Sisyfus’ kiezel

Pierre Kemp, een leven

Wiel Kusters

Weinig spektakel

Het is haast onvoorstelbaar dat Wiel Kusters’ beschrijving van Pierre Kemps leven tot een boek van bijna 750 bladzijden heeft geleid, wanneer je bedenkt dat er vrijwel geen andere dichter van klasse bestaat die zo weinig heeft meegemaakt wat betreft reizen, het verkeren in artistieke of anderszins als interessant geldende kringen, het betrokken zijn bij politieke of maatschappelijke omwentelingen, relationele rampspoed, literair-historische revoltes, enzovoort. In de iets meer dan tachtig jaren van zijn leven verbleef Pierre Kemp een maand of negen in Amsterdam, waartoe hij meteen ook de langste reis van zijn hele leven maakte. Hij trouwde op zijn eenendertigste, kreeg drie zonen, die zich net als hun moeder nauwelijks voor zijn dichterij interesseerden, hij pendelde meer dan een kwart eeuw wekelijks van maandag tot en met zaterdag met de trein tussen zijn woonplaats Maastricht en Eygelshoven, om er als loonadministrateur bij de kolenmijn Laura de kost te verdienen, droeg altijd een zwart pak, bezondigde zich niet aan alcohol en nicotine, at karig, woonde 38 jaar lang, tot zijn dood, in een eenvoudige eengezinswoning op loopafstand van het Maastrichtse spoorwegstation.

Voor het beschrijven van zo’n allesbehalve spectaculair verlopen leven is niet alleen een vergaande detailkennis van het alledaagse vereist, maar ook een zeer sensibel inlevingsvermogen in de concrete omstandigheden en locaties, om te voorkomen dat de lezer in een opsomming van futiliteiten belandt. Als je Pierre Kemp, een leven uit hebt, heb je geen enkele keer het gevoel gehad je door overbodig gebabbel te hebben moeten worstelen. Kusters blijft compositorisch overzicht houden in dit ‘leven’, terwijl hij de lezer haast fysiek meeneemt in Kemps tijd en milieu. ‘Van de Keizersgracht naar […]het kantoor van De Tijd […] was een wandeling van tien minuten,’ noteert hij bijvoorbeeld in zijn relaas over Kemps verblijf in Amsterdam: je ziet hier de biograaf aan het werk, bijna letterlijk in de voetsporen van Kemp en met de stopwatch in de hand.

Uiteraard begin je niet aan een beschrijving van zo’n dichtersleven wanneer de poëzie van de man niet intrigeert. En het intrigerende van poëzie komt altijd uit een leven voort.

Het dichterschap van Kemp ontstaat, in het tweede decennium van de vorige eeuw, in de sfeer van het roomse leven. Ene pater Van Well, jezuïet, werpt zich op als artistieke mentor van de zowel literair als beeldend getalenteerde jongeman. Wie de latere poëzie van Kemp kent, ziet in de vroege gedichten reeds allerlei motieven spelen die naderhand de dramatische kern van dit dichterschap uitmaken. ‘De Pierre Kemp van de gedichten die hij tussen zijn 22ste en 26ste schreef, was geen opgewekte jongeman,’ noteert Kusters. ‘Vooral de dood maakt het leven tot een probleem, tot iets absurds. De dood zelf zal nooit aan zijn einde komen zolang het leven door ‘voortplanting van geslacht tot geslacht’ […]wordt doorgegeven.’ Al vroeg voelt Kemp zich ook aangetrokken tot dichtvormen die juist in hun beknoptheid én speelsheid iets essentieels proberen te vatten, zoals de ‘kleengedichtjes’ van Guido Gezelle en haiku’s.

Pendelen

De dichter Pierre Kemp zoals die literair bekend geworden is en, zeer laat in zijn leven, bekroond werd met de Constantijn Huygensprijs (bijna 70) en de P.C. Hooft-prijs (72), is die van de korte, speelse gedichten met veelal erotische lading. Het heeft er alles van weg dat deze typische Kempgedichten hun ontstaan te danken hebben aan het dagelijkse gependel met de trein. Enerzijds bepaalde de betrekkelijk korte duur van deze ritjes de schrijftijd en dus de lengte van de gedichten, anderzijds bepaalde het vrij stabiele gezelschap van medereizigers zoals ook het vluchtige der toevallige passanten, niet alleen de lading van de treincoupés maar voor een belangrijk deel die van Kemps rijmende gedichtjes. Ik kan me zelfs voorstellen dat het ritmische patroon en de topografische voorstelling van het tweemaaldaagse boemeltraject Kemp zo in zijn bloed- en zenuwbanen is gaan zitten, dat het de cadans van de poëzie mede is gaan bepalen en is blijven bepalen, ver voorbij zijn pensionering. Ik ben zelfs geneigd om bepaalde woordvolgordes in Kemps gedichten grammaticaal toe te schrijven aan het stotend stoppen (en hortend weer optrekken) van zijn boemel. De laatste twee regels van het openingsgedicht van de bundel Stabielen en passanten (1934) bevatten elk zo’n stootpositionering van hun hulpwerkwoord, waar dat grammaticaal had kunnen doorschuiven tot tegen respectievelijk zijn infinitief en zijn voltooid deelwoord:

De appels slapen in het blauwe licht.
Er roert geen kind meer aan de witte winde.
De ziel beschildert nu haar grijs gezicht
en vraagt: hoe God haar nog zal vinden
en of Hij niet verstoord zal langs haar gaan,
omdat zij heeft zo dwaas met verf gedaan.

Een hypothese overigens waarvan de mogelijke onzin geheel en al op mijn rekening dient te worden geschreven. In Kusters’ biografie kom je die niet tegen. (De tegendraadse plaatsing van de hulpwerkwoorden is simpel inhoudelijk te duiden vanuit de woorden ‘verstoord’ en ‘dwaas’, terwijl de verzen ook op de jambische rails blijven.)

Erotomanie

Wat in Kusters’ boek uitvoerig aan bod komt is de rol die vrouwelijke medereizigers hebben gespeeld in Kemps leven en voor zijn poëzie. Dagelijks zat de keurig getrouwde loonadministrateur een tijdje vis à vis, zelfs knie aan knie tegenover een voor hem vaak aantrekkelijk persoon van het andere geslacht. Meer dan eens ontwikkelde zich tussen hem en deze vrouwelijke medereizigers een wederzijdse flirterige verstandhouding die in al haar platoonsheid bijzonder ver kon gaan. Daar droeg het gegeven dat de man in het zwart (publiekelijk) gedichtjes schreef in hoge mate, zo niet alles toe bij. De poëzie vormde als het ware het afgebakende, afgeschermde en beschermende speelveld voor het kunnen maken van intieme, erotische toespelingen. Daar komt bij dat Kemps gedichtjes, die hij zijn muzen of ‘inspiratrices’ openlijk liet lezen en cadeau deed, altijd een kinderlijk, grappig, ongrijpbaar karakter hadden en dat ze in zekere zin buitengewoon vleiend waren, een soort kemplimentjes aan het vrouwelijke geslacht. Het is bekend dat een van Kemps bewonderaars, de een kwart eeuw jongere dichter Adriaan Morriën die veel heeft betekend voor de positie van zijn oudere collega, tot op hoge leeftijd jongedames letterlijk op de voet placht te volgen; Kemp stapte met zijn erotomanie steevast rechtstreeks van het Maastrichtse station naar Turennestraat 21.

Kemps haast altijd erotisch getinte gedichten, waarvan ik persoonlijk die in de bundel Garden, 36, 22, 36 inches (de maten voor BlueBell Girls), verschenen in zijn 72ste (!) levensjaar, tot de absolute hoogtepunten reken, zijn amusant, inventief, ondeugend, soms scabreus, altijd beweeglijk, levendig. Dat maakt dat de persoon van de bejaard geworden dichter Kemp kan worden gezien als die van een ‘vieve’ (de mogelijkheid van een Fehlleistung inbegrepen) oude man, zeker als je zijn niet aflatende literaire productiviteit daarbij betrekt. Wiel Kusters legt terecht de nadruk op het vitale karakter van Kemps poëzie. Maar hij heeft het daarbij ook over een ‘vitale melancholie’. Want juist in Kemps gescherpt zintuiglijke sentiment voor het mooie, aantrekkelijke en verleidelijke schuilt meteen de notie van de vergankelijkheid en het nooit te helen pijnlijke besef van het eigen tekort. Van jongs af heeft Kemp het leven beschouwd als een nauwelijks of niet beïnvloedbaar biologisch proces. ‘Een vrouw is iets van tussen haar benen,/en meer niet!’ roept hij uit, vooral om zichzelf weer met beide benen op de grond te zetten. Maar intussen, intussen… – als ik dit woord hier zo dubbelzinnig mag gebruiken.

Psychologie

Wiel Kusters schrijft als een zielsverwant en vriend van de man in het zwart. Dat betekent dat Kusters niet de registers van de psychoanalytische duiding opentrekt, noch aangaande de poëzie, noch aangaande Kemps ‘ware’ aard. Minnaars en vrienden psychofileren elkaar niet. Hoe voor de hand liggend en reductionistisch zou het bijvoorbeeld zijn om het onbewuste startsein voor de poëzie zoals die zou worden bijeengebracht in Stabielen en passanten, de bundel die wel als Kemps ‘tweede debuut’ wordt beschouwd, te situeren bij het overlijden van Pierre’s moeder. Toen werd immers – ik suggereer maar iets – de scheiding van de preoedipale, paradijselijke wereld van de symbiose met de moeder definitief bekrachtigd… Toch ben ik Kemps gedichten door deze biografie anders, ja, psychologischer gaan lezen.

‘De onbewuste intentie van de lyricus wordt als het ware verzacht door de aangename werking van ritme en rijm,’ lees ik in Freud en fictie – Literaire genres vanuit psychoanalytisch persepctief van Kees Nuijten, ‘Die aangename of versluierende werking draagt er in belangrijke mate toe bij dat de dichter zijn verdrongen verlangens en fantasieën onder woorden kan brengen. De afweer tegen dit onbewuste materiaal neemt er namelijk door af. De lyrische tekst komt derhalve zowel tegemoet aan de verboden wensfantasieën als aan de afweer tegen deze fantasieën en is in die zin een zuivere compromisformatie. (…) Het is eigenlijk een zodanige vermomming van de onbewuste wens, dat gelijktijdig wordt voldaan aan de onbewuste wens en de afweer ertegen. (…) De verhullende werking van bijvoorbeeld het rijm draagt er namelijk toe bij dat de recipiënt niet geconfronteerd wordt met een al te directe presentatie van verboden wensfantasieën.’ Tegelijkertijd zijn vormmiddelen als rijm, ritme en metrum ‘betekenis genererend’.

Ik kan zeggen wat ik wil over de psychoanalytische benadering van lyriek, maar dit lijkt toch hout te snijden, zeker in het geval van Kemp. Vooral als je nog eens bedenkt dat Kemp zelf zich maar al te goed bewust was van het feit dat hij tijdens het schrijven bezig was met het creëren van dergelijke ‘compromisformaties’ (waarschijnlijk zonder die term te kennen). Kemp behoort al tot de freudiaans besmetten, dat wil zeggen, tot degenen die zich bewust zijn van hun eigen onbewuste en die dit zelfinzicht derhalve bewust mee in het spel brengen. ‘Het is weer nacht,’ heet het in ‘Nachtbloei’: Een meisje zingt op straat:/ik ben niet helemaal van sublimaat!’ Een ander gedicht heet ronduit ‘Remming’ en het eindigt zo: ‘ “Te oud! Te oud!” zingt een vlinder/op een nieuwe, zich zonnende, bloem/en dát is waarachtig mijn hinder,/nu ik mijn remming zo noem.’

Wat voor de biologische grondslag van ons leven geldt, geldt evenzeer voor de psychologische: we zijn er inmiddels geheel van doordrongen, we weten dat we erdoor bepaald en gemangeld worden, maar toch… Daar draait het bij Kemp in en om, telkens weer, dag na dag, steeds weer zo’n gevechtje met de taal tegen diezelfde verdomde taal, poëzie kortom. Het is om gek of moedeloos van te worden. En er bestaat slechts één remedie: er opnieuw tegenaan gaan, met nóg een gedicht!

Sisyfus

‘Van het in literaire kringen zo prestigieuze moeizame scheppen is bij hem nooit sprake geweest,’ merkt Kusters dan ook op. Het is geinig te zien hoe Kemp zelf omgaat met zijn schrijfdrift. Op de laatste dag van het jaar waarin hij 72 was geworden, schreef hij (aan Karel Reijnders): ‘In 1958 heb ik 376 gedichten geschreven, in 1957 377; het gaat dus in “dalende lijn”.’ Hier is een Sisyfus aan het woord die in de loop van zijn leven een enorme speelse en humoristische veerkracht heeft ontwikkeld, en die het rotsblok dat steeds opnieuw omhoog gerold dient te worden tot een fraaie kiezel heeft omgevormd, wetend dat ook die hem steeds weer zou ontglippen, dat grote verleiding altijd tot groter verlies zou leiden, maar die het evenwel niet naliet zich keer op keer te laten verleiden.

Deze zo levenslustige poëzie is in wezen tragisch omdat haar held, het lyrische ik, zich expliciet bewust toont van de ontoereikendheid van zijn onderneming. Maar juist het feit dat Kemps gedichten het tragische besef van het uiteindelijke verlies en verdriet met zoveel speels elan in zich meedragen en manifesteren, maakt deze tragiek ook menselijk draaglijk, genietbaar zelfs. Dat toont Wiel Kusters door heel veel treffends te vertellen over een man die zijn poëzie uit de kleinste observaties, ervaringen, ideeën en gevoelens haalde: het alledaagse van zijn leven werd reden tot niet aflatende verwondering.

Links

Vantilt, Nijmegen, 2010
ISBN 9789460040443
744p.
Bestellen: clk.tradedoubler.com/click?a=1724103&p=67859&g=17297694&epi=1001004007508122 p.

Geplaatst op 15/06/2010

Naar boven

Reacties

  1. MaastrichtMoetJeHoren

    Beste lezer,

    in onze gezellige online studio http://www.maastrichtmoetjehoren.nl kun je luisteren naar een interview met Wiel Kusters over zijn biografie van Pierre Kemp en Paula van den Bosch over de expositie van het werk van Pierre in het Bonnefantenmuseum.

    Je bent van harte welkom!

    Beantwoorden

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.