cover big

Letterlijk en figuurlijk

Joost Pollmann

(10) reactie(s) - geplaatst op 25-11-2009

Bookmark and Share

Tecumseh Sparrow Spivet is een twaalfjarige cartograaf die per vrachttrein stiekem vanuit Montana naar Washington reist om een prestigieuze prijs uitgereikt te krijgen in het Smithsonian Institute. Dat is, heel kort gezegd, de inhoud van Reif Larsens roman The Selected Works of T.S. Spivet, een zelfgenoegzaam boek dat uiteindelijk nergens over blijkt te gaan.

Op het eerste gezicht, zo op het óóg, lijkt het een uitermate prikkelend werk omdat de tekst is doorspekt met kaartjes, diagrammetjes en dwarsdoorsneetjes. Onze jonge cartograaf maakt te pas en te onpas tekeningen die een samenvattende en verhelderende doelstelling hebben: ‘complexity reduced!’, zoals zijn mentor in het Smithsonian zegt. Wanneer Spivet een briefopener cadeau krijgt, tekent hij een infographic die de lezer in vier stappen laat zien hoe je dat doet, een brief opensnijden.

Dat mag je dwangmatig noemen, of grappig, maar verhelderend is het niet. T.S. beweert zelf dat hij van alles en nog wat in kaart brengt om angsten te bezweren: ‘Ik was ervan overtuigd dat het tekenen van kaarten veel kinderangsten kon bezweren. Het meten van de afstand tussen hier en daar verkleinde het mysterie over wat daartussen in lag.’ Die gewoonte heeft in elk geval een roman opgeleverd die een originele aanblik biedt, en een roman met een aanblik – uiterlijkheden als cover-ontwerp, typografie en bladspiegel niet meegerekend – is al wonderlijk genoeg.

Constateren dat de beeldcultuur oprukt is een gemeenplaats van jewelste, al valt er evenzogoed niks op af te dingen. The Selected Works of T.S. Spivet past naadloos in die beeldcultuur en zegt ook iets over de (teruggekeerde) toelaatbaarheid van plaatjes bij literaire praatjes. In de Middeleeuwen werden religieuze teksten door miniaturisten verluchtigd en tijdens de Verlichting fladderden duizenden gravures naar leeslustigen, maar na Doré achtte men het niet langer wenselijk om letterkundige teksten te illumineren: het woord moest zelfstandig beelden oproepen, in het hoofd van de lezer. In een brief aan Ernest Duplan schreef Flaubert: ‘Zolang ik leef zal niemand mij illustreren, want: de mooiste beschrijving wordt verpest door het kleinste tekeningetje. Op het moment dat een persoon met potlood is vastgelegd, verliest hij z’n algemene karakter.’

Toch lapte Umberto Eco het taboe van de ‘uitleggerige’ illustraties in 2004 aan zijn laars met de publicatie van De mysterieuze vlam van koningin Loana, waarin hij beschrijft en vooral laat zien hoe hij in zijn jeugd is beïnvloed door strips, prenten, posters, boekomslagen, foto’s en versjes. Het boek is sentimenteel, langdradig èn interessant vanwege die overdaad aan beeldmateriaal, die een einde maakt aan de notie dat een schrijver pas een schrijver is als hij een complete werkelijkheid in louter geschreven taal weet te vangen.

Wat Eco doet is niet zozeer zijn autobiografie illustreren, maar bewijsstukken opvoeren die samen verklaarbaar maken waarom hij als serieus geleerde essays zou gaan schrijven over Superman. De voorbeelden die hij aandraagt zijn concrete dingen en geen abstracte ideeën, wat doet denken aan Jonathan Swift, die in het Laputa-hoofdstuk van Gulliver’s Reizen schrijft: ‘Aangezien woorden slechts namen zijn voor dingen, zou het voor alle mensen handiger zijn om die dingen met zich mee te dragen die te maken hebben met het onderwerp dat ze gaan bespreken.’

Zo’n verregaande concreetheid zou de dood van de retorica betekenen, het einde van de verbale omweg die wij literatuur noemen, ware het niet dat beelden veel minder eendimensionaal zijn dan tekstfanaten gevoeglijk aannemen. Kijk naar de hoge kwaliteit van een literair genre dat sinds de jaren negentig wereldwijd furore maakt: de grafische roman, het getekende boek. Hierin is het picturale niet ondersteunend maar overheersend, waar het narratieve raffinement beslist niet onder te lijden heeft. Er gelden natuurlijk wel andere wetten, en de lezer neemt de werken op een nieuwe manier tot zich. Met meer inzet van de rechterhersenhelft, die beeldspraak (figuurlijk) boven grammatica (letterlijk) stelt. Literatuurliefhebbers worden op die ontwikkeling al jaren voorbereid.

Beeldlezen moet je leren

‘Je plakt – als je denkt dat ze je niet begrijpen zullen – er nog ’s een fotootje bij, dat zou je vroeger nooit gedaan hebben.’ Geen citaat van Eco, maar van Gerrit Krol, opgetekend uit De ziekte van Middleton dat in 1969 verscheen. In dit boek voegt hij de daad bij het woord en strooit hij pin-ups en cartoons door zijn boek dat ‘gaat’ over - pars pro toto – vrouwenborsten. Er zitten zelfs Spivet-achtige tekeningetjes in die bijvoorbeeld laten zien wat de opwaartse en neerwaartse krachten zijn in een strapless bra.

Je kunt dat popart noemen, een typisch tijdverschijnsel, maar Krol publiceerde twee jaar eerder al Het gemillimeterde hoofd dat één centraal thema heeft: dat van de afbeelding. Hij schreef: ‘Het belangrijkste middel in de wiskunde en ook in de wijze waarop wij elkaar verstaan, is de afbeelding. De betekenis van het woord ‘aap’ is de afbeelding van aap op ‘aap ‘.’ En: ‘’t Voorwerp vindt zijn afbeelding in onze geest. De verzameling van deze afbeeldingen is het woord dat dit voorwerp beschrijft.’ Waar eindigt verbaal en waar begint visueel? Ook Het gemillimeterde hoofd zit vol plaatjes, maar niet van het lollige soort; het zijn wiskundige figuren waarmee Krol bijvoorbeeld de werking van humor schematiseert of aantoont dat een zintuig altijd op de dunste plek van de huid zit. Interessant is vooral dat hij de afstand tussen woord en afbeelding verkleint en zijn arsenaal aan expressiemogelijkheden uitbreidt door taal met beelden te combineren. En hij is de enige niet.

Op bladzijde 287 van Orhan Pamuks roman Sneeuw is een sneeuwkristal afgebeeld waarvan de symmetrische vertakkingen corresponderen met alle thema’s uit de roman. Rede, Verbeelding en Geheugen vormen de hoofdtakken, subthema’s als ‘Doodgeschoten worden’ en ‘Het chocoladeblikje’ vormen de zijtakken. Pamuk kristalliseert zijn boek tot één enkel beeld, zijn hele winterpanorama is vervat in een flinter van een sneeuwvlokje.

Nog niet zo lang geleden was het de taak en het privilege van letterkundigen om de structuur van een roman uit de doeken te doen, nu is het de schrijver zelf die schaamteloos met formules komt. Uit de barst in het zuiver-tekstuele sijpelen beelden met een inhoud die niet strookt met wat wij onder fictie verstaan: ze bevatten feiten (verifieerbaarheden), zodat literatuur een informatieverschaffer wordt en in het vaarwater komt van de non-fictie. Lyriek werd epiek wordt informatiek, een uitwas of onvermijdelijkheid van de kennismaatschappij. Zie de boeken van Alain de Botton: niet alleen zijn populistische filosofieën wemelen van de plaatjes, zelfs in zijn roman De Romantische School wordt een betoogje over imitatief gedrag ondersteund met schematische tekeningetjes van een vrouw die zalmcarpaccio eet omdat de recensie in een trendy tijdschrift zo goed was.

De infographic (geïllustreerde legenda, diagram, schema, grafiek) maakt een snelle ontwikkeling door, die loopt van een droge verbeelding van gegevens naar een functionalistische kunstvorm met een eigen esthetica, door Edward Tufte omschreven in zijn boek Envisioning information. Verboden is klontering van data (clutter), geboden zijn transparantie en een logisch verband tussen symbolen van tijd en ruimte. Het oog moet snel begrijpen wat er verteld wordt, maar dat oog wil ook gestreeld worden: we kijken aandachtiger naar wat er plezierig uitziet.

‘Visuele ondersteuning’ is de vertaling van wat in het Engels, en in de wereld van de informatieverschaffing, steeds vaker graphic facilitation wordt genoemd. De vraag is: waarom faciliteert beeld? Uit een onderzoek van Teleac/NOT bleek: ‘Merendeel Nederlanders tussen 18 en 56 jaar heeft een voorkeur voor visueel (belevend) leren.’ De crux van dit onderzoeksresultaat zit ‘m in dat woord tussen haakjes: belevend. Wanneer mensen iets moeten leren dat hun in visuele vorm wordt aangereikt, hebben ze een beleving. Waarom?

Misschien omdat een plaatje altijd een sfeer heeft, die zich openbaart met een onmiddellijkheid die een tekst niet kan bieden. En sfeer is: emotie. Faciliteren kan hier worden opgevat als het tegenovergestelde van compliceren, dus emotie vergemakkelijkt de opname van data. Victor Lamme, hoogleraar cognitieve neurowetenschap, doet onderzoek naar hoe ons bewustzijn visuele prikkels verwerkt. In Trouw zei hij daarover: ‘Mensen zijn kijkdieren, het grootste deel van ons brein is bezig met beelden registreren en verwerken. Ons visueel systeem is er ook op gericht om een beeld in één klap te interpreteren. Als je iemand een tiende van een seconde een plaatje laat zien, weet die persoon direct wat het is en geeft hij er meteen ook een betekenis aan. Beelden registreren doe je al vanaf je geboorte, voordat je woorden ter beschikking had.’

Bij die laatste opmerking kun je een vraagteken zetten, want wat betekent ‘registreren’ als je nog niet kunt formuleren wat je ziet? Beeld moet vertaald worden om begrepen te kunnen worden, zoals taal verbeeld moet worden om begrepen te kunnen worden. En beeldlezen moet je leren, al bestaat het nog niet als schoolvak. Jammer genoeg, want hoe gaan we om met dat oprukkende, literaire beeld? Met de illustraties van Klaas Verplancke bij de Confidenties aan een ezelsoor van Frank Adam? Met de drie Nescio’s van stripmaker Joost Swarte? Met de beelden van Marc Mulders bij de essays van Willem-Jan Otten in Waarom komt u ons hinderen?

Als we willen dat deze beeldtoevoegingen méér zijn dan ornament, zullen we ze heel precies moeten duiden. Laten we met z’n allen op cursus gaan bij de Hans Aarsman van Ik zie ik zie om close-reading toe te leren passen op schijnbaar terloopse plaatjes, en de inhoud eruit te peuteren als het vruchtvlees uit een walnoot. In april 2007 schreef ik voor het tijdschrift Items een artikel over de terugkeer van het geïllustreerde boek en ik ergerde mij daarin aan belegen uitspraken van Hella Haasse, die alom de leesvaardigheid ziet afnemen doordat strip en televisie ons zouden overspoelen met ‘kant-en-klare’ beelden. Daarover zei ik: ‘Haasses kritiek getuigt van naïveteit met betrekking tot de complexiteit van het visuele. Dat wil zeggen: kant-en-klare beelden bestaan niet, het oog moet altijd aftasten, het brein moet altijd interpreteren. Beelden léés je!’ Waar nog bij komt, zoals iedereen weet die wel eens iets van Roland Barthes heeft meegekregen, dat zelfs het meest banale beeld vol verborgen boodschappen zit.

‘T.S. Spivet’, je kon erop wachten. Reif Larsen heeft, indachtig de plaatjesboeken-trend, een onvermijdelijk werk geschapen, ook al bestaat het beeld in zijn roman vooral als gimmick in de kantlijn en wordt het volstrekt niet serieus genomen. Als het zo slecht gedaan wordt is beeld bij tekst redundant, maar er zijn boeken genoeg waarin letterlijk en figuurlijk, visueel en verbaal wel op een zinvolle manier zijn geïntegreerd. In de graphic novel namelijk, die bewezen heeft dat ‘literair’ en ‘poëtisch’ geen kwalificaties zijn die je alleen kunt toepassen op het puur tekstuele. Maar om dat te zien, moet je wel kunnen beeldlezen. De postmoderne roman, mevrouw Haasse, is een bééldroman.

10 reacties

‘Nog niet zo lang geleden was het de taak en het privilege van letterkundigen om de structuur van een roman uit de doeken te doen, nu is het de schrijver zelf die schaamteloos met formules komt.’

Dat klinkt natuurlijk mooi en het voorbeeld van Pamuk is verleidelijk, maar het argument dat hier wordt gebruikt is toch een beetje naar de wens van de auteur gebogen. De tendens in de richting van het beeld is immers een aangename gedachte als je de ‘graphic novel’ als nieuw genre enig belang wil geven. Maar Pamuks diagram is bepaald geen unicum, laat staan iets ‘nieuws’. In Louis Paul Boons ‘De Kapellekensbaan’ (1953) wordt deze roman in wording ergens aan het begin van het boek ook schematisch weergegeven. Daar is het een soort grafiekje met pijlen en al dat de illustratie moet zijn van wat de verteller precies van plan is. Het voordeel van dat boek is bovendien dat dit schema met de nodige ironie wordt bejegend. Bij Pamuk wordt het toch al snel een soort mystieke waarheid die het boek eerder met zeer oude dan met zeer nieuwe literatuur in verband brengt.

Omdat de boodschap eigenlijk heel vaak: ‘leest meer Boon’ zou moeten zijn, nog een voorbeeldje dat te maken heeft met de oude meester. Het is namelijk ook niet ‘nieuw’ dat schrijvers de tekst als benauwend ervaren. Boon begon ooit als schilder - als romantische wanabe Van Gogh dan nog wel - en maakte de overstap naar de literatuur met een beeldroman als tussenstap. ‘3 mensen tussen muren’ (1942) is een zeer primitieve ‘graphic novel’, maar het is er wel een. Bovendien zijn er bij Boon talloze passages aan te wijzen waarin er wordt gesproken over de mogelijkheden van de schilderkunst, de fotografie en de film voor de literatuur. En wat te denken van de beeldromans van Frans Masereel uit de jaren twintig en dertig?

Het beeld als verhaal is niet nieuw en toch deel ik de mening (die hier niet expliciet wordt verwoord, maar beeldend lezen is iets wat je moet kunnen) op zich wel dat de ‘graphic novel’ op dit moment misschien wel meer potentie heeft dan de strikt talige literatuur. Maar waar ligt dat aan? Aan de (her)ontdekking van het beeld? Daar geloof ik niets van. Ik denk dat die ‘graphic novel’ literair zo interessant is omdat hij niet literair is. Of eigenlijk: omdat de makers ervan zich niet geroepen voelen om literair te ‘doen’. Dat levert spannender verhalen op en minder clichématige constructies. Maar ook voor de beeldroman geldt natuurlijk dat je wel ‘verbeelding’ moet hebben. Anders wordt het alsnog niets.

  • Door Matthijs de Ridder
  • gepost op
    25-11-2009, om 10:48:48

Ik geef nog een verleidelijk voorbeeld van oprukkend beeld in literatuur: “Op bladzijde 88 van ‘De angst van de doelman voor de strafschop (editie A.W. Bruna & zoon, 1975) laat Peter Handke zien wat er gebeurt als zijn hoofdpersoon Josef Bloch het vertrouwen in taal is kwijtgeraakt. Zijn waarneming van kast, stoel, tafel, papiermand, raam, hek, fiets is zo gereduceerd dat de woorden dingen zijn geworden: pictogramachtige afbeeldingen. In eerst instantie denk je: zijn waarneming is volkomen abstract geworden, maar het is precies omgekeerd. De voorwerpen in zijn blikveld zijn juist volkomen concreet geworden, want de symbolen die hij in gedachten noteert vallen geheel samen met het waargenomene. Bloch kan niet meer abstraheren, het figuurlijke (woord) is letterlijk (beeld) geworden.” Dit schreef ik in 2004 onder de letter H van mijn ‘Abecedarium van de grafische roman’.

Emmanuel Poiré alias Caran D’Ache (Moskou 1858 - Parijs 1909) tekende in 1894 de woordloze roman ‘Maestro’ en geldt daardoor als ontdekker van de graphic novel, enkele decennia voordat Masereel zijn hout sneed. In een brief aan de Figaro schreef Caran D ‘Ache: “Eh bien, moi, j’ai l’idée d’y apporter une innovation que je crois de nature à intéresser vivement le public ! Et c’est ? Mais tout simplement de créer un genre nouveau : le roman dessiné. (...) Tout sera exprimé par les dessins en 360 pages environ. »

Matthijs de Ridder zegt op enigszins neerbuigende toon : “Bij Pamuk wordt het toch al snel een soort mystieke waarheid die het boek eerder met zeer oude dan met zeer nieuwe literatuur in verband brengt.” Volgens mij poneert Pamuk geen waarheid, en wat is er tegen mystiek? Dat zijn zeer elegante vondst (een variant op de aleph van Borges) behalve naar voren ook naar achteren wijst, lijkt mij evident: kijk naar de beeldschriften van de Maya’s en de Egyptenaren, volmaakte integraties van letterlijk & figuurlijk.

  • Door poll
  • gepost op
    26-11-2009, om 10:49:59

Ik probeer ook alleen het argument maar een beetje vooruit te helpen. Natuurlijk zijn er nog andere, nog verleidelijker voorbeelden te geven. En natuurlijk verwijst Pamuk vooruit en achteruit. Het punt is - lijkt me - dat Pamuk niet zozeer naar de graphic novel wijst en dat het voorkomen van zinnige tekeningetjes in romans op zich niet noodzakelijkerwijs in beeldromans hoeft te resulteren. En toch denk ik dat Joost gelijk heeft (voor het geval het bovenstaande als kritiek werd opgevat) als hij zegt dat het beeldlezen iets voor de literaire toekomst is. Maar ligt dat aan het beeld op zich? Er werd immers al opgemerkt dat lezen en beeldlezen niet zo zeer van elkaar verschillen. Mijn simpele suggestie is dan ook of we de reden hierachter niet ook of misschien vooral ergens anders moeten zoeken. Oftewel: wat doet de graphic novel wat de ‘gewone’ roman niet (meer) doet? Een aanvullende vraag derhalve die ons misschien in staat stelt om het fenomeen van de graphic novel nog beter te kunnen vatten.

En die mystiek, daar hebben we het later dan nog wel eens over.

  • Door Matthijs de Ridder
  • gepost op
    26-11-2009, om 11:07:01

‘Natuurlijk zijn er nog verleidelijker voorbeelden te geven,’ schrijft Matthijs de Ridder. Ik hou mij zeer aanbevolen. Ook schrijft hij dat ‘Pamuk niet zozeer naar de graphic novel wijst.’ Ik suggereer helemaal niet dat Pamuk naar de grafische roman wijst, maar noem hem als voorbeeld van een schrijver die aan tekst alleen niet meer genoeg heeft; hij wil er beeld bij omdat hij meer zeggingskracht zoekt. In ‘Mijn naam is rood’ wijst hijzelf trouwens naar de School van Tabriz, nog steeds een onovertroffen voorbeeld voor elke (strip)tekenaar. Chris Ware komt soms in de buurt.

Ligt het aan ‘het beeld op zich’ dat het beeldlezen iets voor de literaire toekomst is? In zoverre dat onze communicatiemiddelen meer en meer op de overdracht van beelden zijn gaan berusten. Men communiceert vandaag de dag pictogrammatisch.

Wat de ‘gewone’ roman niet meer doet, is verbazen. De ‘gewone’ roman lijdt aan verzadiging: er worden domweg te veel romans geschreven en gedrukt. De romaneske zeggingskracht is inflatoir, de bodem is uitgeput. Misschien fungeert beeld als kunstmest.

En wat de mystiek betreft: zonder mystiek bestaat er geen literatuur. Elke metafoor slaat bruggen tussen geassocieerde beelden en schept zo een ‘tertium corporationis’, een derde belichaming.  Dat is behoorlijk mystiek.

  • Door poll
  • gepost op
    27-11-2009, om 12:05:59

Ik gun iedereen zijn Blij Geloof, maar dat de beeldcultuur het gaat winnen van de schriftcultuur – ik ben er niet van overtuigd. Al was het alleen maar omdat de schriftcultuur de afgelopen decennia bepaald niet aan belang heeft ingeboet. Op internet circuleren veel plaatjes, jazeker, maar toch vooral ook veel woorden. Daartoe behoren scheldpartijen en verwensingen die vroeger binnen de muren van de huiskamer en het stamcafé zouden zijn gebleven naast complexe beschouwingen als die van Pollmann zelf. Ik probeer me voor te stellen hoe de portee van zijn stuk via afbeeldingen aan een welwillende beschouwer kan worden overgebracht, maar het lukt me niet helemaal.

En of de graphic novel zo’n stralende toekomst tegemoet gaat – ik vraag het me af. Het genre zal, vrees ik, altijd moeten blijven concurreren met een op een afbeeldingen berustend narratief medium als de film. Daarnaast heeft ook de traditionele roman zijn eigen aantrekkingskracht. Het is een beetje bizar om overproductie als argument te hanteren tegen de attractiviteit van het genre. Waar komt die overproductie vandaan?

Pollmann legt ten onrechte een exclusief verband tussen de impact van visuele ervaringen en de impact van afbeeldingen. De combinatie van die twee stelt hij tegenover het domein van het ‘verbale’ dat ouderwets en weinig effectief zou zijn. In dat verband zou er iets te melden zijn over hersenhelften. Toch is het niet erg aannemelijk dat die sinds de uitvinding van het schrift van plaats veranderd zijn. Als verklaring voor de fluctuerende populariteit van het een of ander lijkt neurologie me niet erg sterk.

Dat het zintuig van het oog een sterk en overheersend zintuig is – ik zou het niet graag willen ontkennen. Dat het zo is blijkt onder meer uit de onverminderde populariteit van taal die visueel georganiseerd wordt - de fenomenen die we ook wel benoemen als schrijven en lezen. Er lijkt mij maar één conclusie mogelijk: de impact van het visuele moet niet worden gedefinieerd door de inhoud van wat het oog aangeboden wordt, maar door specifieke eigenschappen van het zintuig zelf.

Een dichter hakt zijn gedicht uit tegen het wit van de pagina. Een romancier bouwt zinnen die visueel waargenomen worden; hij besteedt misschien nog wel meer zorg aan zijn alinea’s. Moderne onderwijzers en lepe consultants gebruiken machtige hulpmiddelen als beamers. Om hun publiek te amuseren vergasten ze het op plaatjes, om het te overtuigen projecteren ze de structuur van hun betoog in steekwoorden. Wat je ziet blijft hangen. Wat je ziet zijn niet zelden woorden.

  • Door Gert de Jager
  • gepost op
    29-11-2009, om 1:03:55

“Ik gun iedereen zijn Blij Geloof, maar dat de beeldcultuur het gaat winnen van de schriftcultuur – ik ben er niet van overtuigd.”

Het is geen wedstrijd. Ik had het juist over een ideale integratie van visueel en verbaal, die – constateer ik blij – gestalte krijgt in de grafische roman.

“Al was het alleen maar omdat de schriftcultuur de afgelopen decennia bepaald niet aan belang heeft ingeboet.”

Het gaat er niet om dat de schriftcultuur aan belang zou inboeten, maar dat de beeldcultuur intensiveert en dat het interessant is om je af te vragen wat daar de consequenties van zijn.

“Ik probeer me voor te stellen hoe de portee van zijn stuk via afbeeldingen aan een welwillende beschouwer kan worden overgebracht, maar het lukt me niet helemaal.”

Ik zou Gert de Jager willen verzoeken een kijkje te nemen op http://www.stichtingbeeldverhaal.nl, een door mij gevulde website over beeldcultuur en onderwijs waarop ongeveer 650 artikelen zijn verzameld – thematisch gerangschikt - die de educatieve mogelijkheden beschrijven van strips, animatie en illustratie.

“De graphic novel zal, vrees ik, altijd moeten blijven concurreren met een op afbeeldingen berustend narratief medium als de film.”

Concurrentie is iets goeds, niet iets slechts. Er is eeuwen gediscussieerd over de vraag welke muze de krachtigste is, die van de schilderkunst of die van de letterkunst. Dat dwingt tot nadenken en scherp formuleren. Film en graphic novel doen overigens meer dan coëxisteren, ze bevruchten elkaar; veel beeldverhalen worden verfilmd en stripmakers maken veelvuldig gebruik van filmische stijlmiddelen. Wat die stralende toekomst betreft: in de Verenigde Staten is het ‘segment’ van de graphic novel – hoe ruim die daar ook gedefinieerd wordt – het snelst groeiende van de hele literatuur-industrie. In Nederland brengen steeds meer literaire uitgevers beeldromans uit.

“Daarnaast heeft ook de traditionele roman zijn eigen aantrekkingskracht. Het is een beetje bizar om overproductie als argument te hanteren tegen de attractiviteit van het genre. Waar komt die overproductie vandaan?”

Van de marketeers uit het uitgeverijwezen? De inflatie die ik bedoelde zit ‘m niet in de kwantiteit van het bedrukte papier, maar in de kwaliteit van de geformuleerde zinnen. Natuurlijk heeft de traditionele roman aantrekkingskracht en potentie en wat al niet, maar onder een lawine aan middelmatige boeken worden de parels vermorzeld. In diezelfde lawine zitten te weinig brandende kwesties en/of stilistische wonderen. Het is massaproductie.

“Pollmann legt ten onrechte een exclusief verband tussen de impact van visuele ervaringen en de impact van afbeeldingen. De combinatie van die twee stelt hij tegenover het domein van het ‘verbale’ dat ouderwets en weinig effectief zou zijn. In dat verband zou er iets te melden zijn over hersenhelften. Toch is het niet erg aannemelijk dat die sinds de uitvinding van het schrift van plaats veranderd zijn.”

Ik leg volgens De Jager een exclusief verband tussen de ‘impact’ van visuele ervaringen en de ‘impact’ van afbeeldingen: die bewering snap ik niet. Een afbeelding geeft een visuele ervaring, toch? Dat het ‘verbale’ ouderwets zou zijn, heb ik nooit beweerd en zou onzinnig zijn: mensen kletsen de godganse dag en de kiosken liggen vol kranten en tijdschriften, elke week weer. Niet de hersenhelften zijn verplaatst, ons focus is verplaatst. We zijn allemaal ongelovige Thomassen geworden, we willen zien! We weten pas als we gezien hebben.

“Dat het zintuig van het oog een sterk en overheersend zintuig is – ik zou het niet graag willen ontkennen. Er lijkt mij maar één conclusie mogelijk: de impact van het visuele moet niet worden gedefinieerd door de inhoud van wat het oog aangeboden wordt, maar door specifieke eigenschappen van het zintuig zelf.”

Dus: de impact van het visuele wordt gedefinieerd door specifieke eigenschappen van het oog zelf. Beweert De Jager. Even transponeren. De invloed van het auditieve wordt bepaald door de karakteristieken van het oor. Als dat waar zou zijn is er geen communicatie van buitenwereld - via tussenkomst van de zintuigen - met onze binnenwereld mogelijk: er is alleen een autistisch zelfbewustzijn van zenuwcellen.

“Moderne onderwijzers en lepe consultants gebruiken machtige hulpmiddelen als beamers. Om hun publiek te amuseren vergasten ze het op plaatjes, om het te overtuigen projecteren ze de structuur van hun betoog in steekwoorden. Wat je ziet blijft hangen. Wat je ziet zijn niet zelden woorden.”

De beamer is een modern soort diaprojector, daar is niets machtigs of leeps aan. Een goede powerpointpresentatie bevat weinig taal en veel beeld, de spreker spreekt en het publiek kijkt. Het beeld wordt gebruikt vanwege de attentiewaarde, als er alleen gesproken wordt valt het publiek misschien in slaap. En daarmee zijn we terug bij de hamvraag: wat maakt het Beeld zo sterk?

  • Door poll
  • gepost op
    01-12-2009, om 12:08:09

Met een autistisch zelfbewustzijn heeft wat ik beweer niet heel veel te maken. Een van de grote culturele revoluties is de introductie van het schrift geweest. Talige informatie werd niet langer alleen auditief , maar ook visueel gepercipieerd. Naar de enorme consequenties daarvan is de afgelopen decennia in de literatuurwetenschap en belendende disciplines het nodige onderzoek gedaan.

Bij een praatje valt het publiek in slaap, toon je een plaatje dan wordt het weer wakker. Of dat plaatje een afbeelding of een opeenhoping van letters bevat, maakt niet veel uit. Het publiek wordt wakker omdat het visueel geprikkeld wordt. De mens is een kijkdier en het oog is de koningin der zintuigen – jazeker. Maar een visuele cultuur is nog geen beeldcultuur. Zolang er massaal geschreven en gelezen wordt, valt het nog maar te bezien of afbeeldingen de meeste impact hebben. Pollmanns generaliserende uitspraken over de toekomst van de roman en de ‘graphic novel’ zijn wat mij betreft niet veel meer dan een extrapolatie van een particuliere voorkeur.

Vreemd is overigens de rol die succes en populariteit daarbij toebedeeld krijgen. De overweldigende populariteit van de roman voert Pollmann aan als argument voor een kwalitatieve teloorgang. De groeiende populariteit van de graphic novel is dan weer een argument voor een kwalitatief potentieel. Het is een eigenschap van parels, dacht ik, dat ze hun glans kunnen verliezen, maar zich niet snel laten ‘vermorzelen’. Een kwestie van oppoetsen – meer niet.

  • Door Gert de Jager
  • gepost op
    02-12-2009, om 8:33:47

De postmoderne roman is een beeldroman, zegt Pollman op het eind van zijn artikel. Intrigerende (zij het - ongetwijfeld bewust- wat ‘sweeping’ gefomuleerde) gedachte. Zo laat de (postmoderne?) Foer die in zijn laatste roman allerlei foto’s en typografische experimenten het werk doen: de taal zwijgt, het beeld spreekt, zij het cryptisch. En postmoderne Fransen (Derrida bijvoorbeeld) waren heftig gefascineerd door hieroglyphen en ideogrammen: beelden met een grote veelheid aan simultane betekenissen, nauwelijks te vatten in (discursieve en lineaire) taal. Of door de poezie van Mallarme, waar het beeld van de bladspiegel (met het gapende wit tussen de woorden als beeld van de onoverbrugbare leemtes in taal: de zinnen lijken verloren woordeilandjes in een zee van wit) op zijn minst even belangrijk is als de functie van talige ordening. In al deze voorbeelden wordt overigens wel taal met beeld gecombineerd, in een soort poging om de taal voorbij de eigen grenzen op te rekken, het niet-zegbare voelbaar te maken, enzovoort.
Welnu, is dat ongeveer wat Pollman bedoelt? Of moet ik meer denken aan erkende Graphic Novels als Mauss, waarin over Auschwitz op onovertroffen wijze in stripvorm wordt verteld? Waar het slachtoffer een getekende muis is, wat treffender dan welke formulering ook zijn vernederde status laat zien?
Ach, wat maakt het mij ook uit: intrigerend betoog van Pollman, dat mij aan het denken en dromen heeft gezet. Maar toch ben ik benieuwd naar een antwoord!

  • Door nico van der sijde
  • gepost op
    04-12-2009, om 9:04:59

Die bladspiegel van Mallarmé  kreeg het nog zwaar te verduren. Lewis Carroll schiep een gedicht in de vorm van een muizenstaart (‘The Mouse’s Tale’) en niet veel later volgden het ‘Fisches Nachtgesang’ van Christian Morgenstern, de ‘Calligrammes’ van Guillaume Apollinaire en de ‘Opdracht aan mijnheer Zoënzo’ van Paul van Ostayen. Tekst vermomd als beeld, een internationale traditie. Mulisch speelt er bijna een eeuw later ook mee in ‘De ontdekking van de hemel’, als hij een coma gestalte geeft met losse woorden en zwarte punten die over de bladzijde zweven: ‘Uit de diepte’. Allemaal voorbeelden van auteurs die figuurlijkheid letterlijk nemen (of letterlijkheid figuurlijk, hier ligt een enorme spraakverwarring op de loer). Wat ik in mijn stuk trachtte te betogen is dat de literaire visualisatie zijn meest radicale uiting vindt in de grafische roman, een piepjong genre dat nog volop in ontwikkeling is en met elke nieuw verschenen titel narratieve mogelijkheden toevoegt aan het arsenaal van de verhalende kunstvormen.

  • Door poll
  • gepost op
    05-12-2009, om 5:03:58

Aha. Maar dan zou bijvoorbeeld Ponge ook hierbij horen, de dichter die dingen als ondoordringbaar beschouwde en (om die ondoordringbaarheid in taal te vatten) woorden en andere taaltekens ging gebruiken als ondoordringbare dingen. Zoals in het gedicht ‘la cruche’ (de kruik), waarin Ponge de open holte in de woordklank ‘cruche’ bezingt, wat dan een beeld is voor zowel de holte in de kruik als voor de holte (=het niet geheel samenvallen met de werkelijkheid) van het woord ‘kruik’.

Hoe dan ook: het gaat Poll dus, als ik hem nu goed begrijp,  om de verruiming van stijlmiddelen en verhalende kunstvormen, waarbij ook de schrijver veel meer tot zijn beschikking heeft dan taal en betekenis alleen. Inderdaad een interessant fenomeen!

  • Door nico van der sijde
  • gepost op
    05-12-2009, om 6:13:35

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?