cover big

Waarom Tocqueville de democratie maar zozo vond

Frank Albers

Over Over de democratie in Amerika van Alexis de Tocqueville

Vertaald door Hessel Daalder en Steven Van Luchene. Bewerkt en van een nabeschouwing voorzien door Andreas Kinneging.

Lemniscaat, Rotterdam, 2011,
ISBN 9789047703518 / 1166p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 30-08-2011

Bookmark and Share

De Franse aristocraat Alexis de Tocqueville (1805-1859) was een koele minnaar van de democratie. Hij zag de democratisering van politiek én samenleving als een ´onweerstaanbare revolutie´ die hem vervulde met ´een soort religieuze schrik´. Die schrik inspireerde hem tot het schrijven van Over de democratie in Amerika (1835-1840), een meesterwerk van duizend bladzijden dat nu voor het eerst integraal in het Nederlands is verschenen, in een voortreffelijke vertaling van Hessel Daalder en Steven Van Luchene.

Op het eerste gezicht lijkt het logisch en voorspelbaar dat de democratisering van politiek en samenleving een aristocraat met schrik vervult. Democratisering betekent immers toenemende ´standsgelijkheid´ – een kernbegrip in Tocquevilles vertoog – en daar heeft een aristocraat niet meteen baat bij. Maar zo eenvoudig is Tocquevilles schrik niet uit te leggen. Wie Tocqueville afschildert als een reactionaire denker die slechts de teloorgang van zijn standgebonden privileges vreesde, doet hem onrecht aan. Een retour à l’aristocratie leek hem wenselijk noch mogelijk. Integendeel, hij aanvaardde de democratische revolutie ´als een voldongen of bijna voldongen feit´ Omkijken had geen enkele zin. Maar hij vreesde dat de democratie, indien ze niet of onvoldoende werd gestuurd, slechts een nieuw soort tirannie, een nieuw soort slavernij zou voortbrengen die de meeste mensen nog ellendiger zou achterlaten dan ze in eerdere regimes ooit waren geweest.  De democratie moest worden gestuurd, omdat de evolutie naar steeds grotere standsgelijkheid anders wel eens ten koste zou kunnen gaan van de individuele vrijheid, en die vrijheid was voor Tocqueville het hoogste goed.

Vrijheid betekende voor hem de mogelijkheid om al handelend je eigen lot te bepalen. De politieke vertaling hiervan was vergelijkbaar met wat wij nu basisdemocratie zouden noemen: vrije burgers die zich verenigen om gezamenlijk hun wijk, hun gemeente, hun stad te besturen. Politieke vrijheid bestond niét in het delegeren van politieke beslissingsmacht aan een daartoe gemachtigde kaste, maar in de actieve medewerking van alle betrokken burgers aan het beleid. Deelnemen aan de politiek, het stellen van beleidsdaden op lokaal niveau, maakte de vrijheid voor individuele burgers ervaarbaar en scherpte hun gevoel voor collectieve verantwoordelijkheid. In Frankrijk kreeg dit ideaal politiek vorm in de Constitutie van 1791, die de macht decentraliseerde en politieke bevoegdheden verschoof naar lokale en regionale niveaus. Maar zoals bekend zou het nog wel even duren voor het ideaal van het democratische zelfbestuur in Frankrijk ook werkelijk wortel schoot. De Revolutie ontketende reactionaire krachten – de Restauratie en in mindere mate de Julimonarchie – die eigenlijk pas met de val van Napoleon III in 1870 bezworen werden. 

Tocqueville heeft die stuiptrekkingen van het ancien régime, die tegelijk de barensweeën van de democratie waren, van dichtbij meegemaakt. Zijn vader maakte carrière tijdens de Restauratie, hijzelf werd tijdens de Julimonarchie van Louis-Philippe verkozen in de Chambre des Députés. In 1848 schreef hij mee aan de grondwet van de tweede republiek en een jaar later was hij zelfs een tijdje minister van Buitenlandse Zaken. Maar na de staatsgreep van Louis Bonaparte in 1851 hield hij het actieve politieke leven voor bekeken. Hij trok zich terug en wilde eigenlijk alleen nog een groot boek schrijven over de oorsprong van de Franse Revolutie. Een eerste deel verscheen in 1856 onder de titel L’Ancien Régime et la Révolution, het tweede deel is er niet meer van gekomen. Tocqueville stierf op 16 april 1859 aan tuberculose.

Amerika als voorbeeld

Net als vele Europese tijdgenoten zag Tocqueville in de Verenigde Staten de belichaming van de moderne, democratische samenleving. De Franse Revolutie en de Déclaration des droits de l’homme et du Citoyen (1789) waren schatplichtig aan wat er recentelijk in de VS was gebeurd en geschreven. In die zin boden de VS – toen al! – een sneak preview van wat ook in Europa te gebeuren stond. Zo schrijft Tocqueville in de Inleiding van Over de democratie in Amerika: ´Het lijkt mij boven elke twijfel verheven dat wij vroeg of laat, net als de Amerikanen, de vrijwel volledige standsgelijkheid zullen bereiken.´ Hij wilde de States bezoeken om te zien hoe de democratie zich daar ontwikkelde en op welke manier Europa en met name Frankrijk daar lering uit konden trekken. In een beroemde passage: ´Ik erken dat ik in Amerika meer dan Amerika heb gezien; ik heb er een beeld gezocht van de democratie zelf, van haar neigingen, van haar karakter, van haar vooroordelen, van haar hartstochten […]´ Deze omschrijving geeft aan dat democratie voor Tocqueville veel meer betekende dan een politieke structuur. Democratie was voor hem ook een psychologische en sociologische werkelijkheid. Democratie en aristocratie zijn niet alleen zeer verschillende politieke systemen, een democraat en een aristocraat zijn ook zeer verschillende mensentypes die anders denken en voelen en de wereld op een volstrekt andere manier ervaren. Standsgelijkheid – hét waarmerk van de democratie voor Tocqueville – is dus ook niet alleen een politiek-economisch gegeven of streefdoel, het heeft ook buitengewoon verstrekkende culturele gevolgen. Andreas Kinneging vat het in zijn nabeschouwing goed samen: ’Over de democratie in Amerika is in essentie een beschrijving en analyse van de politieke, cultureel-maatschappelijke en psychologische consequenties van het gelijkheidsbeginsel.’

Het eerste, in 1835 verschenen boekdeel van De la démocratie behandelt voornamelijk staatkundige eigenschappen van de Amerikaanse democratie, zoals Tocqueville die had leren kennen tijdens zijn amper negen maanden durende reis door de States (mei 1831-maart 1832). Daar gaat het dan ’Over de inrichting van de gemeente in Amerika‘ bijvoorbeeld, ‘Over het algemeen kiesrecht’, ‘Over de federale constitutie’. Het meest memorabele deel van dit eerste boek is Tocquevilles analyse van –en verzet tegen – wat hij de tirannie of het despotisme van de meerderheid noemde. Hij stelde namelijk vast dat in een land als de VS, waar nooit een echte aristocratie had bestaan en waar alle burgers gelijk(waardig) waren of op zijn minst geloofden dat ze dat waren, de meerderheid niet alleen een grote feitelijke maar ook een zeer grote morele macht heeft. Vooral dat laatste baarde hem zorgen. De morele kwaliteit van een wet of een principe hing volgens hem niet af van het aantal mensen dat erin gelooft.

Tocqueville geloofde in een veel universelere norm die ook voor de opvattingen van de meerderheid maatgevend hoorde te zijn: ‘Er bestaat een algemene wet die niet alleen door de meerderheid van een of ander volk, maar door de meerderheid van alle mensen is gemaakt of althans aangenomen. Die wet heet rechtvaardigheid. De rechtvaardigheid vormt dus de grens van het recht van elk volk’ Een meerderheid kan net zo onrechtvaardig oordelen als een ouderwetse tiran. In dat geval heft zij de tirannie niet op, zegt Tocqueville, maar vervangt ze de tirannie van de despoot door de tirannie van het getal. Zeker in deze populistische tijden is het nuttig om te beseffen dat ook een meerderheid onrechtvaardig kan denken of handelen, en dat een wet of een regel niét moreel juist is omdat een meerderheid erin gelooft.

Uiteindelijk was Tocqueville allergisch voor élke vorm van machtsuitoefening die hem iets kon verordenen waar hij het niet eens mee was. In een prachtige zin: ‘Als ik de hand van de macht op mijn voorhoofd voel drukken, kan het mij persoonlijk weinig schelen wie mij onderdrukt, en ik ben zeker niet eerder bereid onder het juk te buigen omdat een miljoen handen het hebben aangereikt.’ Elders luidt het: ‘Wanneer ik zie dat het recht en het vermogen om alles te doen worden verleend aan een of andere macht, of men die nu volk of koning noemt, democratie of aristocratie, en of die nu worden uitgeoefend in een monarchie of in een republiek, dan zeg ik: daar ligt de kiem van de tirannie, en ik zal proberen om onder andere wetten te gaan leven.’ Die kiem zag Tocqueville ook in Amerika: ‘Wat mij in Amerika het meest tegen de borst stuit, is niet de extreme vrijheid die er heerst, maar de weinige waarborgen die men er vindt tegen de tirannie.’ De macht van de meerderheid leidde er toen al tot een verstikkend conformisme: ‘Ik ken geen land waar in het algemeen minder geestelijke onafhankelijkheid en minder werkelijk vrije discussie bestaat dan in Amerika.’

Vrijheid versus gelijkheid

In het tweede boekdeel (1840) heeft Tocqueville het veel vaker over de gelijkheidscultuur die de democratie in de VS had teweeg gebracht en die hij met zeer gemengde gevoelens begroette. Hij vat zijn observaties en analyses van de democratische cultuur meestal in korte, puntige hoofdstukjes, met heerlijke titels als   ‘Waarom de Amerikanen terzelfder tijd zulke kleine en zulke grote monumenten oprichten‘, ‘Waarom Amerikaanse schrijvers en redenaars vaak bombastisch zijn’ en ‘Waarom de Amerikanen zich te midden van hun welstand zo rusteloos tonen’. 

Het democratiseringsproces bracht een fundamentele wijziging teweeg in de verhouding tussen vrijheid en gelijkheid, en het is precies die wijziging die Tocqueville met gemengde gevoelens vervult. Traditioneel, in een aristocratische maatschappij, was de vrijheid van sommigen mede te danken aan extreme standsongelijkheid. Vrijheid en gelijkheid leken wel communicerende vaten: hoe meer van het ene, hoe minder van het andere. Tocqueville zag heel goed wat de democratie zo bekoorlijk maakte, namelijk de belofte, de ambitie om vrijheid én gelijkheid voor iedereen te doen toenemen: ‘De mensen zullen volstrekt vrij zijn omdat zij allen volstrekt gelijk zijn, en zij zullen allen volstrekt gelijk zijn omdat zij volstrekt vrij zijn. Dit is het ideaal waarnaar democratische volken streven.’

Maar dit streven naar het ‘uiterste punt waar vrijheid en gelijkheid met elkaar versmelten’ heeft ook een keerzijde. Het vergt en bevordert een open maatschappij waar de grenzen tussen standen, klassen en posities veel minder rigide, minder definitief zijn dan in een aristocratische orde. ‘In democratische, verlichte en vrije tijden hebben de mensen niets wat hen scheidt of op hun plaats houdt; zij vinden met een buitengewone snelheid de weg omhoog of omlaag. Alle klassen zien elkaar voortdurend, omdat zij elkaar zeer na staan. Zij communiceren en vermengen zich elke dag, imiteren elkaar en zijn afgunstig op elkaar […].’

Een democratische samenleving is dus wezenlijk instabiel. Het individu is er tegelijkertijd veel vrijer en veel kwetsbaarder dan in een aristocratische orde. En het is precies deze dubbelheid die verklaart waarom Tocqueville de democratie uiteindelijk maar zozo vond. Standsgelijkheid brengt meer vrijheid voor meer mensen maar voor die vrijheid betaalt men een hoge prijs: ‘De aristocratie had van alle burgers een lange ketting gemaakt die van paysan tot koning liep; de democratie breekt de ketting en legt elke schakel apart.’ Vrijheid onder egalitaire omstandigheden maakt mensen eenzaam en individualistisch. In een aristocratie is ‘elke klasse voor haar leden een soort klein vaderland’, maar in een democratie leef je alleen voor jezelf, je familie en je vrienden, en geniet je van ‘de kleine pleziertjes’ die de gelijkheid aan ieder mens verschaft. Je weet je veel minder verbonden met vorige of toekomstige generaties en je leeft ook niet meer binnen de grenzen van een klasse. De democratie werpt de mens ‘steeds op zichzelf terug en dreigt hem ten slotte geheel en al op te sluiten in de eenzaamheid van zijn eigen hart.’

Zijn grote angst was dat de vrijheid – de échte vrijheid, dat wil zeggen politiek zelfbestuur – in een democratie zou verslonzen tot eenkennigheid, kleingeestigheid en het najagen van louter materiële welstand. Een democratie belooft en brengt méér vrijheid dan een aristocratie, zo vond hij, maar ze is van minder goede kwaliteit. In die zin leek het de vrijheid niet anders te zullen vergaan dan het horloge: ‘Toen alleen de rijken horloges bezaten, waren die vrijwel allemaal voortreffelijk. Nu maakt men er bijna alleen nog van middelmatige kwaliteit, maar iedereen heeft er een.’

De democratisering van politiek en samenleving was een onomkeerbaar en onafwendbaar proces, maar of wij in Europa er uiteindelijk beter van zouden worden, daar was Tocqueville na zijn reis door de VS nog niet zo zeker van. ‘De naties van onze tijd kunnen niet voorkomen dat de standen bij hen gelijk zijn,’ besloot hij, ‘maar het hangt van hen af of de standsgelijkheid hen leidt naar horigheid of vrijheid, naar verlichting of barbarij, naar welvaart of ellende.’

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?