Waarheid met hoofdletter

Illusies voor gevorderden. Of waarom waarheid altijd beter is

Maarten Boudry

Wie Illusies voor gevorderden van Maarten Boudry (1984) leest als een aanklacht tegen religie, vindt in het boek voluit zijn gading. Niet dat religie het alleenrecht op illusies zou hebben, daarover is het boek zonder meer duidelijk. Maar het soort wijd verspreid, vaak megalomaan uitgewerkt en in alle variaties voorkomend waansysteem dat religie is, krijgt er een heel prominente plaats. De tweede helft van het boek is er helemaal aan gewijd. Niet toevallig overigens, want religieuze illusies zijn het gevaarlijkst – zo houdt Boudry niet op te benadrukken.

Waarom? Ook, maar niet alleen, omdat ze het ‘noodwendig verloop van de geschiedenis’ in hun illusie betrekken. Dat deden ‘aardse ideologieën’ zoals marxisme of fascisme evengoed. Ook die hielden ons voor dat de geschiedenis op een welbepaald doel afstevent, een doel dat niet minder dan de ‘hemel op aarde’ zal blijken te zijn en daarom de terreur rechtvaardigt waarmee ze onze recente geschiedenis hebben getekend. Die ersatzreligies hebben evenwel niet kunnen verhinderen dat hun illusie ten slotte door de ‘aardse’ feiten werd ingehaald. Gewone religies zijn daarentegen beter gewapend om aan dat laatste te ontsnappen. Die refereren aan echte, bovennatuurlijke hemelen en zijn daarom zo mogelijk nog gevaarlijker. De islamitische illusie, bijvoorbeeld, zoals die vandaag door de IS–staat in praktijk wordt gebracht, laat zich door de onmiskenbaar aperte feitelijkheid van de alledaagse realiteit simpelweg niet tegenspreken.

Waarheid met hoofdletter

Ons probleem met de IS-staat of andere religieuze of semireligieuze waan is niet zozeer dat ze kwaad doen, maar dat ze dat doen in de naam – en de waan – van een ideologie. Het is hun illusie die hen zo gevaarlijk maakt. Boudry verwijst naar Alexandr Solzjenitsyn wanneer hij zich ergens laat ontvallen:

Wat Macbeth van massamoord weerhield, en hem van de nazi’s, de inquisiteurs en de jakobijnen onderscheidt, is een gebrek aan ideologie: een geloof in het ongelofelijke. ‘Dat is wat het kwaad zijn langverwachte rechtvaardiging geeft en de kwaaddoener de noodzakelijke standvastigheid en beradenheid.’ De kwaaddoener moet eerst en vooral geloven dat hij het goede doet, zodat hij ‘geen verwijten en vervloekingen hoort, maar integendeel lof en eer ontvangt’.

Even verderop laat Boudry het nog raker formuleren, dit keer door de fysicus Steven Weinberg:

Met of zonder religie zou je goede mensen hebben die goede dingen doen, en slechte mensen die slechte dingen doen. Maar om goede mensen slechte dingen te laten doen, daar heb je religie voor nodig.

Boudry corrigeert onmiddellijk dat dit ook voor ideologieën en andere waansystemen opgaat:

De grootste gemene deler tussen seculiere ideologieën en religies als het christendom is het geloof tout court in een Waarheid met hoofdletter ‘w’ en een noodwendig verloop van de geschiedenis, met aan het einde een utopie of paradijs, zij het in deze wereld of in de volgende.

‘Het geloof […] in een Waarheid met hoofdletter ‘w”: ziehier de ultieme reden waarom we de strijd moeten aanbinden tegen illusies. Die ‘Waarheid’ ligt aan de basis van een massale hoeveelheid geweld dat de planeet al eeuwenlang teistert en ook vandaag nog onverminderd blijft teisteren. De auteur heeft gelijk als hij dit aankaart en de religies rechtstreeks aanspreekt om op die aantijging te antwoorden. Als die zichzelf nog in de ogen willen kijken, zullen ze over die ‘Waarheid’ in de naam waarvan ze zoveel geweld ontketenen hard moeten nadenken, en met een antwoord op de proppen moeten komen dat niet langer van terreur zwanger blijkt. De religies die vandaag op het geopolitieke toneel aan zet zijn, blijven die opdracht met duizend en een listen omzeilen, terwijl de feiten hen massaal toeschreeuwen om daar eindelijk eens mee op te houden.

De waarheid die beter is

Maar wat kunnen religies en andere ideologieën tegen die ‘Waarheid met hoofdletter’ inzetten? Pas met die vraag komen we bij het eigenlijke onderwerp van Boudry’s boek: ‘illusies voor gevorderden’, dit wil zeggen voor hen die beseffen dat de strijd ertegen niet zonder meer eenvoudig is. Dat mensen illusies koesteren en dromen voor werkelijkheid houden, dat ze waanbeelden fabriceren die niet door de natuurlijke feiten bevestigd kunnen worden: dat alles is nu ook weer niet zo geheel ‘onnatuurlijk’. Daar gaat het boek over. Maar, zo leren we alvast nog voor we het boek openslaan: de waarheid is toch beter. De ondertitel liegt er niet om.

Wat Boudry in stelling brengt tegen ‘de Waarheid met hoofdletter ‘w’’, is ‘de waarheid’, een waarheid die ‘beter is’, de waarheid zonder hoofdletter, die strookt met de observeerbare feiten. Een boom is een boom, en geen god: hoe lang je ook staart naar een boom, je zal geen godheid ontwaren, maar een boom, niets meer en niets minder – wat die oude religies verder ook allemaal hebben beweerd. Dat een boom een boom is, dat is waarheid, en die waarheid vraagt niet om geloof. Hier moet Thomas niet geloven, want hij ziet.

Maar waarom geloven mensen dan toch, en vaak, en veel, en graag? Waarom neigen ze er zo toe zich niet te houden aan wat ze zien? Het tweede deel van het boek, over religie, put zich uit in argumenten die aantonen hoe gevaarlijk dat wel is. Christenen lezen de Bijbel, lezen daar zwart op wit hoe bloeddorstig God tekeergaat en zelfs genocide niet schuwt, maar blijven over hun God spreken als was Hij de liefde zelf. Zogeheten gematigde moslims lezen in een overdonderend aantal verzen in de Koran dat het hun heilige plicht is om ongelovigen naar de verdoemenis te helpen, maar blijven beweren dat de islam een godsdienst van barmhartigheid en vrede is. Waarom lezen zij niet wat er staat? Waarom geloven zij? Waarom dulden zij dat tussen wat zij lezen en henzelf een labyrint van illusies komt te staan dat hen wegdrijft van de feiten en hen tot waanzinnig gevaarlijke daden dwingt? Waarom geloven zij in een Waarheid die niet strookt met wat ze lezen en die, als ze wel strookt met wat ze lezen, helemaal niet overeenkomt met de feiten? Tegen dit geloof zet Boudry ‘de waarheid die beter is’ in: de ‘waarheid’ als resultaat van empirische observatie en falsificatie.

Het eigenlijke onderwerp van zijn boek is een bevraging van die ‘waarheid’. Waarom kan ook die waarheid niet zonder illusies? Of, anders gesteld, waarom gaan die illusies in laatste instantie ook terug op die waarheid, op de waarheid met kleine letter, niet met hoofdletter?

Evolutie

Voor hij die vraag kan beantwoorden stelt Boudry – hij is tenslotte filosoof – nog een fundamentelere vraag. Waar komt de ware, klein-geletterde waarheid vandaan: de waarheid dat een boom een boom is en geen god, de waarheid die uit de empirische feiten spreekt? Waarom is die waar? Of, algemener: waarom zijn moderne wetenschappen en hun resultaten waar? Op die vraag, aldus Boudry, hebben we pas zeer recent een antwoord, en dat is ons verstrekt door de wetenschap zelf, meer bepaald door de evolutietheorie, die daarin wordt ondersteund door de neurologie, de brain studies. Evolutionair is ‘waarheid’ iets wat ‘loont’. De eerste hoofdstukken putten zich uit om dat duidelijk te maken. Om slechts een van de talrijke passages te citeren (waarin, ook hier al, ‘evolutie’ tegenover God gesteld wordt: nee, je hebt geen ‘hemelhaak’ nodig om natuurlijke fenomenen te verklaren, om tot ‘waarheid’ te komen, dat kan geheel vanuit ‘evolutie’):

Evolutie kan namelijk wel tot waarheid leiden, zeker bij de mens, maar ook bij andere diersoorten. De reden is eenvoudig: de waarheid loont in de strijd om het leven.

Een boom voor een boom houden, een tijger voor een tijger: in de fight of the fittest kom je daar het verst mee. Die ‘waarheid’ is duidelijk ‘beter’, en legt meteen ook de oorsprong van de waarheid als zodanig bloot. Daarom zijn we objectief wetenschappelijk tegen de dingen gaan aankijken en daarom hebben we ook onze ware oorsprong gevonden, en die is niet God, maar ‘evolutie’ (de auteur hecht er inderdaad aan het lidwoord weg te laten). Ik citeer de eerste regels van hoofdstuk 1:

Na veertien miljard jaar oponthoud bracht het universum een merkwaardig, rechtop lopende primaat voort die het vermogen had om de waarheid over zichzelf te leren kennen. Niet helemaal ineens natuurlijk, maar geleidelijk aan, met vallen en opstaan. […] Het enige dier dat zichzelf en zijn oorsprong wist te doorgronden, is de Homo sapiens. Als hoger ontwikkelde buitenaardse wezens onze aarde zouden bezoeken, zo verbeeldde de bioloog Richard Dawkins zich in The Selfish Gene, dan zouden ze het niveau van onze beschaving kunnen peilen met een enkele vraag: ‘Hebben ze evolutie al ontdekt?’ Alle andere opvattingen over het ontstaan van de mens en het leven behoren tot het rijk der illusies.

Eigenaardig dat de auteur de parallel met die andere, hoofletterlijke Waarheid onbesproken laat. Want ook achter de waarheid met kleine letter blijkt de geschiedenis aan het werk te zijn geweest, de geschiedenis waarvan de klein-geletterde waarheid het eindpunt is, zo weten we nu. Een waarheid die de naam ‘evolutie’ draagt, zo bevestigt de wetenschapper ons, geruggesteund naar hij zelf zegt door toekomstige ‘goden’ die ons ooit wel eens zullen komen bezoeken. De waarheid van de waarheid (met kleine letter) heet ‘evolutie’, alle andere opvattingen over onze oorsprong ‘behoren tot het rijk der illusies’. Die ‘evolutie’ is er geen van spirituele ‘geesten’, maar van biologische ‘breinen’, breinen die ‘gedachten afscheiden zoals de lever gal’ (citeert de auteur uit het werk van de laat achttiende-eeuwse fysioloog Pierre Cabanis).

Net als het brein, danken die gedachten hun bestaan aan ‘evolutie’ en aan de fight of the fittest die daar de wet uitmaakt. Vandaar dat die gedachten geneigd zijn zich aan de feiten te houden – reden waarom ze vandaag zijn wat ze zijn: rationele reflexen en inzichten die ons dicht bij de concrete realiteit houden. Die gedachten zijn evenwel nooit geheel zonder verbeelding, en ook die verbeelding luistert naar Vrouwe Evolutie en haar wet. Boudry weidt pagina’s lang uit over de ‘trukendoos van ons brein’, waarmee het de strikte waarneming te buiten gaat, met andere woorden illusies produceert, maar dan ‘adaptieve illusies’ die de fight of the fittest ten goede komen. Dat zijn de ‘illusies voor gevorderden’ van de titel. En zelfs ‘zelfbedrog en wensdenken’ zijn de evolutionaire trukendoos van het brein niet vreemd.

Maar is dan de trukendoos die ‘religie’ heet niet al te zeer overwoekerd door illusies, zelfbedrog en wensdenken om nog binnen het evolutionaire denkkader verklaarbaar te zijn? Boudry overloopt een hele reeks religietheorieën om die allemaal te verwerpen en inderdaad alleen ‘evolutie’ over te houden, ditmaal in de pas onlangs tot bloei gekomen gestalte van de ‘CSR – cognitive science of religion’. Over religie zegt die, aldus Boudry, het volgende:

Het is geen abnormaal of bijzonder verschijnsel dat een heel speciale verklaring verdient, maar een wijdverspreid en natuurlijk fenomeen. Een normale ‘secretie’ van het menselijke brein, zo zou Pierre Cabanis het uitdrukken. Onderzoekers […] hebben betoogd dat religie een bijproduct is van de verschillende cognitieve mechanismen en intuïties waarmee evolutie [sic] ons heeft uitgerust. Religie is zelf geen evolutionaire adaptatie […], maar eerder een uitgroeisel van de menselijke geest, een neveneffect, een culturele bovenbouw op biologische fundamenten.

Boudry slooft zich uit om dit idee te omhelzen: religie is een ‘normale “secretie” van het menselijke brein’; waar maken wij ons zorgen over, we kunnen dat verklaren. Maar hoe goed hij zijn best ook doet om de lezer te overtuigen, deze kan moeilijk niet voelen dat er toch ergens iets wringt. Want als religie inderdaad een ‘normale secretie’ is, als zij een natuurlijke illusie is die ‘gevorderden’ in deze materie moeiteloos kunnen verklaren, waarom is het hele boek dan een grote waarschuwing tegen religie, tegen die producent van uiterst gevaarlijke en uiterst besmettelijke waanbeelden? Als de religieuze waan er met zoveel reden is, als die evolutionair natuurlijk is, waarom dan een boek dat ervoor waarschuwt?

Het antwoord dat Vrouwe Evolutie onze auteur heeft ingefluisterd, luidt dat religieuze illusie een ‘uitgroei’ is, een ‘bijproduct’, een ‘neveneffect’, en dus ook weer niet zomaar honderd procent natuurlijk. Het is iets wat zich bovenop de natuur heeft genesteld, in die natuur aan het woekeren slaat, haar is gaan overgroeien en zodoende aantasten. Religie is, net als alle ‘geloof in geesten’

niet aangeboren, maar [ze] is zo onweerstaanbaar dat er altijd wel iemand is die ermee komt aanzetten en anderen aansteekt.

De normale hersensecretie die religie is, blijkt niet zonder meer normaal. Het is een uitwas, althans bij sommigen: een abnormaal surplus aan illusie dat bepaalde enkelingen treft. Alleen, en daar ligt de crux, die enkelingen gaan dit surplus bij anderen aansteken en hen ermee besmetten. En blijkbaar zijn mensen erg vatbaar voor die besmetting. Reden om ze tegen dit euvel te waarschuwen.

De waarheidsclaim van Vrouwe Evolutie heeft zich mooi ingedekt: wat niet past in haar theorie, degradeert ze tot ‘bijproduct’, ‘neveneffect’. De illusoire religie is haar product en dus heeft ze er volkomen vat op; maar is er bij de productie van dit product iets niet geheel correct verlopen en is er een ‘neveneffect’ geproduceerd dat bovendien erg besmettelijk blijkt, dan zal de mens Evolutie een handje moeten helpen. Gelukkig maar dat ‘gevorderden in illusies’ als onze auteur de grond van die besmettelijke illusie doorhebben, ons kunnen waarschuwen en terug op het pad helpen waarvan dit bijproduct god-zij-dank (of wie moeten we hiervoor danken? of vervloeken?) maar een bijproduct is.

En waarom zijn we nu ook weer zo vatbaar voor besmettelijke illusies als religie? Dat vergeet Evolutie uit te leggen, al begrijpt de lezer wel dat die besmetting niet geheel past in het pad dat die Dame der waarheid voor ons heeft uitgetekend, en aanvaardt hij graag de assistentie van haar profeet die ons aanmaant om haar te helpen het door haar zuiver gehouden natuurlijke pad ook zo te houden.

De hardnekkige hoofdletter van de waarheid

Het boek van Boudry is een gemiste kans. Met zijn analyse van de illusies die onze planeet teisteren wijst hij er terecht op dat juist het beroep op een ‘Waarheid met hoofdletter ‘w’’ hen zo gevaarlijk maakt. Hij voert zijn analyse vanuit een eigen, naar zijn overtuiging meer gefundeerde waarheid, een waarheid die het zonder hoofdletter kan stellen. Die waarheid houdt het bij de feiten. Een boom is een boom, geen god. Het interessante aan zijn boek – en het eigenlijke onderwerp – is dat hij toegeeft dat ‘illusie’ niet zonder meer het tegendeel van die waarheid is. Hij laat dus toe dat zijn op evolutietheorie gebaseerde waarheid ook fundamenteel wordt uitgedaagd door het alomtegenwoordige fenomeen van illusies en hun niet te overziene impact. Maar in plaats van, een filosoof waardig, zijn theorie aan een fundamentele bevraging te onderwerpen, neemt hij die uitdaging te baat om haar waarheid met des te meer klem te bevestigen. Hij ondervraagt met andere woorden zijn eigen waarheid niet, laat staan dat hij die in twijfel trekt. En dat was precies het potentieel – en zeer zeker het filosofische potentieel – dat in zijn project school.

Als waarheid een overtuiging is die zich door de empirische feiten, en niet door illusies laat gezeggen, waarom tieren illusies dan zo welig? Onze beeldcultuur en het feit dat we zo langzamerhand op ‘schermen’ zijn gaan leven, maakt die bekommernis nog urgenter. Begrijpelijk dus dat de auteur manieren zoekt om die persistentie van illusies te doorgronden en het op zich neemt een gids te schrijven voor ‘gevorderden in illusies’. Maar in plaats van de eigen waarheid – die met kleine letter – te bevragen en te zien of die niet stiekem toch iets te veel weg heeft van de ‘Waarheid met hoofdletter ‘w’’ waartegen zij zich afzet, nestelt hij zich vast in de ‘waarheid’ die ‘altijd beter is’ en laat hij de kleine letter ervan al snel aanzwellen tot een gigantisch kapitaal, een hoofletterlijke tirade tegen de gevaren van de illusies waarvan hij tegelijk blijft zeggen dat ze tot de normale ‘secreties’ van ons brein behoren.

Dat de evolutietheorie adequaat de ‘oorsprong van de soorten’ verklaart en zich bewijst als biologische theorie, wil nog niet meteen zeggen dat ze dat doet als culturele theorie en afdoende inzicht biedt in de manier waarop wij, modernen, ons gedrag zo sterk op verbeelding blijven afstellen, of we die nu uit Hollywood dan wel van bij de religieuze traditie vandaan plukken. Cultuur wordt geleefd door biologische wezens, zeer zeker, maar bieden biologische wetenschappen daarom een afdoende verklaring voor culturele fenomenen? Die vraag ‘ten gronde’ wordt door de filosofisch gevormde auteur simpelweg niet gesteld. En wanneer het biologische perspectief vandaag de dag zowel de menswetenschappen als de publieke opinie domineert, is dat niet ook en vooral omdat het wordt ingezet als ideologisch instrument? Ideologiekritische vragen als deze die peilen naar de politieke en culturele plaats van de wetenschappen, komen al helemaal niet aan bod in Boudry’s boek. Dat ‘waarheid’, zelfs als ze simpelweg waar is, toch ideologisch misbruikt en op nefaste wijze ‘illusoir’ ingezet kan worden, blijkt geheel aan de blik van de auteur te ontsnappen. Erg jammer voor een boek dat zijn lezer wil verheffen tot een ‘gevorderde’ in deze materie.

De auteur profileert zich als filosoof. Het komt me voor dat een filosoof die naam waardig toch een andere weg gaat. Hij of zij waagt zich aan een kritisch denken dat poogt niet uit te gaan van een waarheid (hoe onvermijdelijk – ik schreef haast ‘besmettelijk’ – dit uitgangspunt ook is), maar vanuit een vraagstelling met betrekking tot de waarheid, en er alles aan doet – denk aan Socrates – om in dit onhoudbaar ‘gevraag’ te blijven verwijlen.

Het verschijnen van een rechtop lopende Homo sapiens is een merkwaardig fenomeen in de evolutie, zo lazen we in het eerste hoofdstuk. Maar is hij dat omdat hij tot kennis in staat was, zoals Boudry schrijft, of omdat hij tot vragen in staat was, tot het bevragen van wat hem toen al als kennis voorkwam? In het citaat hierboven uit de openingspagina van het eerste hoofdstuk heb ik drie zinnen weggelaten. Ik geef nu het volledige citaat:

Na veertien miljard jaar oponthoud bracht het universum een merkwaardig, rechtop lopende primaat voort die het vermogen had om de waarheid over zichzelf te leren kennen. Niet helemaal ineens natuurlijk, maar geleidelijk aan, met vallen en opstaan. Levende wezens bestonden al veel langer, maar de overgrote meerderheid ervan leeft in volstrekte onwetendheid. Existentiële beslommeringen deren hen niet, waarheid noch illusie raken hen. Leven ademt, kruipt, vecht en vermenigvuldigt, maar stelt geen vragen. Het enige dier dat zichzelf en zijn oorsprong wist te doorgronden, is de Homo sapiens.

De Homo sapiens is sapiens, niet in de eerste plaats omdat hij ‘zijn oorsprong wist te doorgronden’, maar omdat hij vragen ging stellen. Niet de kennis, de doorgronde waarheid, is bron en horizon van het denken, maar het vragen naar wat zich als waarheid aandient. Er is een kritisch denken mogelijk dat zich in dit vragen ophoudt, en niet in het evangelie van een gepredikte waarheid: ziehier het eeuwig subversieve van het denken. Socrates zette dit soort kritisch denken op de agenda van Evolutie. Dit bijproduct van ’s mensen breinsecretie is al snel filosofie gaan heten. Die secretie heeft sindsdien zowat elke tafel waaraan de waarheid haar triomf celebreert, verstoord. Doet ze dat dan niet wanneer zij bij Vrouwe Evolutie aanschuift?

Uitgeverij Polis, Antwerpen, 2015
ISBN 9789463100069
368p.

Geplaatst op 30/12/2015

Deel:

Reacties

  1. Jan Verbeeren

    “En wanneer het biologische perspectief vandaag de dag zowel de menswetenschappen als de publieke opinie domineert, is dat niet ook en vooral omdat het wordt ingezet als ideologisch instrument?”
    Daar heb ik in mijn opleiding Sociologie aan de UGent toch niet veel van gemerkt, wel van het tegendeel!

    Beantwoorden

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan paar uren of dagen duren.