Proza, Recensies

The Big O en het Kleine Al. Omega Minor revisited

Omega Minor

Paul Verhaeghen

Weinig schokkends te melden over de zomer van 2004. Ik was alleen. Weer. Door mijn eigen toedoen. Ongetwijfeld. Ik woonde in een nog altijd vreemde stad en stelde me verbazend weinig vragen bij het feit dat ik mijn leven in de prille eenentwintigste eeuw definitief aan de literatuur had gewijd. Hugo Claus leefde nog. Dat zal het zijn geweest. Er was nog iets anders. In die zomer sleepte ik overal waar ik heenging een vuistdikke, vuurrode roman met me mee. Ik fietste nogal eens door de voetgangerstunnel naar Linkeroever om daar in de nabijheid van de Antwerpse skyline te profiteren van het mooie weer – onder mijn snelbinders die vuistdikke, vuurrode roman. Al lezend veranderde de rivier aan mijn voeten al snel in de Spree, de stad op de achtergrond in Berlijn. ‘An odd beach read,’ merkte een Amerikaanse student eens schamper op over een oorlogsroman die ik haar vlak voor spring break te lezen had gegeven. Zo verging het me ook met Omega Minor van Paul Verhaeghen, het boek waar ik die zomer op St.-Anneke helemaal in opging.

De geschiedenis in een snelkookpan
Als ik het boek vijftien jaar later weer vastpak, ben ik meteen terug waar ik toen was. Niet alleen op St.-Anneke, maar ook in de sensatie die literatuur al te zelden bij me weet op te wekken. Verhaeghen weet zijn lezers niet alleen mee te voeren door zijn meeslepende relaas van de krankzinnige twintigste eeuw. Hij weet je er ook van het prille begin van te overtuigen dat je zíjn hoogsteigen universum betreedt, zijn taalbouwwerk, zijn tovenaarshol waarin hij de geschiedenis in een snelkookpan tot ver boven het kookpunt brengt en in een vorm kneedt waarvan je nog maar eens moet zien of je hem ervan kunt overtuigen dat zij die nooit heeft gehad.

De roman kwam voor mij als een totale verrassing. Ik leefde in de wellicht wat hooghartige veronderstelling dat de Nederlandstalige literatuur in de eenentwintigste eeuw eindelijk maar eens klaar zou moeten zijn met de Tweede Wereldoorlog. Maar nee, daar was dus Omega Minor, de roman die net als De ontdekking van de hemel de ambitie toonde om de geschiedenis, culminerend in de Tweede Wereldoorlog, het hele bestaan, én de machinaties daarachter, te doorgronden, maar daar in tegenstelling tot de pil van Mulisch wél min of meer in slaagde. Vooral omdat Verhaeghen zich, anders dan Mulisch, van het grote modernistische experiment herinnerde dat je wel kunt proberen om het leven in kunst te vatten, maar dat die kunst daar niet toe uitgerust is. De essentie ligt in de poging en uiteindelijk in de groteske mislukking ervan. Waar Mulisch’ hoofdpersonage aan het eind van de roman de hemel ontdekt en prompt wordt neergebliksemd door een al te onsportieve g*d, hebben Verhaeghens personages Jozef de Heer, Paul Andermans, Goldfarb, Donatella en Nebula geen hogere instantie nodig om de wereld naar de kloten te helpen. Ze kunnen niet anders. Dat is de essentie van het grote in het klein. We reiken naar de sterren, maar kunnen er uiteraard niet bij. Ondertussen figureren we in een verhaal.

De kleine grote O
En juist met dat verhaal gaat Verhaeghen aan de haal. Het begint al met de titel, Omega Minor, letterlijk: de kleine grote O. The Big O dus, ook wel: de kleine dood. Maar evengoed het kleine Al. De titel kent vele echo’s en evenveel betekenisvarianten in het boek. De wetenschapper Goldfarb, die tijdens de oorlog nog heeft meegewerkt aan de ontwikkeling van de Amerikaanse atoombom, en zijn student Donatella werken aan de theorie van het Al. Tegelijkertijd staat Omega Minor voor het verhaal van het Joodse volk als echo van, als model voor en als samenvatting van de hele twintigste eeuw. En uiteraard staat de titel ook voor het orgasme waar Verhaeghen de geschiedenis langzaam maar zeker naartoe leidt, de ontploffing die druk van de ketel moet halen.

Behalve in die laatste betekenis (aan orgasmes geen gebrek) is het maar de vraag of de verlossing ooit wordt bereikt. Toegegeven, Donatella mag aan het eind van het boek een Nobelprijs in ontvangst nemen voor de ontdekking van een nieuw deeltje (niet het G*dsdeeltje, dat was toen nog niet in zicht) waarmee de wetenschap een flinke stap in de richting van de universele theorie zet, maar je weet hoe het met die dingen gaat (langzaam). Het confronterende is namelijk dat het moderne evangelie, het verhaal van de twintigste-eeuwse erfzonde en de daaropvolgende rituele boetedoening ondertussen op losse schroeven is komen te staan. Het verhaal dat Auschwitz-overlever Jozef de Heer aan Paul Andermans dicteert – een even kleurrijke als aangrijpende episode uit de Shoa – dat verhaal… nu ja, ik wil de plot niet weggeven… met zijn verhaal is iets aan de hand. Misschien kan ik het zo verwoorden: zijn vertelling blijkt slechts een vertelling. Niet omdat Verhaeghen zou vinden dat er in de postmoderne tijd geen plek meer is voor Het Grote Verhaal, maar omdat zelfs dit verhaal vijftig jaar na het einde van de oorlog aan status inboet. Niet alle Duitsers in het Berlijn van 1995 buigen hun hoofd nederig naar de geschiedenis. Sommigen onder hen noemen zich ‘neo-’ en sturen met de haat in de ogen aan op de herhaling van het meest afschrikwekkende deel ervan. Hoezeer Omega Minor soms ook flirt met het ongelooflijke; hier kunnen we ons ondertussen van alles bij voorstellen.

Kritiek
Voor de kritiek was het aanvankelijk even wennen. Een heuse Nederlandstalige encyclopedische roman, minstens even hysterisch als Thomas Pynchons Gravity’s Rainbow. Ga daar maar aanstaan. Hoewel men over het algemeen veel lof had voor de reikwijdte van de roman en de stilistische verve waarmee hij geschreven was, klonken her en der kritische noten. Mocht je dít wel doen met de nagedachtenis van de Tweede Wereldoorlog? Jonathan Littells Les Bienveillantes liet nog vier jaar op zich wachten. Ook naar aanleiding van dat boek werd deze vraag meermaals gesteld. Onterecht, in mijn ogen. Want als Verhaeghen (net als Littell) toch één slag van de postmoderne molen heeft meegekregen, dan is het wel het besef dat verhalen, nog afgezien van hun twijfelachtige inherente waarachtigheid, in ieder geval niet heilig zijn. Ze worden altijd vervormd. Als schrijvers dit niet bewust en opzichtig doen om zo tegen de leugenachtigheid te waarschuwen, dan doen de identitaire bewegingen (en Hongaarse en Amerikaanse presidenten) het wel. Let’s not forget. Dus. Ziedaar de noodzaak van het schrijven. Ziedaar ook het eind van die zorgeloze zomer van 2004.

Amsterdam, 2004
ISBN 9789059900127
604p.

Geplaatst op 29/05/2019

Tags: 2004, Paul Verhaeghen, Politiek, Recensie, recensies, Tweede Wereldoorlog

Categorie: Proza, Recensies

Deel:

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.