cover big

Thuislanden

Gie van den Berghe

Over Hoe genees je een fanaticus van Amos Oz (vert. Patty Adelaar)

De Bezige Bij, Amsterdam, 2016,
ISBN 9789023498797 / 63p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 05-08-2016

Bookmark and Share

Amos Oz (1939) – jood, Israëliër, links zionist en vredesactivist – gaf op uitnodiging van de universiteit van Tübingen drie lezingen (in het Engels) voor de jaarlijkse Poetik-Dozentur, een week die op zijn verzoek werd afgerond door een causerie van Izzat Ghazzawi (1951-2003), een van de belangrijkste Palestijnse auteurs.

In 2004, het jaar nadat Ghazzawi was overleden, gaf Suhrkamp de vier lezingen in Duitse vertaling uit als Wie man Fanatiker kuriert. Datzelfde jaar bracht Vintage een Engelse versie: Help Us to Divorce. Israel & Palestine: Between Right and Right, een boekje dat in Nederlandse vertaling Hoe genees je een fanaticus als titel kreeg (De Bezige Bij, 2006). In de twee laatstgenoemde edities werden zonder opgave van reden de eerste lezing van Oz en die van Ghazzawi weggelaten. Niet zo erg wat de gemoedelijke lezing van Oz betreft, al ging die wel over zijn schrijverschap, maar de causerie van Ghazzawi was en is een belangrijke aanvulling op Oz’ lezingen en literair ook sterker, veel gebalder. Toen ik de Nederlandse uitgever naar die weglatingen vroeg, bleek die geen weet te hebben van de andere lezingen (de Engelse uitgever reageerde niet).

Inspelend op de actualiteit, met name de aanslagen in Parijs en Brussel, is Hoe genees je een fanaticus nu heruitgegeven en voorzien van een voorwoord van Ahmed Aboutaleb, burgemeester van Rotterdam. Omwille van die actualiteit werd ook de volgorde van de essays omgekeerd: eerst ‘Hoe genees je een fanaticus’, dan ‘Tussen gelijk en gelijk’ (oorspronkelijke titel: ‘Enemies or: Make Peace not Love’. Voor de omkering van de lezingen valt wel iets te zeggen, maar toch vooral omdat daardoor, hoe onbedoeld ook, de oorspronkelijke volgorde werd hersteld.

In wat nu het eerste essay geworden is, analyseert Oz fanatisme in het algemeen en reikt hij enkele middelen aan om het waar mogelijk in te dammen. De tweede causerie gaat over het Midden-Oosten, meer bepaald het Palestijns-Israëlische conflict, het fanatieke beleid van Israëlische, Palestijnse en Arabische leiders, met tot besluit het tweestatenvoorstel dat Oz sinds 1967 verdedigt.

In 2004 moet de Engelse uitgever de essays een eerste keer van plaats hebben verwisseld, omdat het Palestijns-Israëlisch conflict toen urgenter leek dan ander fanatisme. Er was wel 9/11, maar na de in 2000 begonnen tweede intifada bleef het gisten in het Midden-Oosten. Israël was begonnen met de bouw van de fel gecontesteerde muur die Israël en alle Israëlische nederzettingen in de Westbank (de Westelijke Jordaanoever) moet beschermen tegen Palestijnse terreuracties.

Vandaag de dag berichten westerse media slechts mondjesmaat over het onoplosbaar lijkend Palestijns-Israëlische conflict. Het zit niet meer in ons parate collectief geheugen. De terreurdreiging in het Westen slorpt zo goed als alle aandacht op. En zo kwam Oz’ essay over fanatisme in het algemeen, bedoeld als inleiding op fanatisme in het Midden-Oosten, terug op de voorgrond, zij het nu als onbedoelde analyse van de fanatici die ons hier en nu bezighouden.

Ervaringsdeskundige

Wat fanatisme betreft is de in Jeruzalem geboren en getogen Oz een ervaringsdeskundige. Als achtjarig jongetje gooide hij stenen naar Britse soldaten (Palestina was Brits mandaatgebied). Hij was een:

compleet gehersenspoeld fanatiekelingetje, vol eigendunk, chauvinistisch, doof en blind voor elk verhaal dat afweek van het krachtige joodse zionistische verhaal uit die tijd.

In een eerdere versie van Hoe genees je een fanaticus (Abraham Kuyper Lezing, 2000) heeft Oz het ook over een fantastische raket die hij samen met twee klasgenootjes bouwde om Buckingham Palace met de grond gelijk te maken. Londen bleef gespaard omdat de raket ‘uit een kapotte koelkast en de overblijfselen van een oude motorfiets’ bestond, maar vooral omdat ‘de Britten zo verstandig waren om zich op tijd uit Jeruzalem terug te trekken’.

Oz noemt zichzelf een ‘kind van de joodse intifada’. Een joodse intifada? De verjoodsing van dit sleutelbegrip voor ‘verzet’, ‘opstand tegen onderdrukking’ (wat zoveel betekent als ‘afschudden’, ‘kwijtraken’, zoals je vuil van je schoenen afschudt) is niet zomaar een dichterlijke vrijheid, ze raakt de kern van Oz’ visie en betoog.

In deze lezingen richt Oz zich tot de ‘welwillende Europeaan, een links georiënteerde, intellectuele, democratisch gezinde Europeaan’ die denkt ‘dat het Israëlisch-Palestijnse conflict een wildwestfilm is met Israël als de slechterik’. Die onnadenkende, kleingeestige en zelfingenomen kritiek is hij meer dan beu. Het is geen strijd tussen goed en kwaad, maar ‘een klassieke tragedie, een botsing tussen gelijk en gelijk’, want Palestina en Israël zijn het enige thuisland van zowel Palestijnen als ‘Israëlische joden’.

Beide volken waren nergens welkom, ze werden overal vernederd, verdreven, uitgeroeid. Volgens Oz loopt de geschiedenis van het joodse volk ‘min of meer parallel met de ervaringen van het Palestijnse volk. De joden werden Europa uitgezet; zo’n zeventig jaar geleden werden mijn ouders min of meer Europa uitgeschopt. Net zoals de Palestijnen min of meer eerst uit Palestina werden geschopt en daarna uit de Arabische landen. […] De Palestijnen hebben noodgedwongen geprobeerd in andere Arabische landen te leven, ze werden door hun zogenaamde “Arabische familie” afgewezen en soms zelfs vernederd en vervolgd’ (mijn cursiveringen). Het Palestijns-Israëlische conflict is dus ‘in wezen een conflict tussen twee slachtoffers’, slachtoffers van Europa. Het Europa dat:

de Arabische wereld heeft gekoloniseerd, uitgebuit, vernederd en zijn cultuur vertrapt […] is hetzelfde Europa dat de joden heeft gediscrimineerd, vervolgd, gekweld en uiteindelijk massaal vermoord in een ongekende, misdadige genocide.

Min of meer, dat is niet alleen vaag, het laat ook veel onbesproken. Als je maar ver genoeg in de tijd teruggaat, dan is ieder volk, elke natie min of meer het slachtoffer van Europa. Vast staat evenwel dat Israël in 1947-48 circa 750.000 Palestijnen verdreef, hun huizen en dorpen verwoestte, hun grond en land inpalmde. Die etnische zuivering is het die de Palestijnen dwong hun toevlucht te zoeken in Arabische landen. Dat ze daar niet meteen welkom waren, en dat Arabische staten de Israëlische indringer wilden verdrijven zou (zoals hieronder nog zal blijken) ook vanuit Oz’ waarden aanvaardbaar, ja logisch moeten zijn.

Israël, het land dat zich als geen ander op slachtofferschap beroept, slachtoffert de Palestijnen. Ook nu nog – in het reusachtige concentratiekamp dat Gaza is, en in de Westbank, waar de bewoners ingeperkt zijn, afgesneden van familie en werk, beroofd van grond en vrijheid.

Bloedige geschiedenissen

Oz erkent dat de Palestijnen dagelijks worden ‘onderdrukt, opgejaagd, vernederd en bestolen door de wrede Israëlische militaire regering’, maar voegt daar onmiddellijk aan toe dat ‘de Israëlische bevolking dagelijks wordt geterroriseerd door meedogenloze terroristische aanvallen op willekeurige burgers, op mannen, vrouwen, kinderen’. Juist, maar dan maak je wel abstractie van de joodse kolonisatie van Palestina, van de ongelijke krachtverhouding tussen beide partijen, van de onvoorwaardelijke steun van de Verenigde Staten voor Israël, aangezwengeld en geholpen door de zionistische Israëllobby.

Oz verzekert zijn Europees publiek dat hoe pijnlijk, bloedig, wreed en stompzinnig het Israëlisch-Palestijns conflict ook moge zijn, Israëliërs en Palestijnen ‘geen honderden jaren bezig zullen blijven elkaar in de aloude Europese traditie af te slachten’ en dat hun ‘bloedige geschiedenis korter zal zijn dan jullie bloedige geschiedenis’. Oz gelooft stellig in een nabije tweestatenverdeling: spons over het verleden, een pijnlijk compromis sluiten, goede buren worden. Vrede sluiten opdat ‘het Palestijnse volk nooit op zijn knieën hoeft en het Israëlische joodse volk evenmin’. Dat de Palestijnen al lang op de knieën zitten, wordt even over het hoofd gezien.

Zwijgen over het verleden, maar Oz houdt er niet over op. Hij wijst Israëlische en Palestijnse politici met de vinger en beschuldigt nadrukkelijk alle Arabische leiders. De Palestijnen zullen uiteindelijk ook flink wat minder grondgebied krijgen dan de ‘Israëlische joden’, veel minder dan ze direct na de oprichting van de staat Israël hadden kunnen krijgen als de ‘Palestijnse leiders in 1947-48 maar minder fanatiek en eenzijdig waren geweest, meer bereid tot een compromis, als ze de resolutie van de VN uit november 1947 hadden aanvaard’. Onvermeld blijft dat die VN-resolutie 55% van het grondgebied aan Israël toewees, ook al bezette de joodse gemeenschap in Palestina voor de stichting van de joodse staat maar 6% van dat land, en slechts 45 % aan de Palestijnen, toch 70% van de bevolking.

Oz is een overtuigd pacifist, maar geen naïeve idealist. Als zijn land, vrijheid of leven bedreigd wordt, trekt hij opnieuw ten strijde (hij was reservist in zowel de Zesdaagse oorlog als de Jom Kippur oorlog). Een verdedigingsoorlog mag, zoals die tegen de Hezbollah in Libanon en de Gaza-oorlog tegen Hamas. Maar is verdedigen niet juist wat Palestijnse verzetsstrijders doen? Of worden hun land, vrijheid en leven soms niet bedreigd?

Oz benadrukt zeer terecht dat de tweestatenoplossing er alleen kan komen als de ‘tragedie van de Palestijnse vluchtelingen’ wordt opgelost. Israël moet helpen de vluchtelingen in het toekomstige Palestina onder te brengen, op de Westelijke Jordaanoever, in de Gazastrook of elders. In zijn Postscript to the Geneva Accords uit 2003 (bijlage in How to Cure a Fanatic) voegt hij hieraan toe: in geen geval binnen de grenzen van de staat Israël. Waar de ondertussen meer dan vier miljoen Palestijnse vluchtelingen dan wel heen moeten, zegt Oz er niet bij, maar wel dat als er twee staten komen Israël heel klein zal zijn en altijd omringd door vijandelijke, oorlogszuchtige staten.

De tweestatenoplossing lijkt nog maar eens verder af dan ooit. Israël pakt de linkerzijde, mensenrechtenorganisaties en wat er aan vredesbeweging overblijft almaar strenger aan. In een gecoördineerde campagne van de regering, leden van de Knesset, politie, extreemrechtse groeperingen en media worden ze voortdurend geïntimideerd, bedreigd, soms gearresteerd. Ngo’s die buitenlandse steun krijgen, vooral zij die samenwerken met Palestijnen, hebben het bijzonder zwaar te verduren. Er woedt een ware heksenjacht tegen Breaking the Silence, een organisatie die getuigenissen van Israëlische soldaten verzamelt over schendingen van mensenrechten in Gaza en de Westbank. Ondertussen gaan in de Westbank de gewelddadige onteigeningen van Palestijnen onverminderd door. Ultraorthodoxe joden, nu al 10% van de Israëlische bevolking, hebben het daar blijkbaar voor het zeggen. In de eerste zes weken van 2016 alleen al hebben Israëlische soldaten 293 Palestijnse huizen verwoest. Alle Palestijnen die in Area C wonen, de zone met de meeste Israëlische nederzettingen (zo’n 60% van de Westbank), moeten weg. Apartheid en etnische zuivering nemen hand over hand toe.

Algemeen fanatisme

Fanatisme zit in ieder van ons, niemand is er immuun voor. De drang ergens bij te horen, het dwingend verlangen anderen daarbij te betrekken, conformisme en uniformiteit, persoonlijkheidscultus, idealisering van politieke of religieuze leiders, verafgoding van charismatische individuen, agressief chauvinisme, tot en met gewelddadige vormen van religieus fundamentalisme. De kiem van fanatisme wordt gelegd in het gezin, te beginnen met de onweerstaanbare neiging dierbaren voor hun bestwil naar eigen hand, opvatting, ideologie te zetten.

Het inzicht dat fanatisme thuis begint, dankt Oz waarschijnlijk aan zijn kibboetservaring. Als veertienjarige trok hij, kort na de zelfdoding van zijn moeder, naar een socialistische kibboets. Jongeren werden daar niet in het gezin, niet door de ouders alleen opgevoed maar door de hele kibboetsgemeenschap, zoals Bruno Bettelheim schrijft in zijn boek The Children of the Dream (1969).

Volg je Oz’ ruime omschrijving van fanatisme, dan is iedereen inderdaad een fanaticus… bij momenten en in bepaalde opzichten. Maar wie zich fanatiek gedraagt is daarom nog geen fanaticus; een fan is niet noodzakelijk een fanaat. Al die begrippen werden afgeleid van het Latijnse fanum: tempel. Een fanaticus was een enthousiaste dienaar van een tempel, iemand die dacht door (een) god bezield te zijn. Pro-faan was wie of wat voor, buiten de tempel bleef. Gaandeweg kreeg ‘fanaticus’ een meer seculiere betekenis: iemand die bezeten is door een blind geloof of doctrine.

Oz noemt zichzelf een genezen fanaticus, maar stelt vanaf het begin van zijn uiteenzetting dat niemand van die ziekte kan genezen. Men kan er zich wel een beetje tegen beschermen, bijvoorbeeld door verbeeldingskracht, inlevingsvermogen, literatuur, humor (‘om jezelf kunnen lachen’) en het besef dat ieder mens een schiereiland is, je zit vast aan familie, vrienden, cultuur en traditie, maar je wil ook in je dooie eentje over de oceaan kunnen turen.

Kun je hier iets mee? Niet tegen fanatici, niet tegen terreur. Maar de belangrijke menselijke kwaliteiten die Oz aanhaalt zouden in geen enkele opvoeding mogen ontbreken. Vermoedelijk daarom stelt burgemeester Aboutaleb dat het boekje verplichte literatuur moet worden op elke middelbare school. Dat lijkt mij geen goed idee. Het werkstuk biedt veel stof tot nadenken en discussie, bevat mooie ideeën en metaforen, maar Oz’ historische analyse rammelt en is, niettegenstaande zijn enorme inzet als vredesactivist, partijdig. Vraag is of dat anders kan, zeker als je van nabij betrokken bent.

Ghazzawi

Tot slot en bij wijze van erkenning twee passages uit de lezing van Izzat Ghazzawi, ‘De rol van cultuur en literatuur in crisisgebieden’ (mijn vertaling uit het Duits):

De oorlog heeft ons geleerd angst voor anderen en onszelf te hebben. We praatten over vrede in de taal van de oorlog omdat we geen echte vrede hebben gekend. We ontbeerden de ervaring hoe met anderen om te gaan omdat we hen benaderden vanuit hun houding tegenover ons. Daarom werd de oorlog voortgezet, zij het in de taal van de vrede […] De ander was een vijand die ons wou doden. Wat we over hem in onze gedachten en harten droegen, was zijn agressie. […] De oorlog heeft ons verminkt en onze logica verstoord. Wat zullen we zonder vijand aanvangen? Hoe zullen we onze dagen en nachten doorbrengen? Hoe kun je zonder angst leven?

De Israëliërs vrezen de bedoelingen van de Palestijnen als die eenmaal hun eigen Staat hebben. De Palestijnen vrezen dat de Israëliërs nooit zullen instemmen met een definitieve oplossing als die haaks staat op hun eigen ambities. Het wordt tijd te erkennen dat op vrees geen fatsoenlijk leven kan worden opgebouwd. Die vrees maakt ons erbarmelijk. Daarom sterven we. We eisen het recht op een fatsoenlijk leven voor onze kinderen maar leven het zelf niet.

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?