Poëzie, Recensies

Zwijgen is zilver

Habitus

Radna Fabias

Habitus is een prijsbeest van de buitencategorie. Het poëziedebuut van Radna Fabias, zo besluit het juryverslag van de C. Buddingh’-prijs die ze in 2018 won, ‘breekt de Hollandse dichtkunst weergaloos open, rekent af met het veilige vers.’ Ook De Grote Poëzieprijs 2019 sleepte Fabias in de wacht. Ze ‘vindt de poëzie opnieuw uit’, motiveren de juryleden hun keuze.

Habitus lezen in verhouding tot zwaarbeladen en tegelijk al te eenvoudige letterkundige categorieën als ‘de Hollandse dichtkunst’, ‘het veilige vers’ of ‘de poëzie’ dreigt de radicale reflectie te overschaduwen die het werk biedt op het categoriseren an sich. Waarom Habitus meten met eenheden die de bundel eigenhandig uitholt?

In haar hoofdletterloze debuut toont Fabias dat geen woord de volledige lading dekt. Om dat te illustreren doorgrondt ze zwarte gaten in ‘de zwartheid van het gat’ (53). Met talige middelen de kosmos inventariseren, lijkt een bij voorbaat verloren zaak: ‘het zwarte gat handelt naar de eigen aard’ (53). Ook in ‘aankleding’ (92-93) reflecteert Fabias, dit keer dichter bij huis, op het aanbrengen van orde:

[…]

verlammende nuance                                                                       ja   nee

pakken wat je pakken kan                                                               ja   nee

vernissages geloof in eigen potentie succes tentoonstellen kliekjesvorming omtrent

belangwekkende zaken zoals conceptuele kunst minimalistisch interieurontwerp indiepop

en de consumptie van biologische seizoensgroenten naar vegetarische recepten van hippe

koks ja ja ja                                                                                       ja   nee

[…]

‘Poëzie schrijven’, zegt Fabias in de Vlaamse krant De Morgen, ‘is mijn manier om mijn leven te begrijpen en te ordenen’. Twijfel, tegenstellingen en ambiguïteit staan in Habitus niet onder censuur. De jury van de Herman de Coninckprijs komt dan ook terecht tot de slotsom dat Fabias’ onverbloemde poëzie voorzien is van ‘borsten en ballen.’

 

De openbare orde

In het gedicht ‘openingsscène’ (17) zien we hoe het lyrische subject wordt onderworpen aan de eerste van drie luchthavencontroles. Tijdens die controles wordt het lyrische ik uitgekleed, besnuffeld, geröntgend. De smoking gun ligt onder de neus van de lezer, maar wordt niet gevonden:

op het vliegveld trek ik uit

mijn schoenen mijn riem en als

erom gevraagd wordt ook mijn broek

 

ik laat me door de honden besnuffelen de wapens

installeerde ik onder mijn vingertoppen ik heb daar

ook de versnelde hartslag opgeslagen

 

ik zie er keurig uit mijn haar zit goed

ik glimlach als een schaap ik kijk omlaag

het masker aan een elastiek

achter mijn oren gehaakt

 

Deze fouillering in ‘openingsscène’ leest als een subversieve poëtica die niet gestuurd is door blinde emotie, maar gegrond in berekende beelden. ‘In een zwijgcultuur je woorden gebruiken: dan staat er veel op het spel’, laat Fabias in De Volkskrant optekenen.

Tornen aan denkbeelden door herhaling en bezwering die zo verankerd zijn in de taal dat ze in niks meer lijken op hun reële gestalte, is iets wat Fabias in haar debuut veelvuldig doet. Tornen aan taal is een daad van verzet. Uit Habitus spreekt engagement, maar, vertelt Fabias aan NRC, ‘ik ben ongeschikt als rolmodel’.

In ‘rib’, het tweede deel van de bundel, bestrijdt ze bijvoorbeeld genderclichés met hun eigen wapens: herhaling en humor. In haar poëzie maakt Fabias van sterktes zwaktes en vice versa. Zo lezen we in het bekroonde ‘Gieser Wildeman’ (76-77):

[…]

een man is geen hobby

een man is geen hobby

een man is geen hobby

 

een man is geen strafregel

een man is geen troon om met gekruiste benen op te zitten

als een dame

ik ben geen dame

ik ben een vrouw

 

Niet alleen genderclichés, maar ook genreclichés en het cliché zonder meer stelt Habitus in vraag. Bij aanvang van ‘actie’ (65-66) smokkelt Fabias via de verwachtingshorizon van een filmkijkende spreekinstantie conventies eigen aan bioscoopbezoeken en filmmaken de pagina binnen. Daarnaast is er, net als aan het begin van de bundel, een openingsscène:

de lichten gaan uit dus dit is vast een film

van de openingsscène zal later blijken dat een deel gelogen is, maar

dat is dramatische ironie de hoofdpersoon weet dat nog niet

 

Er is ‘de voice-over’ en ‘audiocommentaar van de regisseur’. Of horen we de dichter spreken? Fabias onderschrijft het haperende beeld door de laatste strofe te eindigen met ‘te blijven hangen’:

de voice-over vertelt ons dat verslaafden de neiging hebben om uiterlijke kenmerken te

blijven vertonen van het tijdperk waarin ze verslaafd raakten het beeld is troebel en

ondersteunt die bewering door ook te blijven hangen

 

In ‘actie’ verliest ‘dit’ deiktische waarde en verwijst naar het hier en nu van het gedicht. Dat de scherven en de knal zwart op wit staan, is voldoende. De regisseur wordt niet alleen dichter, ook de filmkijkende spreekinstantie wordt poëzielezer. Fabias maakt in ‘actie’ van documentaire poëzie en doorbreekt daarbij mediumconventies:

dit is zeker een film want er zijn scherven en er is een knal

[…]

de regisseur zegt nu dat clichés niet bestaan dus het zal wel een documentaire zijn hij zegt

de scherven zijn echt en de verkleurde aluminiumfolie ook

het rijmt niet dus het moet wel echt zijn

 

Het Koelesjov-effect

Dat film niet moet rijmen om niet echt te zijn, illustreert filmmaker Lev Koelesjov aan het begin van de twintigste eeuw met een experiment. Koelesjov wisselt eenzelfde close-up van het gezicht van een acteur af met of een bord soep, een meisje in doodskist of een femme fatale. Afhankelijk van Koelesjovs montage lezen kijkers honger, verdriet of lust af op het identieke gezicht van de man. De regisseur legt de mate waarin een ordening van beelden berekend en manipulatief kan zijn bloot. Net als in ‘openingsscène’ is de montage het masker.

Aan de hand van montagetechnieken stuurt ook Fabias, afgestudeerd als toneelschrijver, de beeldvorming bij lezers. De afbeelding van een gedwee lyrisch ik, neergezet in de eerste strofe van ‘openingsscène’, wordt door de beelden die volgen een maskering van weerstand. De triniteit taal-montage- subversie is een ordenend principe in Habitus.

Deze triniteit is geen onomstootbaar principe weliswaar, maar een evenwichtsoefening. Het lyrische ik in ‘tuig’ (84-85) is vastberaden de meest uiteenlopende stereotypes, bestempeld als ‘tuig’, uit het straatbeeld te plukken en te verenigen, maar heeft tegelijk ook geleerd een ogenschijnlijke status quo te handhaven:

eerst tilde ik een flatgebouw op

er woonden 436 turken in

hun schoenen stonden bij de voordeur

ik probeerde het gebouw rechtop te houden zodat de inwonenden geen last zouden

hebben van de verschoven zwaartekracht

zo ben ik opgevoed

 

toen tilde ik de tippelstraat op ik rolde het om de turkenflat heen helaas

gleden er een paar transseksuele dames langs de ramen naar beneden

ze riepen iets tegen me

in het spaans

hartverscheurend

[…]

 

Slaan en zalven

Fabias brengt in haar 120 pagina’s tellende debuut ook andere categorieën aan het wankelen. ‘Ik maakte een lijst van onderwerpen waarover ik wilde schrijven en het voelde als exorcisme’, zegt ze in De Volkskrant. In ‘uitzicht met kokosnoot’, het eerste deel van de bundel dat zich afspeelt in de Caraïben, doorprikt Fabias bijvoorbeeld het exportproduct ‘de caribische zorgeloosheid’.

In het titelgedicht ‘uitzicht met kokosnoot (in soviet-montage)’ (29-31), zien we hoe Fabias door nevenstelling het westerse eldorado-narratief onderuithaalt. De exotische idylle blijkt, net als de grijsgedraaide lyrische heroïek, wanneer je alles op een rijtje zet, inzoomt en ten slotte met je neus op de feiten wordt gedrukt, een fata morgana:

[…]

in het gouden landschap bloeit het tropisch

maar we zien een close-up van opengescheurde littekens

de beelden zijn ondertiteld:

‘bloed’

‘oude schaafwonden’

‘zwelling’

‘blauwe plekken’

 

de zon verlicht de held

de held is opengebarsten

er kruipt iets uit hem

we kunnen niet zien wat

[…]

 

In geuren en kleuren, tegen het decor van een droombestemming in beschrijft Fabias in ‘in het voorbijgaan’ (35) de ontbinding van, dit keer niet de gevallen held, maar een overreden hond. Daarbij monteert ze opnieuw beelden met een tegengestelde gevoelswaarde naast elkaar:

het geluid van brekende botten stijgt op naar de zuiver blauwe hemel boven het asfalt

waar de stervende hond blijft liggen

[…]

de stank stijgt op naar de zuiver blauwe hemel boven het asfalt waar de gestorven hond

blijft liggen

[…]

 

Met montagetechnieken ontbindt Fabias niet alleen categorieën als de exotische idylle, maar legt ze ook de kwetsbaarheid van ‘het eiland’ bloot. In ‘wat ik verstopte’ (11-16) laat het lyrische ik alle schijn varen en overstelpt de lezer met een adembenemend panorama van dat eiland.

De zondvloed aan lang opgespaarde beelden, gerijpt in de zwijgcultuur die er heerst, is tegelijk associatief en compleet. Mannen, vrouwen en kinderen worden niet gespaard, noch ‘de onberispelijk opgepoetste in de zon glimmende velgen’ (11), ‘de hagedissen met de half geamputeerde staarten’ (13) of ‘de siliconen borsten van miss venezuela’ (15). Deze panoramische opsomming is ontdaan van grammaticale samenhang, maar er is geen speld tussen te krijgen:

[…]

dat heet

rouwen

de begraafplaatsen waar mensenresten op elkaar gestapeld liggen

de vrouwenstemmen die de rozenkrans bidden

de transistorradio

de vrouwenstemmen uit de transistorradio die de rozenkrans bidden

de weesgegroetjes

de onzevaders, de verheven stemmen van het volk uit de transistorradio

de dj die over de liedjes uit de transistorradio praat

de verzoeknummers uit de transistorradio waar de dj overheen praat

de abrupt vallende nacht

[…]

 

De onuitputtelijke nevenstelling van Fabias’ herhaling vervangt grammaticale samenhang. Ze vertelt een en-en-en-verhaal. Leidt dat tot verlammende nuance? □ ja   ■ nee.

De dissectie van het eiland in het openingsgedicht ‘wat ik verstopte’ vindt zijn tegenhanger in ‘aantoonbaar geleverde inspanning’ (103-107), het voorlaatste gedicht van de bundel. De doorleefde, breedvoerige opsommingen die de bladspiegel van ‘wat ik verstopte’ inpalmen, ruimen in ‘aantoonbaar geleverde inspanning’ plaats voor een eerder steriele enumeratie van -ismen:

[…]

we heten de ballotant welkom

[…]

het postmodernisme

het ietsiesme

het populisme

het calvinisme

het kapitalisme

[…]

 

In ‘aantoonbaar geleverde inspanning’ spuit het lyrische ik niet langer – of nog niet – een vloed aan opgekropte beelden, maar beschrijft het, als aspirant-lid van de Nederlandse samenleving, de geleverde inspanning. Uit deze inspanning spreekt beheersing en synthese, zo krijgt ook de rozenkrans uit ‘wat ik verstopte’ een plaats toegekend:

[…]

uit de eclectische doch coherente inrichting van het eigen huis spreekt beheersing,

wellicht zelfs synthese:

[…]

de eerder bedwongen kleuren zijn nu accenten in de vorm van sierkussens, dekens en

achteloos over meubelstukken gedrapeerde houten rozenkransen

hier en daar verrast een in china vervaardigd mariabeeld

[…]

 

Of die synthese het laatste woord krijgt of een opstapje is naar het compromisloze ‘wat ik verstopte’ laat Fabias in het midden. Ook dat is montage. In elk geval is ‘aantoonbaar geleverde inspanning’ het sluitstuk van een spreidstand tussen adapteren en verloochenen.

 

Zijn in vergelijking

In ‘uitzicht met kokosnoot’ wordt de toerist-lezer, toegesproken met ‘u’, in de reeks ‘reisgids’ (18, 20, 23, 26, 28) meegevoerd door Fabias op een tour langs de Caraïben. Van eco- en cultuurtoerisme tot luxeresorts, de gidsende spreekinstantie kent de productieketen van de Caribische fictie door en door en keert die leugen opnieuw binnenstebuiten. Een goede gids spreekt tenslotte de taal van bezoeker én bewoner. Af en toe wringt die spreidstand, in het woord ‘negers’ bijvoorbeeld:

 

[…]

rode mensen en zij die daarbij horen willen

worden in golfkarren rondgereden door volgens hun functie-eisen breed glimlachende

negers

[…]

 

Voor reflectie op gesettelde categorieën is een zee van afstand nodig. De omgeving waar je opgroeit, kneedt je. In het gedicht van Bert Schierbeek dat ‘uitzicht met kokosnoot’ inleidt, lezen we dat ontheemding (zelf)reflectie in de hand werkt:

[…]

een bal was mijn huis en zij omgaf mij

maakte mij vorm, maar dat wist ik niet

want ik zag mijn vorm niet

blind ben je bij je moeder, zegt de politieman

In ‘is, is als’ (21-22) past Fabias deze observatie van Schierbeek in omgekeerde richting toe op ‘de teruggekeerde migrant’:

[…]

de teruggekeerde migrant is de volwassene is

het moederland dat de moeder is waar hij in

probeert te kruipen is het kruipen is heet is overal

bloed is de vroedvrouw de zucht

‘het is voor iedereen pijnlijk’

 

‘Om materiaal te verzamelen keerde ik meermaals terug naar mijn geboortegrond, Curaçao’, duidt Fabias het schrijfproces van Habitus in de Volkskrant. Ontheemding is een belangrijke drijfveer voor reflectie in de bundel. De titel ‘is, is als’ verwijst naar die afstand. ‘de teruggekeerde migrant’ is niet zonder meer, maar in vergelijking, of beter, in het mank lopen van de vergelijking. Het gedicht gaat verder:

 

de teruggekeerde migrant is de bar annex toko is

de drank in de hand van de dronkaard is

de dronkaard die in dezelfde hoek op dezelfde stoel is dezelfde

diabetische dronkaard die daar jaren geleden ook

zat de teruggekeerde migrant is verlamd op diezelfde stoel is die stoel

is fantoompijn

beschouwt de amputatie

[…]

Hoe beschouw je amputatie anders dan door geamputeerde taal? Fabias laat de knellende prothese die ‘de categorie’ is achterwege. Habitus handelt naar eigen aard, Habitus is van de buitencategorie.

De Arbeiderspers, Amsterdam, 2019

Geplaatst op 26/06/2019

Tags: 2018, 2019, Astrid Dewaele, De Grote Poëzieprijs, Habitus, Radna Fabias

Categorie: Poëzie, Recensies

Deel:

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.