cover big

‘Alles rijmt op acht’

Erik Lindner

Over Buurtkinderen van Arjen Duinker

Querido, Amsterdam, 2009,
ISBN 978 90 214 3538 1 / 216p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 12-10-2009

Bookmark and Share

Arjen Duinker is niet gemakkelijk te vangen. Nu laten dichters zich niet graag in kooien stoppen – en mochten ze er toch in belanden dan is het vaak niet best met hen gesteld. In sommige gevallen is de wens om vrij en ongebonden te blijven zo extreem, dat dat het kenmerk van de dichter lijkt: dat hij opvallend vaak van plek verandert en dat diens pluimage van kleur verschiet. Dat is het geval in Buurtkinderen, de nieuwe, lijvige dichtbundel van Arjen Duinker, waarvan een van de eerste gedichten ‘De noodzakelijkheid van een vogelboek’ heet:

Vogels horen de dingen die over hen worden gezegd.
Ze vliegen heen en weer en vangen transparante woorden.

Vogels houden van woorden die ze niet kunnen verstaan.
Over zulke woorden spreken ze met andere vogels.

De veren van vogels zijn gemaakt van die gesprekken.
Vogels houden van de dingen die over hen worden gezegd.

Ze willen niet weten wat transparante woorden betekenen.
Over hun veren weigeren ze een gesprek te voeren.

Ze houden van transparante dingen die ze niet kunnen zien.
Vogels vliegen heen en weer en vangen zichzelf.

Buurtkinderen is Arjen Duinkers tiende dichtbundel. Het is ook de eerste bundel sinds negen jaar waarin losse gedichten elkaar opvolgen. Na de sterke bundel De geschiedenis van een opsomming (2000) is zijn oeuvre vertakt en uit andersoortige bouwwerken gaan bestaan. Misschien vier vergelijkingen (2002) is opgebouwd uit drie reeksen in de vorm van monologen, afgesloten door het fraaie zeelied ‘Zintuigen en verlangens’. De zon en de wereld (2003) bevat twee gedichten voor twee stemmen. Het eerste gedicht stond niet in het tekstboekje, maar was alleen te beluisteren op de bijgevoegde CD. Duinker dacht dat de bundel hierom niet in aanmerking zou komen voor een nominatie. De bundel won desalniettemin de VSB-prijs. En dat? Oneindig (2006) is een bundel met om en om eigen gedichten en vertalingen van Franse gedichten van Karine Martel, waarin de hand van Duinker zichtbaar is. En nu is er eindelijk na jaren een ‘gewone’ dichtbundel, hoewel dat adjectief bij Duinker alleszins dubbelzinnig is.

Buurtkinderen lijkt op een gebergte, met onherbergzame gedeelten, pieken, kloven, ravijnen, paden, weides, passen, gletsjers en een vulkaan. De bundel bestaat uit acht delen die ieder een ruim aantal gedichten bevatten. Hij telt in totaal ruim tweehonderd pagina’s, wat voor een oorspronkelijke Nederlandstalige bundel exceptioneel is. Ieder deel van de bundel bestaat uit een net weer even andere verzameling van korte en lange gedichten, reeksen en tweezangen, gedichten die inhaken op de vorige of juist niet.

‘Op de rode grond liggen verlangens te fonkelen,’ is een dichtregel waartegen je eerst ‘ja, ammehoela’ zou willen roepen, ‘hoe kan dat nou en hoe zien die er dan uit?’ Maar meteen in het begin van de bundel hebben we middels een titel geleerd: ‘Abstracties zijn dingen’. ‘Waarom wordt dat niet vaker gezegd?’ vraagt de dichter zich retorisch af in het betreffende gedicht. Ze komen ‘via de rug van de kat / Bij de augurk in het gras’, die zaken. Onzin is het niet, deze onzin, en als het toch onzin genoemd moet worden dan onzin waar je iets mee kan. De onzin heeft zichzelf tot thema verheven, ook al behoren gedichten nergens over te gaan, volgens Duinker. Hij jongleert er vrolijk en aanstekelijk mee, zoals in het gedicht ‘Duidelijke taal’: ‘De tijd ligt onder het bed, / De tijd hangt achter de zolderkast, / De vlieg kruipt in een neusgat.’

Arjen Duinker debuteerde in 1988 met de bundel Rode oever. Daarvóór publiceerde hij de reeks AapNootMies, in eigen beheer uitgegeven samen met de dichter K. Michel. Arjen is gek! was de titel van een van die boekjes. Al is de samenwerking al een dikke twintig jaar voorbij, in diapositief kan toch een verwantschap aangetoond worden in de taal van de twee dichters. Beiden hebben een lyrisch, kernachtig en kleurrijk woordgebruik. Beiden houden van een uitroepteken op zijn tijd, van een vrolijke kreet. De gedichten van beiden ademen de sfeer van Zuid-Europese of Zuid-Amerikaanse streken. Maar waar Michel de koepelzaal van de rede is ingegaan en daarbinnen een seringenvaas op voetjes ontmoet, subtiel een klein lijntje graffiti op een muur aanbrengt en zo die rede door kleine ingrepen uitvergroot en parodieert, daar is Duinker doorgelopen en de hoek omgeslagen om in een café in een achterafgelegen straat de poëzie van de stamgasten te beluisteren, de geuren op te snuiven en gekke bekken te trekken. Een grotere tegenstelling in hun beider ontwikkeling is haast ondenkbaar.

Het tweede deel van het gebergte Buurtkinderen opent met een extreem kort ‘Gedicht met idealen’:

Ik vind een appel
Mooier dan een peer.

Ik niet, zou ik meteen willen roepen. Ik vind een peer ontroerend, die heeft iets van een walrus die zijn nek wegdraait. Terwijl een appel doet denken aan een kleuter met te bolle wangen. De huid van de appel lijkt op lelijke, non-descripte kunst die je aan de muur boven de bank in een meubelwinkel aantreft. Bovendien zijn appels veelal zuur en peren als ze rijp zijn zacht. Maar is dat wel een argument tegen het gedicht?

Als Menno Wigman de regel schrijft ‘Ik ken de droefenis van copyrettes’ begin ik ook al te roepen: nee, copyrettes zijn leuk, leuk, leuk! Bij mij om de hoek hebben ze van die gestapelde dubbele klapstoeltjes naast de fotokopieerapparaten staan waar je handig je papieren op kunt leggen. Als iemand naast je niet weet hoe hij dubbelzijdig moet kopiëren en je helpt diegene, dan kijkt hij je aan alsof je diens leven hebt gered. Naar de copyrette gaan betekent bovendien dat je iets af hebt en wilt kopiëren, dus het is een feest. Niks droefgeestig. Maar is het niet eens zijn met een gedicht wel een kritiek? Nee, juist niet. En daarom alleen al is de titel van het korte gedicht ‘met idealen’ van Duinker grappig en uitdagend.

Reeksen als ‘Starfish’ waarin regels afwisselend links zijn uitgelijnd en tot halverwege de pagina inspringen, hebben het ritme van een lopende trein. Stampend klinkt de tiendelige schitterende reeks ‘Sailors home’, die tot het beste van Duinkers werk behoort: ‘De motoren proeven hijgend van de olie.’ Dat hij in deze reeks zijn vriend en collega Lian Yang aanspreekt klinkt overtuigend: hij heeft een kameraad nodig om van zijn liefde voor een vrouw te getuigen. Met de Chinese dichter Yang heeft Duinker gemeen dat beiden veel reizen, veel vertaald worden en dat hun werk steeds meer internationale betekenis krijgt, zonder dat ze voorspelbare of gemakkelijk vertaalbare gedichten schrijven. De eigenheid van de Chinese mystiek bij Lian is allesbehalve eenvoudig, en de absurde lyriek van Duinker staat evenzeer buiten gebaande tradities. Goed, er zijn landen waarin Duinker voor de verkeerde dichteressen valt en de verkeerde uitgevers kiest, maar dat zijn bedrijfsongevallen. Duinker is een rodero die ontstellend goed voorleest en wiens werk op veel plekken in de wereld werkelijk geliefd is en weerklank vindt.

Als in het derde deel in het gedicht ‘De vermenigvuldiging’ de spreker terugkeert uit een vreemd land, hoeft de douane de koffer van de ik-figuur niet te zien. ‘Ze beluisteren mijn hart… maar hoe!... ik heb er acht!...’ Zoveel harten zoveel intensiteit, lijkt het bij Duinker. ‘De branding geeft de bal terug aan de meisjes van de hoop,’ is een fraaie wending. En opnieuw komt het cijfer acht terug:

Het atoomnummer van zuurstof is acht
En zonder de ander is er geen adem.

Niet ieder gedicht is even intens in Buurtkinderen, en zo hoort het ook om reliëf aan het geheel te geven. Vaak is er een opvallende wisseling van toon en register. In de vierde serie loopt een ik-figuur ‘om erover te vertellen’ na een ontmoeting met een wapenhandelaar het café in. Duinker weet ‘dat je voor het maken van licht / Wel veel naar water moet kijken.’ Nee, gek is Duinker niet. ‘Ik heb geen ruzie met de geschiedenis,’ schrijft hij. In de serie ‘Mistige gesprekjes’ (eerder gepubliceerd in yang onder de titel ‘Acht kleuren uit het bellenrekje van de glasblazer’) staat de regel ‘schaduw lekt uit mijn linkeroor.’ ‘Blaas langs de tederheid van de taal,’ schrijft hij in het gedicht getiteld ‘Limonade’.

Kleuren zijn ook de namen van de korte gedichten in de vijfde serie van het gebergte, van abrikoos tot aan barnsteen. In het lange gedicht ‘Van bric-à-brac tot en met Etna’ is er sprake van een metgezel, genaamd cystocarpe, dat zoveel betekent als een reproduceerbaar lichaam in de rode alg. En dat is het ‘Centrum van het denken aan niets en van het gaan!’ zoals Duinker de microbe toedicht. Daarmee gaat hij op een behoorlijk ingewikkelde reis. ‘Met eerbied zullen we kijken naar de obers en hun zielen.’ De volgende uitspraak lijkt me het meest exemplarisch voor zijn kijk op de wereld: ‘Kennen is loffelijk, / Doorgronden lachwekkend.’ Tegen die cystocarpe zegt hij op het eind ‘Was je maar zichtbaar voor mijn blote oog!’ Wil het grootste potentieel aan dichterlijk talent in Nederland zich alsjeblieft op iets wezenlijkers richten, ben ik bij deze passage geneigd te denken, me afvragend of Duinker zich in zoveel onzin moet verliezen. Maar dat wil hij natuurlijk juist wel en graag ook. Het zou mij niet verbazen als Duinker geen thematische hiërarchie toekent. En dat maakt het des te opvallender dat bepaalde regels midden in de roos belanden.

Het zesde deel opent met ‘Een mankement’: ‘En ik ken iemand die deze wiskunde beter begrijpt / Dan ik die niet eens aan begrijpen wil denken.’ Duinker spreekt over ‘een echte vlieg, met echte veren / Die zelf een snavel kunnen maken.’ ‘Kijk, een vliegtuig vol met paarden!’ roept hij. ‘Tel maar tel maar tot acht’ staat er in het gedicht getiteld ‘Kooltjes’, en even verderop: ‘alles rijmt op acht’. Af en toe wringt het even in de gedichten in deze afdeling, en dan weer klinkt het mooi:

Parels verschuilen zich niet.
Ze ademen de tijd in en uit.

De honden zoeken ’s nachts
De koele resten van zonlicht.

Kinderen wrijven hun armen in
Met fijngemalen schelpen.

Geef me je handen en je huid,
Geef me je glinstering.

In het zevende deel is er opnieuw een kleurenreeks, maar met meer spanning op de regels. Er is veel land en mist. ‘Een ander aankijken is gevaarlijk / Omdat niemand weet hoe dat moet.’ Duinkers gedichten zijn goed zolang ze scharnieren in de waarneembare werkelijkheid. Natuurlijk is alle taal uiteindelijk ook werkelijkheid, maar ik bedoel die scharnieren als handvaten voor de lezer. ‘In de wereld luistert de lucht nauw. / Resultaten beweren niets.’ En in het grappige gedicht ‘Leve wie?’ staat er: ‘Leve de tafel en de stoel en de invloed / Van conclusies die voortkomen uit verwarring.’ Duinkers werk antifilosofie noemen, zou te eenduidig zijn. Hij schrijft geen gedichten om zich tegen iets te verzetten. Alleen kan hij het af en toe niet laten expliciet stellingen om te draaien of te ridiculiseren. Zo heet een van de gedichten achterin het zevende deel ‘De leer van het geldig redeneren’.

Soms, zoals eerder in ‘Kooltjes’ en ook in de slotserie in het lange ‘Gedicht met trompet’, lijkt het werk voort te komen uit vrije improvisatie. Het zou mij niet verbazen als Arjen Duinker jammend met trompettist Eric Vloeimans of gitarist Eric Vaarzon Morel tot tekst komt. Is zijn poëzie dan louter muziek? Nee, ik denk dat zijn beschimping van de rede niet zonder betekenis is. ‘Ik zeg de dingen zonder ze in woorden te hullen,’ staat er in een van de laatste gedichten. En het gedicht ‘Omleiding’ gaat zo:

De zon stroomt langs een handvol doden,
Stroomt in mijn ogen die zien dat de zon langs een handvol doden stroomt,
Stroomt flonkerend en kalm,
Onafhankelijke rivier
Van een handvol doden.

Bij een goede dichter lijkt het alsof er altijd een kernachtige onmiddelijkheid in de woorden vervat zit. ‘Verzamel je sentimenten/ Want ze lijken ergens op,’ schrijft Arjen Duinker. Buurtkinderen is een wisselvallige bundel én tegelijk een groot werk met veel hoogtepunten. De dichter heeft uiteindelijk zijn reizen, de muziek, zijn kleurschakeringen en toonaarden in een bundel weten onder te brengen. Met evenveel humor, passie, gelatenheid én intensiteit. Wat hij zegt klinkt altijd waarachtig, hoe feitelijk ongerijmd en onzinnig ook. De dingen zijn altijd dingen bij Arjen Duinker, of ze nu tastbaar, abstract of imaginair zijn. ‘En die wolk zegt me niks. // Zou evengoed een theedoek kunnen zijn.’

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?