cover big

Une certaine idée de la France

Luc Devoldere

Over Scheffer Renan Psichari. Een Franse cultuur- en familiegeschiedenis, 1815-1914 van H.L. Wesseling

Prometheus, Amsterdam, 2017,
ISBN 978904433849 / 352p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 03-08-2017

Bookmark and Share

Onlangs was ik voor het eerst in het Panthéon in Parijs. In de crypte bots je eerst (links) op Voltaire en (rechts) op Jean-Jacques Rousseau, bien étonnés de se trouver ensemble. Je groet Victor Hugo, Émile Zola en André Malraux. Je buigt voor Marie Curie die boven haar man Pierre ligt. Je ziet dan later op YouTube hoe François Mitterrand, na een lange, eenzame en plechtige wandeling, als eerste politieke daad van zijn presidentschap in 1981, een roos gaat leggen op het graf van Jean Jaurès, de utopist (‘van alle werkwoordsvormen kende hij alleen de toekomende tijd’, merkt Wesseling op) en dat van de verzetsheld Jean Moulin. In 1989, bij de bicentenaire van de Revolutie, laat dezelfde Mitterrand de filosoof Nicolas de Condorcet, de abbé Grégoire, notoir tegenstander van de slavernij en de patois in de Republiek, en de meetkundige Gaspard Monge bijzetten. Emmanuel Macron kondigde intussen in zijn epitaphios op Simone Veil haar panthéonisation aan. Wat een land.

Je zou bij dat alles bijna vergeten dat Frankrijk de laatste decennia aan déclinisme lijdt en laboreert aan zijn ‘identité malheureuse’ (Alain Finkielkraut). Éric Zemmour noemde zijn boek zelfs Le suicide français (2014), Mia Doornaert had het over de ‘ontredderde’ en Niek Pas over de ‘razende’ Republiek. Frankrijk is dan ook verzand na de Trente Glorieuses (1945-1975). De tijd dat het met de Concorde, de TGV en Minitel voorop liep in technologische vernieuwing lijkt voorbij. Verzand in bureaucratie, jacobinisme, hiërarchisch denken, blijft het betalen in cheques. In een dit jaar verschenen boek wordt het opnieuw uitgelegd.

Familiehistorie

De Nederlandse schilder Ary Scheffer, die vanaf zijn zestiende in Parijs woonde en werkte, was de beroemdste en succesvolste schilder van zijn tijd. Ernest Renan was een van Frankrijks beroemdste intellectuelen van de negentiende eeuw. Ernest Psichari was de zoon van een hellenist, die zelf geboren was in de Griekse diaspora in Odessa, maar al op jeugdige leeftijd geëmigreerd naar Frankrijk, waar hij het tot hoogleraar bracht. De zoon zou alles doen wat zijn familie verafschuwde: kiezen voor een carrière als beroepsmilitair (zijn vader was één van de eerste dreyfusards), zich bekeren tot het katholicisme, en in de eerste maand van de Grote Oorlog sneuvelen. Psichari is vandaag een vergeten schrijver, terwijl Scheffer een niet meer hooggeschatte schilder is en van Renan kent men de naam maar nauwelijks het werk.

Waarom brengt de Nederlandse historicus H.L. Wesseling (1937) ze dan samen in dit boek? Omdat ze familie van elkaar zijn: Renan trouwde met Cornélie Scheffer, de dochter van Henry, de broer van Ary. Renans dochter Noémi, zou dan weer trouwen met Jean Psichari, de vader van Ernest. Dertig jaar liep hij rond met het idee. In drie jaar schreef hij het op. Eigenlijk is die lange, Franse negentiende eeuw zijn favoriete periode.

Telescoop en microscoop

Wesseling – die het bekendst werd met het in vele talen vertaalde Verdeel en heers. De deling van Afrika, 1880-1914 (1991) en in 2012 nog een biografie afleverde over Charles de Gaulle, De man die nee zei – had al geschreven over Ernest Psichari in zijn eerste boek: Soldaat en krijger. Franse opvattingen over leger en oorlog, 1905-1914 (1969). Maar toen had hij het meer over zijn ideeën gehad. Nu heeft hij over de mens. Hij heeft namelijk een cultuurgeschiedenis van de Franse negentiende eeuw willen schrijven die begint met de waterscheiding van Waterloo (1815) en eindigt in 1914, dat andere breukmoment. Hij gelooft dat je als historicus zowel een telescoop als een microscoop nodig hebt: afstand en nabijheid. De concrete levens van deze drie personages leveren de perspectieven op om deze eeuw te schetsen. Zo illustreren vader en zoon Psichari de ontwikkeling van de Franse politiek tussen 1890 en 1914 die na de overwinning van de dreyfusards uitliep op een overwinning voor links (laïcisme, antimilitarisme) om later weer plaats te maken voor de ideeën van rechts (eerherstel voor leger, kerk en natie).

Voor Frankrijk was de negentiende eeuw allesbehalve rustig: er waren de revoluties van 1830 (toen de Bourbons, teruggekeerd op de troon na Waterloo, werden afgezet), 1848 (toen de burger-koning Louis-Philippe uit het verwante huis van Orléans op zijn beurt werd verjaagd) en de opstand van de Parijse Commune in 1870. Het land gaf zichzelf een koloniaal rijk in Indochina, de Maghreb-landen en West-Afrika.

De Revolutie was uitgemond in een Republiek en dan een Keizerrijk. Na 1815 volgde de Restauratie. Na het Europese revolutiejaar 1848 kwam de Tweede Republiek (tot 1851), het Tweede Keizerrijk van Napoléon III (tot 1870) en de Derde Republiek (1870-1940). De Vierde en Vijfde Republiek (vanaf 1958) bestendigden de staatsvorm ‘qui nous divise le moins’, naar het woord van Adolphe Thiers.

Scheffer, Renan, Psichari

In 1830 bracht Ary Scheffer, die tekenleraar was van de kinderen van Louis-Philippe, hertog van Orléans, de boodschap dat de hertog de troon werd aangeboden. In 1848 hielp hij de koninklijke familie uit de Tuilerieën ontsnappen aan de volkswoede. Intussen bouwde hij zijn atelier uit tot een heus fabriekje en werd hij de gevierde society-schilder van Parijs. In zijn salon kwamen kunstenaars en intellectuelen, maar ook politici als Thiers en diens rivaal François Guizot.

Als schilder kon hij niet kiezen tussen het neoclassicisme van Jean Auguste Dominique Ingres en de romantiek van Eugène Delacoix. Toen hij stierf in 1858 had Charles Baudelaire hem al de grond ingeschreven als temperament- en stijlloos. Hij zou de geschiedenis ingaan als schilder van sentimentele werken voor sentimentele vrouwen die beter konden worden vergeten. En dat gebeurde dan ook.

In 1877 gaf Renan in Leiden op uitnodiging van het Leidsch Studentencorps een lezing over het onderwerp: ‘Qu’est-ce qu’une nation?’. ‘Un plébiscite de tous les jours’, oreerde hij. Renan geloofde niet in factoren zoals ras en taal of in natuurlijke grenzen, maar in gemeenschappelijke herinneringen en verwachtingen.: ‘[…] le désir de vivre ensemble, la volonté de continuer à faire valoir l’héritage qu’on a reçu indivis.’

Een van de grootste prestaties van de Derde Republiek was dan ook de Franse natievorming. Ook al was het land grotendeels nog een agrarische natie, boeren werden ‘Fransen’. Wegen, spoorwegen en waterwegen vormden een nationale markt. De dienstplicht (1872-1873) en de leerplicht (1882) smeedden de burgers aan elkaar. In het leger verbond het Frans de dialectsprekers en werd de cultus van het vaderland bijgebracht. Onderwijzers brachten de moderne denkbeelden en de Verlichting naar alle dorpen. Zij waren de agenten van de republikeinse ideologie en een voorbeeld van sociale emancipatie. Vaak waren het zelf boerenzonen. Hun kinderen schopten het vaak tot hoogleraar.

Het gevolg van de overwinning van links in de jaren 1870 was dat rechts zich meer en meer uit het openbare leven moest terugtrekken. Het leger werd een toevluchtsoord, het laatste bolwerk van rechts. De militaire kaste werd de belichaming van een nieuwe conservatieve en nationalistische ideologie.

En dat was ooit anders geweest: voor 1870 was links militaristisch, omdat het opkwam voor de soldaten van Napoleon Bonaparte. Napoleon was een held van links. Maar in de Dreyfus-affaire zou de tegenstelling tussen leger en een bepaald deel van de natie op heftige wijze blijken. Die affaire was de grootste crisis van de Derde Republiek. Ze verdeelde de natie en hele families tot op het bot. De eer van Frankrijk kwam tegenover waarheid en gerechtigheid te staan, en ‘intellectuelen’ – Zola op kop – die nu als het ware ‘geboren’ werden, werden de herauten van die waarheid en gerechtigheid.

Veel van die ‘intellectuelen’ kwamen samen in het huis in de rue Chaptal van Jean Psichari en Noémi Renan, waar Ary Scheffer nog had gewoond en zijn atelier had gehad.

Kerk, staat en wetenschap

Intussen maakte, naast de kwestie Elzas-Lotharingen, de strijd over de positie van de katholieke kerk de meeste emoties los. De antiklerikale regering van Émile Combes, premier van 1902 tot 1905, zou hierin het voortouw nemen. Had de kerk, net zoals het leger, zich in de Dreyfus-affaire geen vijand van de Republiek getoond? Het tweede artikel van La loi concernant la séparation des Églises et de l’État (1905) is dan ook duidelijk: ‘La République ne reconnaît, ne salarie ni ne subventionne aucun culte. […]’.

Maar net in die jaren bekeerden ettelijke Franse hommes de lettres zich tot het katholicisme. Paul Claudel zag het licht in de kerstnacht in de Notre-Dame van Parijs, en ging fulmineren tegen de boeken van Renan, vooral diens La vie de Jésus, dat de goddelijke fundamenten onder de zoon van God had weggeslagen. Volgens Eugen Weber was het geloof in God voor mensen als Charles Péguy en Ernest Psichari een bevestiging en aanvulling van hun geloof in Frankrijk en beschouwden zij de katholieke kerk als de basis van de maatschappelijke orde.

De filosoof Henri Bergson had zijn intuïtieve methode en zijn élan vital intussen ingezet om de superioriteit van de Franse geest boven de reine Wissenschaft van de Duitsers te plaatsen. Aan de Sorbonne werd die kille wetenschap, ‘een nuttig surrogaat voor minderbedeelden’, gedoceerd. In het Collège de France schitterden de literaire formuleringen van Bergson. De Franse Generale Staf voor 1914 kan zelfs volgens de journalist Jean de Pierrefeu bergsoniaans worden genoemd, omdat hij de rede geringschatte en de intuïtie vereerde. Het zou in de loopgraven catastrofale gevolgen hebben.

Deze cocktail van ideeën en gevoelens komt samen in de casus Ernest Psichari: hij draagt de naam van zijn beroemde grootvader maar wijst het heden en zijn familie af, het leger wordt zijn klooster, de oorlog een kans op vernieuwing en herstel voor Frankrijk. Hij sneuvelt in de eerste weken van de oorlog als held en martelaar.

Europa als hefboom

De Fransen beschouwen hun zeventiende eeuw als hun grand siècle (Duitsland en Italië bestonden nog niet; het Habsburgse rijk was groot, maar weinig homogeen) en in de achttiende eeuw vonden ze – vinden ze zelf – de Verlichting uit om die aan de wereld te geven. Maar in de negentiende eeuw waren de Franse politiek en cultuur het invloedrijkst, beweert Wesseling. Het Frans schitterde aan de hoven, in de diplomatie en de salons van Europa. In 1870 zou Duitsland op wetenschappelijk gebied Frankrijk overvleugelen maar de culturele suprematie bleef lang nazinderen. De Eerste Wereldoorlog leekt de macht aan Frankrijk terug te geven, maar Duitsland was niet gebroken, alleen tijdelijk onderdrukt.

De rest is geschiedenis. Ook al is het land vandaag een kernmacht, het is zijn machtspositie al lang kwijt. Toch gedraagt het zich nog altijd als een grote natie, bokst het nog altijd boven zijn gewicht. Dat deed De Gaulle al schitterend toen hij in 1940 in zijn eentje de eer van Frankrijk redde, volgens Wesseling. Met de Europese eenmaking was het niet anders. De Gaulle vertrouwde ooit aan zijn raadgever Alain Peyrefitte toe wat hij daarover echt dacht:

L’Europe, ça sert à quoi? Ça doit servir à ne se laisser dominer ni par les Américains ni par les Russes. A six [ België, Nederland, Luxemburg, Duitsland, Frankrijk en Italië, LD], nous devrions pouvoir arriver à faire aussi bien que chacun des deux supergrands. Et si la France s’arrange pour être la première des six, ce qui est à notre portée, elle pourra manier ce levier d’Archimède, elle pourra entraîner les autres. L’Europe, c’est le moyen pour la France de redevenir ce qu’elle a cessé d’être depuis Waterloo: la première au monde.

Mitterrand liet Helmut Kohl de hereniging van Duitsland betalen met het aanvaarden van de euro. Maar Wesseling besluit zijn boek duidelijk zo:

Duitsland verkreeg nu op vreedzame wijze wat de wapenen het nooit hadden kunnen geven, het werd niet de grootste van de wereld maar wel van Europa. De Fransen hebben nog steeds moeite deze nieuwe realiteit te accepteren.

De nieuwe president Macron staat dus in een traditie van Franse politici, zoals de Gaulle en Mitterrand, die boven hun gewicht boksen. ‘Toute ma vie, je me suis fait une certaine idée de la France’, zei de Gaulle ooit. Frankrijk kon Frankrijk niet zijn zonder ‘grandeur’. Van hen heeft Macron alvast het gevoel voor symbolen en decorum geërfd. Nu nog zien of het hem lukt, geparkeerd in een centrum dat Frankrijk volgens Wesseling nooit heeft gekend, de tegenstelling links-rechts die sinds de Revolutie de Franse politiek beheerst echt te overstijgen. Wesseling is alvast sceptisch. Maar hij achtte het ook ondenkbaar dat Macron bij de parlementsverkiezingen van juni 2017 een meerderheid zou behalen. Historici moeten geen voorspellingen doen, maar deze historicus heeft alvast een boeiend boek geschreven in die heldere, laconieke stijl van hem.

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?