vinden we inderdaad in de gewraakte passages. Toch bevredigt zijn interpretatie niet volledig: hoewel je zou kunnen betogen dat de gedachtegang in de geschrapte fragmenten scherper of directer verwoord is, vinden we alle elementen uit de repressiefilosofie ook in andere fragmenten terug, waardoor de vraag blijft om welke reden de passages in de oorspronkelijke uitgave weggelaten zijn.

 

Gebrek aan context en kritische distantie

Interessant wordt het wanneer Rondas inzoomt op de ideologie die De Pillecyn tot samenwerking met de Duitser drijft, en die dus het vertrekpunt van de repressiefilosofie is. Hij schrijft dat het evident is om in deze idee de Vlaamse soevereiniteit te lezen, maar dat de tekst verder niets prijsgeeft, behalve de mogelijkheid om de idee in te vullen met de ‘liefde voor het Vlaamse volk’ (33-34). Met die laatste suggestie kan de lezer echter weinig: liefde kan wel een stimulans zijn voor een politiek engagement, maar het leert ons niets bij over welke ideologie De Pillecyn voorstond, tot welk samenlevingsmodel zijn idee zou leiden en hoe hij dit model wilde bereiken. Het lijkt mij dan ook veelbetekenend dat De Pillecyn zich slechts in bedekte termen over deze overtuiging uitspreekt: door er niet bij stil te staan, raken de beweegreden(en) om in de collaboratie te stappen en zijn oorlogsactiviteiten versluierd. En zolang die sluier aanwezig is, kan dit verleden niet werkelijk in de ogen gekeken worden.

 

Veelzeggender nog is dat Rondas niet ingaat op wat De Pillecyn nagenoeg verzwijgt in de tekst, namelijk de bezetting en de vraag wat hij tijdens deze periode gedaan en gezegd heeft. Dat het voorwoord wel uitgebreid de volkswoede en epuratie belicht, maar niet ingaat op de periode voordien, beschouw ik als een fundamenteel tekort, zeker omdat de inleiding – zoals de flaptekst aankondigt – een ‘handleiding’ bij het gevangenisdagboek wil zijn.

 

Niet alleen ontbreekt de cruciale achtergrondinformatie om de getuigenis van De Pillecyn in zijn historische context te kaderen, ook is de introductie vanuit een eenzijdig standpunt geschreven. Dat er vrijwel niet afgeweken wordt van het perspectief van de collaborateur illustreert Rondas zelf treffend: bij de beschrijving van de meidagen linkt hij die ‘nieuwe golf van straatrepressie’ aan ‘de Duitse capitulatie en de terugkeer van vele collaborateurs’ naar Vlaanderen (16). Dat tegelijk ook kampslachtoffers terugkeerden, of Belgen het bericht vernamen dat een familielid of vriend de opsluiting in een concentratiekamp niet overleefd had, vermeldt Rondas niet, terwijl het cruciaal is om al die menselijke drama’s in het overzicht van deze ‘kapotte tijd’ mee te nemen.

 

Bovendien ontbreekt in de inleiding kritische distantie. Geregeld bekrachtigt de tekst de ‘lucide’ beweringen van De Pillecyn door ze niet te (willen) nuanceren (29). Zo beaamt de tekst stilzwijgend dat er geen grond geweest zou zijn om De Pillecyn te vonnissen (25). Ook lijkt Rondas ons terug te katapulteren naar de al vaak ontkrachte veronderstelling – bijvoorbeeld in Onverwerkt verleden (Huyse & Dhondt, 1991) en Repressie zonder maat of einde? (Aerts, 2014) – dat de gehele Vlaamse Beweging tijdens de Tweede Wereldoorlog gecollaboreerd zou hebben (21). Door hier niets tegenin te brengen, wordt de epuratie opnieuw zeer kort door de bocht weggezet als een (franskiljonse) heksenjacht tegen de Vlaamse Beweging. Een enkele keer wordt er opgemerkt dat De Pillecyn ‘niet af[wijkt] van zijn wellicht naïeve, illusoire, onmogelijke, misschien gespeelde uitgangspunt’ (32). Wat zijn denkbeelden ‘wellicht’ naïef, denkbeeldig of onmogelijk maakt, verduidelijkt Rondas niet. Deze enigszins kritische noot verdwijnt door het terloopse karakter al snel naar de achtergrond, waar ze plaatsmaakt voor uitspraken die een tegengestelde visie lijken te bepleiten. Zo wordt van bij het begin twijfel gezaaid over het gekleurde karakter van de getuigenis door het woord ‘subjectief’ tussen aanhalingstekens te plaatsen, en Rondas doet veel moeite om ons van de ‘journalistieke betrouwbaarheid en accuratesse’ van het dagboek (19) te overtuigen. Hij minimaliseert op die manier de idee dat een getuigenis sowieso een selectieve blik op de gebeurtenissen biedt. Tezelfdertijd stuurt hij met stilistische keuzes onze lezing van zijn tekst, bijvoorbeeld door met behulp van veralgemeningen, herhalingen en weinig objectief taalgebruik de verschrikking van het gevangenisregime voelbaar te maken:

 

Niet in het Frans geschreven, maar wel met een Franstalige titel, omdat dit de kreet was die de cipiers en gendarmen keer op keer de gevangenen toesnauwden: ‘face au mur!’ – een geschreeuwd bevel en een eerste vernedering. Waarna men deze mensen een halve dag in de vlakke zon of in de kou en miezerige regen liet staan. (11-12)

 

Tot slot zijn enkele fragmenten in de introductie bijzonder suggestief. Rondas is bijvoorbeeld vaag over aantallen, bijvoorbeeld als het gaat over de dodelijke slachtoffers van de volkswoede. Hoewel cijfermateriaal voorhanden is (een honderdtal sterfgevallen in België is in de meeste publicaties de bovengrens, Van Loon 2008, 55), schrijft Rondas dat het geweld ‘heel wat mensen het leven gekost’ heeft (19), waarna hij enkele pagina’s verder opmerkt dat de gerechtelijke epuratie in de eerste fase aanstuurde op ‘de burgerlijke dood’, of toch ‘voor diegenen die ze niet fysiek liquideerde’ (24). Ik veronderstel dat Rondas hier naar de doodstraf verwijst, die toen 242 keer werd uitgevoerd. Opnieuw is het vreemd dat Rondas niet naar de gekende aantallen verwijst. Wanneer hij het vervolgens over het proces van De Pillecyn heeft, vertelt hij dat de auteur in de gevangenis verneemt dat de voorzitter van de krijgsraad vergeleken wordt met de Spaanse hertog van Alva, die in de zestiende eeuw de protestantse opstand in de zuidelijke Nederlanden succesvol neersloeg. Met behulp van de zogenoemde ‘Bloedraad’ liet hij zo’n duizend personen op verdenking van landverraad (publiekelijk) terechtstellen, onder wie de graaf van Egmont die net in de Habsburgse Nederlanden gebleven was om met de Spaanse landvoogd een overeenkomst te bereiken. De uitspraken van De Pillecyn worden door Rondas geconfronteerd met een getuigenis van gerechtsjournalist Louis De Lentdecker, die aangaf dat niet de voorzitter, maar de auditeur als Alva werd bestempeld, waarna Rondas besluit met:

 

Hoe dit ook zij, een De Pillecyn die door twee Alva’s wordt bedreigd, moet zeker ook een Egmont zijn, die opkomt voor zijn volk en de bevrijding van vreemde banden. Zowel Egmont als De Pillecyn waren slachtoffers van een grootscheepse epuratie. In beide gevallen was deze zo excessief dat ze haar doel, het behoud van een centralistisch bewind, in zijn tegendeel heeft doen verkeren. (37-38)

 

Omdat er twijfel bestaat over de persoon die gelijkenissen vertoont met Alva, telt Rondas in één beweging beide Alva’s maar op? De schimmige vergelijking van De Pillecyn met de graaf van Egmont, die hij uit de eerste uitgave kritiekloos overneemt, komt hierdoor nog meer ongerijmd voor. In elk geval is dit retorisch trucje wel doorzichtiger dan wat er met ‘bevrijding van vreemde banden’ of de laatste bijzin bedoeld wordt. Evenveel vraagtekens roept Rondas’ samenvatting van het boek op: ‘Het geheel leest als literaire non-fictie waarin de waarheid nooit wordt gelogen, maar de leugen pijnlijk wordt blootgelegd’ (13). Deze uitspraak wordt niet toegelicht, noch gemotiveerd. Niettemin is in deze verhullende zin onmiskenbaar de suggestie geslopen dat De Pillecyn het in zijn gevangenisboek bij het rechte eind had.

 

Uiteindelijk blijkt Rondas zo vooral te willen betogen dat de epuratie niet in het Vlaamse cultureel geheugen verankerd staat omdat er zo veel collaborateurs ‘verbitterd’ over geschreven hebben, maar wel omdat de epuratie zelf gruwelijk was. De beeldvorming van de epuratie is met andere woorden geen constructie die zich achteraf gevormd heeft, maar is, zo stelt Rondas, als het ware uit de gebeurtenissen zelf voortgesproten (39). Om die stelling te motiveren plaatst hij in de tekst vraagtekens bij het bestaan van de vele repressie- en collaboratiegeschriften. ‘Wie kent ze?’, klinkt het. Want naast Uit het zwartboek der zwarten heeft hij nauwelijks weet van titels. En hij vervolgt:

 

Het is toch eigenaardig dat geschriften die het collectieve geheugen van Vlaanderen met een flamingante interpretatie zouden hebben bezet, behalve in een enkele bibliotheek, onvindbaar zouden zijn. (14)

 

Met deze bewering zet Rondas veel recente historische werken die de naoorlogse beeldvorming (gedeeltelijk) vanuit deze geschriften verklaren dadelijk als ongeloofwaardig weg. Drie bladzijden later loopt hij zich echter vast in zijn kritiek. Hij vertelt dan dat de gevangenen in de cellen van Sint-Gillis in het geheim hun memoires voorbereiden (17). Als alle gedetineerden in Sint-Gillis over de oorlog en repressie schreven, moet er (ooit) wel een stapel collaboratiegeschriften bestaan hebben, en als Rondas weet heeft over deze geschriften kan hij moeilijk blijven ontkennen dat ze niet te traceren zijn. Meer leessuggesties kan Rondas ook vinden in een werk als Het gewicht van het oorlogsverleden (2002) van Marnix Beyen: naast enkele boektitels wordt hierin gerefereerd aan de vele bijdragen in de zogenoemde anti-repressietijdschriften Rommelpot, ’t Pallieterke en Opstanding. Ook Jan Lenssen toont in zijn werk De foute oorlog. Schuld en nederlaag in het Vlaamse proza over de Tweede Wereldoorlog (2014) aan dat de thema’s collaboratie en repressie, en de bijbehorende nuancering van schuld, dominant zijn in de literaire verwerking van de Tweede Wereldoorlog.

 

Helemaal bont wordt het wanneer Rondas meteen na de net geciteerde uitspraak het doel van de publicatie duidelijk maakt:

Omgekeerd beschikken we vandaag wèl over heel wat geschiedwerken die de repressie in ere willen herstellen, die als het ware de standpunten en de oordelen van de auditoraten van die tijd bijtreden en overnemen. Face au mur is een document dat de hedendaagse apologie van de repressie op haar beurt kan nuanceren en contesteren. (14)

 

Opnieuw worden er geen namen of titels genoemd, waardoor het gokken is over welke hoop geschiedwerken Rondas het heeft. Luc Huyse, Steven Dhondt en Koen Aerts publiceren bijvoorbeeld kritisch en genuanceerd over deze periode waarbij ze niets verhullen over de volkswoede, de uitwassen in het verkrijgen van een bewijs van burgerdeugd en de ongelijkheid tussen veroordelingen. Deze publicaties ondergraven Rondas’ stelling dat de straatwoede ‘deels vergeten, deels verzwegen, deels weggemoffeld’ (243) zou zijn, waardoor hij het nodig acht om Face au mur als tegenwicht in de markt te zetten.

 

Aangebrand toemaatje

Het boek eindigt met de scans van het stripverhaal Hoe de zwarten in de hemel kwamen. Dit beeldverhaal werd in dezelfde periode geschreven als Face au mur. De tekst is van Filip De Pillecyn, de illustraties zijn van zijn neef, de schilder en tekenaar Remy De Pillecyn. De prenten en bijbehorende rijmpjes vertellen over een groepje collaborateurs dat tijdens de septemberdagen zo hard aangepakt werd dat ze het leven lieten. Aangekomen in de hemel blijkt Sint-Pieter hen niet in de hemel te willen opnemen. Ze belanden dan maar in het voorgeborchte van de hel, waarna een hele reeks prominente figuren het voor hen opneemt en ze uiteindelijk toch de hemelpoort binnen mogen. Alleen blijken ze op dat moment tot op het ondergoed gestript. De dieven blijken Joodse sjacheraars te zijn.

 

Het verhaal wordt uitgebreid naverteld door Rondas, waarna hij deze synopsis gebruikt om het punt te maken dat er in dit document ‘geen sprake [is] van “antisemitisme”, maar eerder van de sjablonen van een ouderwets katholiek antijudaïsme dat in de context van het interbellum en van de jaren veertig geplaatst moet worden’ (245). In dit verhaal zou dus geen sprake zijn van discriminatie of afkeer van de Joodse bevolking op basis van ras, maar wel op basis van religie. Rondas grijpt ervoor terug naar Karl Marx ‘die vanuit zijn bovenbouw-onderbouw theorie eveneens zo zijn bedenkingen had over “het sjachervolk”’ (256). Dat de tekst van Marx van honderd jaar eerder dateert, en een radicaal ander doel – de materialistische emancipatie – voor ogen had, neemt Rondas dan weer niet mee. Evenzeer gaat hij voorbij aan De Pillecyns handtekening op de segregatiedocumenten voor het middelbaar onderwijs. Hoewel de handtekening zeker geen rechtstreeks doodvonnis was, liet de handtekening het Duitse bewind wel toe om Joodse leerlingen te identificeren, te arresteren en op transport te zetten, met als einddoel: de gaskamer. Zelfs als De Pillecyn meent dat hij geen steentje bijdroeg aan de zogenoemde ‘Duitse moordmachine’, blijft er nog het al aangehaalde citaat uit Face au mur waarin De Pillecyn beweert dat de gruwelverhalen van de concentratiekampen hem aangrepen. Kan men, met die gegevens in het achterhoofd, de Joodse karikatuur dan zo snel opzijschuiven met de suggestie dat het om ‘ouderwets katholiek antijudaïsme’ gaat? Het stripverhaal legt vooral bloot hoe diep deze karikaturen ingesleten waren: zelfs kort nadat een poging ondernomen was een volk volledig uit te roeien, wordt datzelfde volk in verband gebracht met eeuwenoude vooroordelen.

 

In de studie naar de mens De Pillecyn en zijn werk ontbrak vooralsnog een analyse van Face au mur. Tegen de muur brengt echter niet de contextschets die nodig is om dit waardevolle document genuanceerd ter hand te nemen. Gelukkig bestaan er al wel scherpe lezingen van andere oorlogsteksten, bijvoorbeeld in het al vermelde werk De foute oorlog. Schuld en nederlaag in het Vlaamse proza over de Tweede Wereldoorlog (2014) van Jan Lenssen. Voor Face au mur kijk ik alvast uit naar een leeswijzer die voorbij de traumatische ervaringen van De Pillecyn durft te kijken, en ruimte laat voor een analyse die niet wegkijkt van ‘verbrande uitspraken’, zoals: ‘in de schoot der verkrachte vrouwen kiemt het zaad van Amerikaanse negers’ (89), of nog voor nazi-Duitsland gecapituleerd heeft: ‘Ver in Duitsland zit mijn kind. Waar weet ik niet. Daar wordt het werk van de beschaving voltrokken aan honderdduizenden vrouwen en kinderen’ (89).

Doorbraak, Antwerpen

Geplaatst op 06/10/2019

Tags: 2019, De foute oorlog, DeVlag, Doorbraak, Epuratie, Face au Mur, Filip De Pillecyn, Jan Lenssen, Jean-Pierre Rondas, Joden, Koen Aerts, Literatuur, Luc Huyse, Maxime van Steen, Oorlogsdagboek, Steven Dhondt, Tegen de Muur, Uitgeverij Doorbraak, Verzet, Vlaamse Kultuurkamer, VNV, WOII

Categorie: Geschiedenis, Recensies

Deel:

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.