cover big

Bloemen van het bedrog

Jaap van den Born

Bart FM Droog

Over Bloemen van het kwaad. Gedichten van dictators van Paul Damen

Uitgeverij Koppernik, Amsterdam, 2016,
ISBN 9789492313065 / 519p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 22-04-2017

Bookmark and Share

Op 25 februari 2016 verscheen de ruim vijfhonderd pagina’s tellende bloemlezing Bloemen van het kwaad. Gedichten van dictators. Volgens samensteller Paul Damen (1954) en uitgeverij Koppernik bevat het boek verzen van ruim dertig dictators, voorzien van inleidende essays over iedere afzonderlijke tiran. Het boek sloeg aan. Vrijwel alle Nederlandse en Vlaamse media berichtten erover. De samensteller was te gast in radio- en televisieprogramma’s, waarbij hij opgaf over zijn gedegen achtjarige research en vertaalcapaciteiten: uit vijfentwintig talen vertaalde hij zelfstandig gedichten. Een ongelooflijke prestatie, waarbij amper vraagtekens werden geplaatst. Dat vier authentieke gedichten van Adolf Hitler in het boek waren opgenomen, waaronder een aangrijpend en gevoelig moedergedicht, was reden genoeg om er in allerlei programma’s aandacht aan te besteden. Bloemen van het kwaad vloog dankzij die aandacht over de toonbank: binnen een maand verscheen een tweede druk. En nog ligt het in de winkels. Er is alleen één probleem: het boek stoelt van begin tot eind op bedrog.

Opmars

Dat er iets niet klopte, was al vóór het boek verscheen duidelijk. Na een voorpublicatie van Hitlers moedergedicht in het dagblad Trouw, op 20 februari 2016, onderzocht een van ons dat vers. Al snel bleek dat het beslist niet door Hitler geschreven was, maar door de Duitse dichter Georg Runsky. Op het NPE Nieuwsblog verscheen dezelfde dag een stuk over de bevindingen. Trouw werd op de hoogte gebracht, en via Trouw ook de verantwoordelijke uitgever. Zonder resultaat: Paul Damen verzekerde hen dat het echt was, maar dat hij ook enig voorbehoud had geplaatst (quod non) en dat vonden krant en uitgever voldoende. Het boek begon aan zijn opmars.

Eind november 2016 converseren we op Facebook met de dichter/vertaler Jan Kal over dichters als J.H. Leopold en Willem de Mérode, die zonder kennis van het Perzisch tóch Omar Khayyamvertalingen wisten te fabriceren. Damen komt tussenbeide. Omdat een van ons het gewaagd had de authenticiteit van zijn ‘Hitlerverzen’  in twijfel te trekken, eist hij op hoge toon dat we zijn boek onderzoeken. Daartoe zien we aanvankelijk geen enkele reden. Als Damen echter roept dat we hem niet van plagiaat moeten beschuldigen (waar op dat moment geen sprake van is) en opmerkt: ‘U mag blij zijn dat ik geen advocaat op u afstuur. Nog niet’, vragen we een recensie-exemplaar aan, dat we aandachtig gaan bekijken.

Adolf Hitler

Al snel blijkt niet alleen het moedergedicht niet van Hitler te zijn: geen van de vier in het boek opgenomen gedichten was van hem. Niets nieuws eigenlijk: onder historici is al lang bekend dat er geen gedichten bewaard zijn waarvan zeker is dat Hitler ze zelf schreef.

Damen introduceert de ‘Hitlergedichten’ aan de hand van een tweedelige inleiding. Eerst vertelt hij uitgebreid over de Hitlervervalsingen op een wijze waaruit blijkt dat hij niets van die materie weet: de vervalste Hitlerdagboeken uit 1983 zouden door het weekblad Der Spiegel zijn aangekocht – het was Stern. Twee Duitse historici zouden in het bekende naslagwerk Hitler. Sämtliche Aufzeichnungen 1905-1924 (1980) de authenticiteit van een dertigtal Hitlergedichten bevestigd hebben – niet waar. In dat boek staan zestien aan Hitler toegeschreven gedichten – waarbij de samenstellers van dat boek nadrukkelijk stellen dat ze de echtheid niet onderzocht hebben.

Na vijf en een halve pagina op dubieuze bronnen gestoeld gepraat over Hitler en de falsificaties schrijft Damen: ‘Tot zover de vervalsingen.’ Dan volgen ruim acht pagina’s waarin hij ‘bewijst’ dat de vier Hitlergedichten die hij presenteert authentiek zijn. Hiervoor voert hij niet-bestaande bronnen op, verwijst hij naar ‘intimi van Hitler’ die niet twijfelden aan de echtheid maar zich daar nooit over uitlieten, zegt de ene keer dat het ‘niet 100% zeker is maar hoogstwaarschijnlijk’, om even later zonder voorbehoud de echtheid te onderstrepen. De bewijsvoering bij de vier gedichten is volledig op los zand gebouwd:

1. ‘Hymnus’ an die Geliebte
Volgens Damen is zijn opgenomen Duitse ‘origineel’ een fragment uit een lang liefdesgedicht van Hitler, uit de in 1953 verschenen memoires van Hitlers jeugdvriend August Kubizek.
Hij heeft dit boek niet gelezen: zijn ‘origineel’ komt uit een Stern-artikel uit 2006, waarin de journalist de Engelstalige uitgave van Kubizek bespreekt en daarbij ‘creatief’ een paar regels proza vertaalt en – onder elkaar gezet – tot ‘gedicht’ maakt. De Stern-journalist is er niet van op de hoogte dat het een vertaling betreft van een eerdere Duitse uitgave – en Damen dus ook niet.

Hij plaatst de Duitse vertaling van de Engelse tekst van de journalist als Duits origineel van Hitler in zijn boek en vertaalt dat. Zijn vertaling is dus een Nederlandse vertaling van een Duitse vertaling van de Engelse vertaling van het Duitse origineel – dat ook geen gedicht van Hitler is, maar een losse omschrijving van de jeugdvriend over een gedicht. En die jeugdvriend stelt nadrukkelijk zich geen gedicht van Hitler woordelijk te herinneren.

2. ‘Da sitzen die Menschen in luftigen Haus
Dit gedicht is volgens Damen door Hitler als zestienjarige in 1905 in een gastenboek van een hotel geschreven. Er staat geen naam onder en er is geen spoor van bewijs voor. Geen deskundige neemt dit serieus.

3. ‘Ich gehe manchesmal in rauhen Nächten
Damen zegt dat dit gedicht in 1915 door Hitler geschreven zou zijn in de loopgraven. In 1959 is het in omloop gebracht door de Oostenrijkse charlatan Dr. Johannes von Müllern-Schönhausen, in een boek met kopieën van schilderijen en een knullig vervalste verzameling ‘handschriften van Hitler’, een boek dat Damen zelf ‘uiterst suspect’ noemt. Hij geeft toe dat de verzameling vol vervalsingen zit, maar ‘dit handschrift is echt’. Waarom? Damen: ‘Het komt uit een authentieke verzameling.’

4. Het ‘Muttergedicht
Ook wel ‘Denke es!’ genoemd door neonazi’s. In werkelijkheid luidt de titel ‘Habe Geduld’. Het werd door Georg Runsky (1866-?) voor het eerst gepubliceerd omstreeks 1906 in zijn dichtbundel Blüthen des Herzens. Het gedicht sloeg aan en werd in meerdere kranten en op ansichtkaarten afgedrukt, al zeker vanaf 1908. Tot op vandaag is het, mét de echte auteursnaam, populair en in gebruik bij bijvoorbeeld uitvaartdiensten in het hele Duitse taalgebied.

De dictators

Bij verder onderzoek bleek het bedrog in het Hitlerhoofdstuk symptomatisch voor het héle boek. Alsof dat nog niet erg genoeg is,  is Damens boek ook een piratenbloemlezing. Damen heeft Engelse vertalingen naar het Nederlands bewerkt. Zonder bronvermelding, zonder toestemming van de echte vertalers, zonder toestemming van de rechthebbenden op de oorspronkelijke gedichten.

Wat ook opviel: veel van de dichtende dictators waren geen dictator en voldoen niet aan Damens eigen ‘ijkpunten’ voor opname in zijn boek. Hij stelt als voorwaarden dat de door hem gekozen poëmen zijn geschreven door de dictator zelf, niet door ghostwriters. De dictator moet via geweld aan de macht gekomen zijn en blijven, de bevolking de duimschroeven aanzetten en opvallend veel onderdanen over de kling jagen. Als laatste ijkpunt geeft hij aan dat hij bij voorkeur dictators met een persoonsverheerlijkingscultus opneemt. Maar hij zondigt tegen zijn eigen criteria: koning David is een mythisch persoon, er is geen enkel bewijs dat hij ooit een gedicht schreef. Erzsébet Báthory was een gravin. Che Guevara was een revolutionair, geen staatshoofd, en niet even ‘minister van justitie’, zoals Damen ons wil doen geloven, maar van industrie. Eugène Terre’Blanche was een Zuid-Afrikaanse racist en evenmin staatshoofd. Radovan Karadzic was wel oorlogsmisdadiger maar geen dictator; dat geldt ook voor Osama bin Laden (terrorist maar geen dictator). Koningin Elizabeth I van Engeland en sultan Süleyman van het Ottomaanse Rijk worden algemeen gezien als verlichte heersers. Damen dicht ze bloedbaden en gruweldaden toe om hun opname te verantwoorden. Over Keizer Hirohito, door Damen ook opgenomen als dictator, heerst een consensus onder historici dat hij vooral een marionet was van de militaristen.

Tot gedichten verhakte prozateksten

Fidel Castro, Idi Amin, keizer Bokassa, Erzsébet Báthory, Papa Doc, Robert Mugabe, Muammar Gaddafi en Dzjengis Khan vallen allemaal af als je Damens eigen criteria toepast: van hen bestaat geen enkel gedicht!  Damen verhakt prozateksten van hun hand en presenteert ze als gedichten – of verzint ze. De gruwelverhalen over Erzsébet Báthory (1560-1614) berusten grotendeels op bekentenissen na marteling, haar ‘gedicht’ is niet van haar: het is een toverspreuk, waarmee een dominee, die haar wegens hekserij wilde vervolgen, tevoorschijn kwam tijdens het proces, bewerend dat hij de tekst van haar hofmeester had en dat zij die spreuk altijd bij zich gedragen zou hebben.

Wat Damen ook doet, is citaten plagiëren uit werken die niet van dictators zijn. Zoals bij Dzjengis Khan: het ene ‘gedicht’ dat hij zonder voorbehoud aan hem toeschrijft is een citaat uit The Secret History of the Mongols, een vertaling van een kroniek die geschreven werd ná Khans dood. Het andere ‘gedicht’ komt uit Genghis Khan. His Life and Legacy (1991) van Paul Ratchnevsky. In zijn inleiding plagieert Damen hieruit een tekst over alcoholmisbruik onder de Mongolen, maar de laatste regels van het tekstgedeelte, over een wet tegen dat misbruik, die volgens de volksoverlevering van Dzjengis Khan stamt (al zegt diezelfde overlevering dat niemand die tekst kende dan Dzjengis Khan), laat hij hier weg; die duiken verderop, met de regels onder elkaar gezet, zonder voorbehoud op als écht gedicht van Dzjengis Khan.

Aan een andere groep dictators worden zonder bewijs gedichten toegeschreven, of het is zeker dat die toeschrijvingen onterecht zijn, zoals bij Haroen al Rashied en Pol Pot. Van nog een andere reeks dictators zijn de gedichten hoogstwaarschijnlijk door ghostwriters geschreven: Nicolae Ceaucescu, Kim Il Sung, Kim Jong Il, Saddam Hoessein, Saparmurat Niazov en ten minste één van Mussolini. Drie dichtregels die van de Romeinse keizer Nero zouden stammen heeft Damen bij de Romeinse gruweldichter Lucanus gevonden – een niet altijd even betrouwbare bron. Over de vier andere regels schrijft Damen zelf dat het onwaarschijnlijk is dat ze van Nero zijn. Ivan IV, beter bekend als Ivan de Verschrikkelijke, zou als tiener enkele religieuze liederen geschreven hebben. Of ze daadwerkelijk van hem stammen is echter zeer de vraag.

Pure vervalsingen zijn, behalve alle opgenomen Hitlergedichten, een onbekend aantal gedichten van Il Duce.

Wat blijft er dan over? Wat jeugdverzen van Robespierre, Napoleon, Stalin, Salazar en Peron; gevangenisverzen van Ho Chi Minh; gedichten van Mao, Khomeini en wellicht enkele van Mussolini.

De vertalingen

De talenkennis van Damen is beperkter dan hij doet voorkomen: van de vijfentwintig talen waaruit hij claimt zonder hulp poëzievertalingen gemaakt te hebben, beheerst hij er hooguit vijf, misschien zelfs minder. Achterin het boek bedankt hij een aantal mensen voor hun hulp bij het nakijken van zijn vertalingen – alleen: voor de vertalingen uit het Chinees, Georgisch, Hongaars, Turkmeens, Mongools, Khmer, Creools en Koreaans bedankt hij niemand.

Een aantal van de gedichten in al die en andere talen onderzochten we en we vonden dat Damen in de meeste gevallen niets zelf vertaald had uit de grondtaal, zoals hij claimde, maar grotendeels geplagieerd had uit bestaande Engelse vertalingen. Meestal gewoon letterlijk, maar van vertaler Rein van Essen nam hij simpelweg twee Nederlandse Hirohito-vertalingen over en presenteerde ze met minieme wijzigingen als eigen werk.

Als tien vertalers onafhankelijk van elkaar hetzelfde gedicht gaan vertalen, dan zullen er tien duidelijk verschillende vertalingen ontstaan. Elke vertaling is een interpretatie en iedereen interpreteert een gedicht anders. Dat geldt niet alleen voor vertaling van de ene taal naar de andere, maar ook voor vertalingen uit één taal naar verschillende talen binnen één taalgroep. Bij Damen konden we bij meerdere van zijn ‘vertalingen’ dan ook zien dat hij exact dezelfde fouten overnam als die voorkomen in de geplunderde vertalingen. Over de poëzie van Mao zei hij in een interview dat alle vertalingen van diens werk ‘kut’ waren en hij ze daarom liever zelf uit het Chinees vertaald had. Alle vertalingen van Mao in zijn boek zijn letterlijk en praktisch zonder wijziging vertaald uit Mao Zedong poems, mét alle fouten en vrije interpretaties van de Engelse vertaler.

We legden de teksten voor aan Jan Willem Nienhuys en Cheng Shan-Hwei, auteurs van China. Geschiedenis, cultuur, wetenschap, kunst en politiek (2007), die dit in een uitgebreide analyse aantoonden en tevens wezen op de groteske onzin die Damen in zijn inleiding verkondigde over de achtergronden.

Bij Jean-Bédel Bokassa gaat Damen verder dan plagiaat. Deze dictator, die zichzelf tot keizer kroonde, heeft nooit een gedicht gepubliceerd. Damen presenteert een ‘gedicht’ van hem ‘uit 1984’. Het bestaat uit een couplet uit een chanson van de Franse zanger Daniel Balavoine (1952-1986) en citaten uit twee oudere toespraken van Bokassa. Damen brengt dit geknutsel als ‘gedicht’ en beschuldigt de keizer vervolgens van plagiaat wegens dat couplet. Een afleidingsmanoeuvre dat keer op keer voorkomt in het boek; steeds wijst hij op vervalsingen en deelt hij sneren uit naar anderen die vervalsingen niet ontdekken. Welnu: van de honderdtwintig door hem getoonde en vertaalde ‘dictatorverzen’ ontdekten we vijfendertig vertalingen die berusten op bewijsbaar plagiaat. Bij zesendertig andere kunnen we stellen dat het hoogstwaarschijnlijk om plagiaat gaat. En we hebben niet alles onderzocht.

Het witwassen van plagiaat

Dat plagiaat werd niet direct doorzien omdat Damen vijftien mensen bedankt voor hun hulp bij de vertalingen. Bijvoorbeeld Jan Lauwereyns voor de Japanse vertalingen, Luc de Rooy voor een aantal Spaanse en Hafid Bouazza voor sommige uit het Arabisch. Navraag bij hen leerde dat ze zo goed als ‘affe’ vertalingen kregen voorgeschoteld waarop ze weinig hadden aan te merken, uiteraard niet wetend dat hij ze uit het Engels had vertaald. Bouazza vertelde ons dat hij geen hulp had geboden en niet wist dat hij genoemd werd. Door deze taalspecialisten in het dankwoord te vermelden, wekte Damen de schijn dat alles is nagekeken. Niemand voelde zich geroepen te controleren of dat ook echt het geval was. Redactie van de uitgevers ontbrak totaal, ondanks zijn bewering dat alles was gecontroleerd, door ‘door de uitgeverij ingehuurde historici en vertalers.’

De inleidende essays – deel van het bedrog

In interviews claimt Paul Damen dat hij ‘acht tot tien jaar’ aan zijn boek gewerkt heeft, uitgebreid onderzoek heeft gedaan en honderden biografieën gelezen heeft. Maar niets wijst erop dat hij enig serieus onderzoek heeft verricht. Daarvoor bevatten de inleidingen simpelweg te veel fouten. Hitler zit volgens Damen tot in 1951 in zijn bunker in Berlijn en de renaissance begint omstreeks het jaar 800 (in werkelijkheid 1450-1500). Nero benoemde een paard tot consul: dat was Caligula. Dat de inleidende essays een slordig in elkaar geflanste opeenstapeling zijn van fouten en verzinsels constateerden niet alleen wij, ook specialisten die we raadpleegden waren die mening toegedaan. Classicus Piet Gerbrandy, over het Nero-hoofdstuk:

Ik zou niet weten waar ik zou moeten beginnen om alle slordigheden, fouten en nonsens te verbeteren. Deze jongen heeft echt geen idee waarover hij het heeft.

Wat heeft Damen dan wel gedaan? Hij heeft rijkelijk geplunderd en overgeschreven uit allerhande online artikelen, met een voorkeur voor materiaal van dubieuze auteurs. Steevast zonder bronvermelding en toestemming. Dat heet: plagiaat. De zeldzame keren dat hij wél bronnen noemt, doet hij dat zodanig dat daaruit blijkt dat hij die bronnen niét geraadpleegd heeft, maar alleen recensies van dit of dat boek onder ogen heeft gehad. Zoals wanneer hij over een ongenoemde ‘nieuwe biografie van Ilrich’ spreekt en daaruit citeert – citaten die letterlijk overeenkomen met die uit de Parool-recensie over de Hitlerbiografie van Volker Ullrich door Hans Renders.

Er is geen ruimte om hier alle blunders en verdraaiingen op te sommen. Laten we eindigen met een kort voorbeeld over de Engelse koningin Elizabeth I. We citeren even verschillende passages uit Damens inleiding op Elizabeth I (van bladzijde 14, 99 en 100):

Elizabeth I van Engeland [...] wist met haar genocide op een derde van de Ierse bevolking wel de lijst te halen. […] Uiteindelijk was Ierland gepacificeerd, of beter gezegd: vernietigd. Zo’n anderhalf miljoen Ieren werd afgemaakt of uitgehongerd. [...] Het is de vraag of ze dat allemaal gewild heeft of niet anders kon. Voor de Ieren maakte dat weinig verschil: een derde van de lokale bevolking werd afgemaakt. […] Etnische zuivering was zo’n integraal onderdeel van Elizabeths beleid dat het zelfs het Engelse parlement te ver ging. Daarin toonde ze zich de dictator die haar plaats in deze bundel rechtvaardigt. Naast moord was het als slaaf wegvoeren van hele bevolkingsgroepen naar Brits West-Indië een gangbare praktijk.

Onder Elizabeth I steeg het aantal inwoners in Ierland. De moordpartijen en deportaties die Damen hier beschrijft, zijn broodje-aapverhalen op white supremacy- en neonazisites, bedoeld om de slavenhandel te bagatelliseren en zouden bovendien volgens deze ‘bronnen’ lang ná Elizabeths dood (in 1603) hebben plaatsgevonden, in de jaren 1641-1652.  Daarnaast verwart hij het inwoneraantal van Ierland met het aantal beweerde slachtoffers: zijn vermoedelijke bron (het artikel ‘The Irish Slave Trade’ van John Martin noemt vijfhonderdduizend doden en driehonderdduizend weggevoerde slaven op een bevolking van anderhalf miljoen.) In werkelijkheid begonnen gedwongen deportaties pas in 1653 onder Cromwell en ging het in totaal om tienduizend tot twaalfduizend weggevoerde Ieren. Dat hij deze non-gebeurtenissen terugschuift in de tijd om ze aan Elizabeth toe te kunnen schrijven is nogal doorzichtig: de eerste blijvende Britse kolonie in West-Indië werd pas in 1612 gesticht door een zestigtal vrijwillige kolonisten, negen jaar ná Elizabeths overlijden.

Fictie, geen non-fictie

Bloemen van het kwaad. Gedichten van dictators is uitgebracht als een non-fictiewerk, maar het is dat beslist niet. Het is grotendeels fictie. Slechts een beperkt gedeelte van de gedichten stamt van de mensen aan wie ze zijn toegeschreven. Daarvan was maar een deel echt dictator. Conclusies over dictators en poëzie kunnen aan de hand van dit boek dan ook niet worden getrokken.

Hoewel de schrijver van het nawoord en de dagbladen Trouw, De Standaard en NRC Handelsblad na deelpublicatie van ons onderzoek in het openbaar zijn teruggekomen op wat ze begin 2016 over Paul Damens boek schreven of berichtten, blijft uitgeverij Koppernik achter het boek staan. De uitgevers geven toe door Damen te zijn voorgelogen over de authenticiteit van de Hitlergedichten. Maar ze zien geen reden het boek uit de handel te nemen.

Zie het gehele onderzoek op: Bloemen van het kwaad – een analyse.

 

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?