Poëzie, Recensies

Vis in viskom

Een goudvis

Arjen Duinker

Arjen Duinker (1956) doet niet aan mystificatie. Onder de titel Een goudvis is op het omslag pontificaal een goudvis afgebeeld. Er is geen ontkomen aan om de rol van dit dier in deze nieuwe bundel te onderzoeken, zeker als blijkt dat het woord ‘goudvis’ daarin meer dan twintig keer voorkomt. De bundel opent met het zinnetje ‘Een goudvis?’ en eindigt met ‘Vegen wij onze monden af / En kalmeren we de goudvis?’

Het meest kenmerkende aan deze poëzie is dat alle zinnen eindigen met een vraagteken. Aanvankelijk is het de vraag of deze vorm getuigt van een irritant maniërisme of van een obsessief maar noodzakelijk concept waaraan we ons moeten overgeven. Na het lezen van een aantal gedichten lost het voorbehoud op, omdat het vermoeden rijst dat er vanuit een existentieel gemis wordt gesproken.

De goudvis op het omslag van het boek, gehuld in het mooiste, bijna lichtgevende oranje, straalt ons tegemoet. Het contrast met de omgeving, die volkomen zwart is, kan bijna niet groter. Diepzwart is ook de pupil van het oog dat ons aanstaart. De donkerte omhult dus letterlijk de inhoud van de bundel, het is de vraag in hoeverre die ook het karakter van de poëzie bepaalt.

Voor een antwoord ga ik te rade bij een ander kunstwerk waarin een goudvis voorkomt. In de enige film die Samuel Beckett heeft gemaakt, onder de naam ‘Film’ (1965), speelt de oude Buster Keaton een rol waarin hij pogingen doet zich van de wereld af te sluiten door zich in een kamer terug te trekken. In het filmscript is een motto opgenomen, ‘Esse est percipi’, afkomstig van de Ierse filosoof George Berkeley (1685 – 1753), dat in vertaling ‘Zijn is waargenomen worden’ betekent. Beckett wil in Film het zijn opheffen door alles wat ogen bezit of uitzicht biedt op de wereld af te schermen of te verwijderen. De hoofdpersoon van deze film tracht zich met het niet-zijn te vereenzelvigen om verlost te worden van de wereld die in alle absurditeit alleen maar afschrikt en tegenstaat. Een gordijn wordt voor het raam geschoven en een portretje van de muur gehaald; hond en kat worden op de gang gezet, de papegaai in een kooi en de goudvis in zijn kom met een doek afgedekt.

Het omslag van Een goudvis komt overeen met de wereldverzaking in Becketts Film, maar in zijn gedichten tracht Duinker ogenschijnlijk het tegenovergestelde te bereiken. Wie alleen maar een verduisterde wereld waarneemt, stelt zich onontkoombaar en uit noodzaak vragen over wat zich aan zijn waarneming en zijn bewustzijn heeft onttrokken, want zonder wereld kan niemand bestaan. Door obsessief vragen te stellen tracht hij het isolement van het bewustzijn op te heffen en het contact met de wereld te herstellen. Duinker trekt met deze poëzie in overdrachtelijke zin het doek dat Beckett over de viskom heeft gelegd er weer vanaf.

In gedicht ‘12’ stelt het aldoor pratende personage de vraag ‘Is een goudvis een spiegelbeeld?’ Ik ben geneigd daarop een bevestigend antwoord te geven, in tweeërlei opzicht. De goudvis spiegelt de wereld en de vragensteller spiegelt zich aan de goudvis om de wereld opnieuw te leren kennen. Kennelijk is een goudvis daardoor ook voor andere mensen interessant: in gedicht ‘7’ komt aan de orde of ook Freya met Ruben naar de viskom komt kijken. Deze terloops geïntroduceerde Freya, die is vernoemd naar de noordse godin van de vruchtbaarheid, de liefde en de wellust, zou een aanwijzing kunnen zijn voor de insteek van deze poëzie. Vanuit deze optiek bevestigt zij de opvatting dat de levensvatbaarheid en vitaliteit van de realiteit zelf op het spel staat in dit spiegelspel met de goudvis.

Als spiegelbeeld van de vragensteller vervult de goudvis de rol van het willen en kunnen zien van de wereld. Het is dus van belang om ons te concentreren op de vorm van zijn ogen en proberen te achterhalen wat hij daarmee ziet. Het vissenoog is boller en de grootte van de pupil relatief groter dan die van de mens, zodat een vis in verhouding meer van de wereld kan waarnemen. Niet voor niets gebruiken wij mensen bij het fotograferen soms een fisheye-lens, die beschikt over een zeer grote beeldhoek (boven de 100 graden), om ons blikveld te kunnen vergroten. Ik constateer dat een vis zeer ontvankelijk is voor visuele indrukken, zeker als hij rondzwemt in een viskom, waarvan de kromming de beeldhoek nog eens extra vergroot.

Visuele indrukken zijn waarschijnlijk de belangrijkste bron van de ervaring. In het oudere werk van Duinker bleek het waarnemen van de wereld een openbaring en kwam het contact met de realiteit met speels gemak tot stand, soms zelfs in de meest extatische bewoordingen. In de debuutbundel, Rode oever (1988), gebeurde dat met een ontwapenende aanstekelijkheid. Een voorbeeld, waarvan de vele uitroeptekens me ook nu weer vrolijk maken, is het volgende titelloze gedicht:

wat is dit een mooi land!
natuur! vertier!
water! bloemen en planten en dieren!
wat een mooi land! zee! bergen! heuvels!
marmotten! kleine hutten waar je kaas kan eten!
musea! kerken! klederdrachten! hotels! alles is er!
wat een land! casino’s! straten! bramen! sinaasappels!
oooooh!

‘alles is er!’ Dit besef is de overkoepelende ervaring van Duinkers oeuvre. Verwondering en blijdschap over de constatering dat alles er zomaar is bliezen overtuigend alle postmoderne bedenkingen tegen de aanwezigheid van de werkelijkheid van zich af. Samen met Elma van Haren en K. Michel luidde Duinker met deze filosofische instelling een nieuwe stroming in de Nederlandse poëzie in. Hoewel het aantal uitroeptekens in zijn volgende bundels afnam, bleef de bijna verlekkerde aandacht voor de wereld om ons heen de grondhouding van zijn gedichten.

Pas in Catalogus uit 2016 was de vanzelfsprekendheid van deze overtuiging uit zijn poëzie verdwenen. De bundel leek te getuigen van een existentiële crisis, misschien zelfs wel een spiritueel failliet, waaruit hij zich door middel van een conceptueel plan trachtte te bevrijden. De bundel bevat geen uitroeptekens meer, de gedichten bestaan uit droge opsommingen van de dingen om ons heen. Ik bespeur geen bevlogenheid, geen extatisch genoegen, eerder een soort vreugdeloze opsomming van wat aanwezig zou kunnen en moeten zijn in de beleving maar dat kennelijk niet meer is. Ik citeer een willekeurige alinea:

Wind vierkantje wind vierkantje
Water schaduw schaduw koe
Punt koe punt vierkantje
Driehoek cirkel driehoek stof
Wind liniaal vogel koe
Schaduw schaduw punt punt
Koe vogel cirkel wind

‘Schaduw schaduw punt punt’ lijkt ook de tamelijk deprimerende uitgangssituatie te zijn voor de gedichten in Een goudvis. Maar in deze bundel wordt de berusting in het schaduwbestaan doorbroken door het obsessief stellen van vragen.

Het door Duinker geïnitieerde vragenvuur wakkert opnieuw de interesse in de wereld aan, en de betrokkenheid daarbij, het is een poging om het contact met de realiteit te herstellen. Het beeld van de goudvis in een kom, dat symbolisch een zo groot mogelijk zicht op de omringende wereld mogelijk moet maken voor wie zich ermee identificeert, dient als katalysator voor het ervaren van de realiteit. Hier wordt ontegenzeglijk het ‘Esse est percipi’ van Berkeley aangehangen en geëerd. Waarneming en zijn horen in het werk van Duinker onlosmakelijk bij elkaar en om daarvan te getuigen heeft hij woorden nodig, liefst gevat in zinnen waar de levenslust en het taalplezier vanaf spatten.

Tot slot citeer ik vrij willekeurig een gedicht uit Een goudvis om aan te tonen hoe Duinker na Catalogus weer onverdroten zijn weg probeert voort te zetten om de realiteit in de ervaring op te roepen, in dit geval dus door het stellen van vragen.

5

Heeft Petra een goudvis?
Bewondert ze Simon Stevin?

Kan ik net zo goed gaan lopen?
Rookt kleine meneer Kees weer?
Pijp, net als vroeger? Sigaren?

Waarom zijn die bijeenkomsten zo uitbundig?
Wanneer laten we mensen struikelen
En geven we ze een reprimande?
Belemmeren ze het handelsverkeer,
Beschamen ze zichzelf?

Aan wie verkopen we onze postzegels?
Voor hoeveel? Zus of zo? Aan iemand
Die goed aanvoelt welk woord
Bij welke betekenis hoort?

Mag ik er even langs?
Zie ik je schaduw?
Voel je de getijden?

Dat in dit gedicht, en ook op enkele andere plaatsen in de bundel, Simon Stevin (1548 – 1620) wordt genoemd kan geen toeval zijn. Deze uitvinder van het decimale stelsel voor breuken gaf ook de vestingbouw een wiskundige grondslag, aldus Wikipedia, en leverde zijn bijdrage aan de landmeetkunde. Het oog voor detail en het streven naar precisie uit de wiskunde is ook in de poëzie van groot belang. In de poëzie van Duinker zijn landmeetkunde en vestingbouw niet eens zo moeilijk in verband te brengen met manieren om de werkelijkheid in het bewustzijn tot aanwezigheid te laten komen en te bestendigen. Zo bezien is Duinker dichter, filosoof en wetenschapper ineen. En dat is, gezien de alledaagse situaties die in zijn gedichten worden beschreven, een verrassende conclusie.

Douane, 2018
ISBN 9789082723182
100p.

Geplaatst op 08/02/2019

Tags: 2018, Arjen Duinker, Catalogus, Elma van Haren, Esse est percipi, George Berkeley, Goudvis, K. Michel, Peter van Lier, Rode oever, Samuel Beckett, Simon Stevin

Categorie: Poëzie, Recensies

Deel:

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan paar uren of dagen duren.