cover big

‘Met duim en wijsvinger de wereld verkruimelen’

Frauke Pauwels

Over De zee zien van Koos Meinderts

De Fontein, Utrecht, 2015,
ISBN 9789026139130 / 159p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 20-11-2016

Bookmark and Share

De zee zien van Koos Meinderts (1953) won tijdens de afgelopen Boekenbeurs in Antwerpen de Boekenleeuw, een prijs voor het beste Nederlandstalige kinder- en jeugdboek. Eerder al was het één van de vijf genomineerde boeken voor de Dioraphte Literatour Prijs. Die laatste prijs zet boeken voor adolescenten in de schijnwerpers: boeken uit fondsen voor volwassenen, maar net zo goed boeken uit de jeugdliteratuur die ook oudere lezers kunnen smaken. In praktijk vinden in de categorie ‘Oorspronkelijk Nederlandstalig’ vooral die eerste hun weg naar de prijs. Met Oliver van Edward van de Vendel en De zee zien bevatte de lijst ook dit jaar slechts twee boeken die nadrukkelijk als jeugdboek op de markt werden gebracht – en die het helaas niet haalden. De prijs van de vakjury ging naar De ijsmakers van Ernest van de Kwast, verschenen bij De Bezige Bij, een uitgeverij die zich richt op volwassenen.

Met die mix uit jeugd- en volwassenenliteratuur laat de Dioraphte Literatour Prijs zien hoe arbitrair de indeling is. Aan welke kant van de ‘grens’ tussen jeugd en volwassenen een boek verschijnt, is immers vaak louter toeval en wordt sterk geleid door buitentekstuele factoren, zoals eerder verschenen werk van de auteur. Bovendien zijn er steeds meer boeken die, vaak met een verschillende vormgeving, voor beide doelgroepen tegelijk worden uitgebracht.

Ook De zee zien speelt een dubbel spel: hoewel gepubliceerd in het jeugdfonds van De Fontein, draagt het een dubbele NUR-code: ‘Fictie 15+’ en ‘Literaire roman, novelle’. De sobere en strakke vormgeving van de kaft is opgebouwd rond de foto van een jongenstorso in wit hemd, een wit duivenpaartje in de gekromde handen – een beeld dat pas echt gaat spreken na lezing van het boek.

Wat maakt De zee zien dan tot jeugdliteratuur – of net niet? Aan het woord is een man aan de vooravond van zijn zeventigste verjaardag, niet meteen een leeftijd die je met jeugdliteratuur associeert. Het grootste deel van het verhaal draait echter om zijn vijftienjarige zelf, in één langgerekte flashback tussen proloog en epiloog in. Daarmee verschilt de leeftijd van diegene die waarneemt, de focalisator, op sommige momenten aanzienlijk van de verteller, die het verhaal doet.

Die literaire techniek is geen unicum. Steeds meer jonge focalisators krijgen een plekje in de volwassenenliteratuur, opvallend vaak verhalen ze over ingrijpende gebeurtenissen, zoals Kyra Fastenau terecht opmerkt in haar artikel ‘Niet in taal te vatten. Jonge focalisators en vertellers in de volwassenliteratuur’ (Literatuur zonder leeftijd 94, zomer 2014). Interessant is Fastenau’s theorie dat

het trauma, de breuk tussen zien en begrijpen, zich uit in de vertelsituatie van de roman, en – ervan uitgaande dat de lezer zich identificeert met de onwetende focalisator – ook in de leeservaring, hetgeen deze romans performatief maakt.

Die tweeledigheid maakt ook De zee zien uiterst boeiend, want ook daarin is ‘niets gebeurd, er is niets gebeurd. […] Ik had Jan dan wel zien vallen en daarna zien liggen, maar zoiets onwerkelijks is pas echt gebeurd als het je wordt aangezegd’.

Het verlies van een jonge vriend, de bijhorende schuldvraag en de manier waarop dit trauma het leven tekent vormen de kern van De zee zien. De achterflaptekst gewaagt van een jongensvriendschap die uit de hand loopt; een ‘déjà lu’ voor mij. Ook in bijvoorbeeld Zoals het gebeurd is (2013) van Herman van de Wijdeven is er een afspraak tussen twee jongens die uitloopt op een dodelijk ongeluk.

Behalve dat dramatische gegeven en de trage, broeierige opbouw hebben beide boeken een (erg) positieve ontvangst gemeen. ‘De zee zien hoort tot het beste wat Meinderts heeft geschreven en verdient een groot (jong)volwassen publiek,’ aldus Bas Maliepaard in Trouw. En Thomas de Veen schrijft in NRC Handelsblad: ‘Het zou mooi zijn als deze grote literatuur niet alleen gezien wordt door lezers van jeugdboeken’.

Die brede receptie bleek al eerder het criterium te zijn voor goede jeugdliteratuur. Leest een jongere het boek allicht eerder vanuit zijn eigen ‘hier en nu’, dan is voor lezers met meer levenservaring de terugblik op de eigen jeugd het meest logische perspectief. Sterk is dan ook hoe De zee zien dat voor de hand liggende perspectief door elkaar schudt, en tegelijk toont hoe ervaringen uit onze jeugd ons leven beïnvloeden.

De wens van de verteller om ‘een punt achter ons verhaal’ te zetten is dan ook gedoemd te mislukken. Net als bij de verteller hangt het drama ons de gehele leestijd boven het hoofd. Vanaf het begin is duidelijk wat er is gebeurd: het boek opent met het verhaal van Jans dood, en de ontkenning ervan door zijn vriend, de ik-verteller. Dat gegeven legt de vraag naar schuld en schaamte bloot, een vraag die het hele boek lang blijft spelen, en voortdurend wordt gevoed door allerlei motieven, zoals dat van godsdienst, of het (leren) vallen.

De vriendschap tussen de ik-verteller, Kees, en Jan ligt niet voor de hand. In Kees’ ogen belichamen ze twee uitersten van de maatschappij. Waar Kees’ denkkader wordt gevormd door het geloof en zijn grote, eenvoudige gezin, daar lijkt Jan er met zijn vrijere middenstandsopvoeding als zoon van de dorpsfotograaf een stuk beter voor te staan. Het is mooi hoe Meinderts die typering van de klassenverschillen en de historische situering in de jaren vijftig binnensmokkelt, zoals in de beschrijving van Kees’ huis wanneer Jan daar voor het eerst komt, en vooral Kees’ beleving daarvan: ‘Ik schaamde me voor alles en daar schaamde ik me nog het meest voor’.

De vriendschap wordt aanvankelijk gevormd in de buitenruimte die geen van beiden toebehoort en dus de inzet kan vormen voor positiebepaling – ‘Oprotten, dat is mijn plekkie’. Geleidelijk dringen ze elkaars ruimte binnen, wat hun vriendschap complexer maakt. Zo komt Kees steeds vaker aan huis bij Jan, waardoor ook een liefdesrelatie met Jans tweelingzus Marijke ontstaat, en raakt Jan gefascineerd door de schoorsteenpijp op het terrein van de tuinder bij wie Kees een baantje heeft. Die pijp en de vragen die ze oproept – ‘Wat denk je?’ vroeg hij. ‘Zou je boven in de pijp de zee kunnen zien?’ – komt steeds dwingender en sneller terug, tot ze onvermijdelijk naar de tragedie leidt waarmee het verhaal begon.

Toch eindigt het daar niet: Meinderts heeft onderweg vele andere vragen blootgelegd, en duidelijk gemaakt dat er geen eenduidige verklaring is voor Jans overlijden. Jans persoonlijkheid is moeilijk te vatten, en dat ligt niet alleen aan het perspectief van de jonge Kees. Nu en dan schemert onder Jans jongensachtige bravoure – vechten, vloeken, roken en het uitpissen van vuurtjes… – een grote ernst door. Het moment waarop ze samen aan het strand zijn en Jan ‘aan een stuk door’ begint te praten vormt daarin een kernscène: ‘Voor hen is de wereld, alleen voor hen, de anderen, zij mogen ermee doen wat ze willen’. Het maakt Kees woedend, om een reden die hij nog niet kan vatten. In zulke scènes wordt het verschil tussen de jonge focalisator en de oudere verteller scherp gesteld, en met hen, dat tussen de vele mogelijke lezers van dit boek.

Die richting van de blik en het verschil in perspectief wordt gevangen in het motief van de vogels. Liggend in het weiland observeren Jan en Kees achtereenvolgens leeuweriken en buizerds, tot Jan zelf de arend wordt, die ‘machtigste koning van storm en van wind’. Elk van deze scènes prikt en steekt, omdat je weet wat er zit aan te komen:

Jan en ik bleven nog een hele poos naar de leeuweriken kijken. Telkens als we er een in het vizier hadden, bedachten we wiens ziel daar jubelend omhoogklom, de hemel in, om zich op het hoogste punt als een steen naar beneden te laten vallen. ‘Karel de Grote!’ ‘Napoleon!’ […] ‘Daar ga ík,’ zei Jan. ‘Jij?’ zei ik.

De scènes die Meinderts schikt en herschikt als een bidsnoer lezen als delen van een veel omvattender verhaal: de zoektocht naar wie wij zijn en hoe we wat ons overkomt daarin een plaats proberen te geven.

In dat opzicht is het laatste deel veelbetekenend, al lijkt het vanuit een jong lezersperspectief aanvankelijk wat ontheemd achter de intense jeugdbeleving geplakt. De verteller Kees lijkt er zijn vriend Jan, tot wie hij zich in gedachten richt, krampachtig te willen vasthouden. Daarop wijst bijvoorbeeld de veelvuldige aanspreking.

Hoe relatief verdriet en hoe gekleurd waarheid en herinnering kunnen zijn, wordt duidelijk wanneer Marijke, die Kees tientallen jaren later nog eenmaal ontmoet, haar verzwegen waarheid op tafel legt. De vraag die Kees zich eerder stelde wordt daarmee des te urgenter: ‘Wie bewees ik een dienst met de waarheid?’ Die waarheid heeft ook Kees zelf niet in pacht, en het kaderverhaal draait dan ook vooral rond de vraag hoe hij deze traumatische jeugdervaring in zijn leven moet inpassen. Met de afbraak van de schoorsteenpijp, die plaats moet maken voor bouwgronden, lijkt Kees ook zijn vriendschap te willen begraven.

Het is echter pas na zijn verhaal aan de lezer, net voor zijn verjaardagsfeest, dat hij de vrijheid lijkt te hervinden. Dat die vrijheid niet de zijne is, maar de omschrijving die Jan ooit gaf, tekent scherp hoe verleden en heden met elkaar verweven zijn. Het is dan ook in dat idee dat de verschillende lezersgroepen elkaar kunnen vinden, een idee dat De zee zien ontroerend mooi illustreert. De jonge focalisator en zijn oude verteller leggen de relativiteit van leeftijdsgrenzen overtuigend bloot.

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?