Deel Facebook Twitter / X LinkedIn
Met de razendsnelle ontwikkeling van AI en Large Language Models (LLMs) zoals ChatGPT, Gemini en Bloom verandert het filosofische vraagstuk of machines ooit een menselijke vorm van bewustzijn kunnen hebben steeds meer in een prangende actuele kwestie. De vraag is minstens zo oud als Mary Shelley’s Frankenstein (1818) en werd sindsdien in literaire fictie en films (Blade Runner, 2001: A Space Odyssey, The Matrix, Her) uitgewerkt, maar vormt anno 2025 volgens sommigen meer dan ooit een reëel probleem. In de discussie rond het onderwerp overheersen twee visies: aan de ene kant zijn er denkers die beweren dat AI al een vorm van bewustzijn heeft, aan de andere kant worden dergelijke beweringen afgedaan als techno-utopisme en overheerst de scepsis.
Een van de vragen in de discussie luidt of AI in staat is om kunst te maken en literatuur te schrijven. Hoewel er al boeken werden geschreven door ‘hybrid intelligence’ (auteurs die openlijk AI gebruiken) en er zelfs geheel door chatbots geschreven boeken op de markt verschijnen, lijkt de consensus voorlopig dat AI niet echt ‘schrijft’ maar ‘genereert’ en dat het begrip ‘origineel’ niets betekent voor LLMs.
Een alternatieve manier om de kwestie te benaderen, is niet te vragen of AI kan schrijven, maar of ze kan zwijgen. Zou AI bijvoorbeeld ooit in staat zijn om uit zichzelf een bijna lege dichtbundel te genereren, zoals het ultra-minimalistische de kat van de muziekschool (2024) van F. van Dixhoorn? Weet AI wat witregels zijn en wat die zoal kunnen betekenen? Begrijpt ChatGPT hoeveel potentie de afwezigheid van tekst soms bezit? Kan een chatbot naast betekenisvolle taal ook betekenisvolle stilte genereren?
In wat volgt zal ik proberen deze vragen te beantwoorden, aan de hand van een korte bespreking van de witregels in de sonnetvorm en drie analyses van gedichten van respectievelijk Delphine Lecompte, Hans Faverey en Gerard Reve.
De witregel als betekenisdrager
Wat is een witregel? Op het eerste gezicht slechts een pauze tussen twee zinnen, strofes of alinea’s. Toch zijn met name in de poëzie witregels zelden leeg: ze markeren naast pauzes ook overgangen, aarzelingen, bezinningsmomenten, typografische transities en meer. Ze onderbreken, vertragen en versnipperen het leesproces en dwingen tot herinterpretatie.
Hoewel de experimentele toepassing van het paginawit vooral een (post)modernistisch fenomeen is, is ook in de eeuwenoude sonnetvorm de plaatsing van de witregel(s) beladen met betekenis. In hun boek The Making of a Poem (2000) wijzen Mark Strand en Eavan Boland erop dat in het petrarcaans sonnet, opgedeeld in octaaf en sextet, de vorm sterk samenhangt met de inhoud:
Een krachtig openingsstatement van acht regels wordt gevolgd door een antwoord op de emotionele of intellectuele vraag die in het eerste deel wordt gesteld. Deze indeling maakt het sonnet tot een op zichzelf staande vorm, geschikt voor een genuanceerde stemming en toon.
De Engelse sonnetvorm, ontworpen door Thomas Wyatt en vereeuwigd door William Shakespeare, bestaat uit drie kwatrijnen en een afsluitend distichon. Deze vorm leent zich volgens Strand en Boland vooral voor ‘vrije beeldenassociaties’ die in de laatste twee regels culmineren in een conclusie.
Octaaf en sextet of kwatrijnen en distichon werden bij respectievelijk Petrarca en Shakespeare oorspronkelijk niet van elkaar gescheiden met witregels. In modernere uitgaven gebeurt dat vaak wel (zie de afbeeldingen), om het ingenieuze rijmschema en de volta, de wending naar de oplossing, te accentueren. Onder meer dergelijke geëvolueerde typografische conventies hebben experimentele dichters in de afgelopen eeuw geïnspireerd om steeds creatiever gebruik te maken van de poëtische witregel, als drager van buitentalige vormen van betekenis.

Een sonnet van Petrarca, 1550 Een sonnet van Petrarca, 2008
In wat volgt, bespreek ik drie voorbeelden van de poëtische witregel in de Nederlandstalige literatuur, om met die analyse onder de arm terug te keren naar de vraag of AI ooit in staat zal zijn om het paginawit op vergelijkbare wijze toe te passen.
De witregel als (anti)climax
In de bundel De dieren in mij (2009) van Delphine Lecompte staat het gedicht ‘Ademloos’, dat als volgt begint:
Toen je auto de tunnel indook
hielden we onze adem in
dat hadden we zo afgesproken
nog voor ik het licht aan het einde zag
had ik al opgegeven en driemaal mijn longen gevuld
maar zonder jouw adem naast mij
voelde het alsof ze werden gevuld met natte aarde.
Ademloos bereiken we de parking
van een vijandige meubelketen
De volledige eerste strofe bestaat uit een enkele volzin zonder interpunctie. De syntaxis doet bovendien wat opsommerig aan, alsof de zin gehaast wordt uitgesproken door iemand die overmand door emoties haar gedachten en gevoelens spuwt. Wie de strofe hardop voorleest, zal dan ook merken dat hij na het laatste woord buiten adem is – net als de personages in het gedicht, die de tunnel uit en het daglicht weer in rijden.
De witregel die op deze tunnel volgt, zou normaal gezien ruimte moeten bieden om eindelijk weer diep in te mogen ademen. Toch begint de eerstvolgende strofe na de witregel met het woord ‘ademloos’, alsof het ademhalen zelfs in het daartoe bestemde moment aan het einde van de tunnel alsnog niet lukt.
Zo simuleert het samenspel van vorm en inhoud, inclusief het poëtische gebruik van de witregel, de aanhoudende ademnood van het lyrisch ik, wiens ‘longen gevuld’ zijn met ‘natte aarde’ in plaats van zuurstof, en die het hemelse ‘licht aan het einde’ van de tunnel (ja, ook dat licht wordt verbeeld door de heldere witregel) al bijna ziet.
De witregel als richtingwijzer
De gedichtencyclus Sur place (1980) van Hans Faverey vangt aan met dit titelloze gedicht:
Het sneeuwt
maar het sneeuwt niet meer.
Toen het begon te sneeuwen
ben ik naar het raam gelopen;
heb ik mij verloren gelopen.
In die tijd ongeveer,
vlak voor de sneeuw weer
begon te vallen, grote, steeds
langzamere vlokken in,
moet het opgehouden zijn
ook met sneeuwen.
De eerste witregel lijkt een verbeelding van het exacte moment waarop het lyrisch ik merkt dat ‘het sneeuwt’, halthoudt bij het raam en zwijgend naar de sneeuwval staart. Tegelijkertijd verbeeldt dat strookje paginawit wellicht het sneeuwpak dat over de dingen ligt en alle geluid, alle taal, dempt.
Pas in de tweede versregel blijkt dat de witregel ook een verschuiving in tijd en bewustzijn markeerde. Het lyrisch ik heeft zich vergist, of stond dusdanig lang bij het raam dat het inmiddels niet meer sneeuwt.
Ook de andere witregels in het gedicht zetten lezers aan tot herinterpretatie van wat ze zojuist hebben gelezen. De tweede witregel volgt bijvoorbeeld op ‘ben ik naar het raam gelopen’ en symboliseert wederom het zwijgend stilstaan aan het raam, maar leidt ook naar het zelfcorrigerende of nuancerende ‘heb ik mij verloren gelopen’ in de volgende versregel.
De laatste witregel verbeeldt het uitgestelde einde van het gedicht, waar het lyrisch ik nog steeds aan het raam staat, zich al bijna wil omdraaien, maar eerst nog de vertraagde bedenking maakt: ‘ook met sneeuwen.’
De witregel als jakobsladder
Een van de mooiste witregels in de Nederlandse literatuur staat in het gedicht ‘Graf te Blauwhuis’ van Gerard Reve, opgenomen in de gedichtenreeks aan het einde van de brievenroman Nader tot U (1966):
Hij rende weg, maar ontkwam niet,
en werd getroffen, en stierf, achttien jaar oud.
Een strijdbaar opschrift roept van alles,
maar uit het bruin geëmailleerd portret
kijkt een bedrukt en stil gezicht.
Een kind nog. Dag lieve jongen.
Gij, Die Koning zijt, dit en dat, wat niet al,
ja ja, kom er eens om,
Gij weet waarom het is, ik niet.
Dat Koninkrijk van U, weet U wel, wordt dat nog wat?
Eerst dit: het is niet onbelangrijk te weten dat dit gedicht binnen de cyclus volgt op ‘Danklied voor het Lam’ en ‘Gezicht op Kerstmis’. ‘Danklied’ bestaat namelijk uit dertien regels, ‘Gezicht’ uit twaalf en ‘Graf te Blauwhuis’ uit tien. Bovendien volgen in deze gedichten de laatste vier regels telkens op een witregel, die een duidelijke wending markeert. De vorm doet dus aan het sonnet denken en dat is geen verrassing: Reve wijst er in Tom Rooduijns boek Revelaties (2002) zelf op dat zijn gedichten ‘in oorsprong de structuur, de gedachte van een sonnet’ hebben.
In ‘Graf te Blauwhuis’ heeft de witregel een cruciale functie. In regel vijf en vooral zes dringt het tot de verteller door hoe jong de getroffene was (in regel twee was die immers nog ‘achttien jaar oud’). Het gebruik van de tegenwoordige tijd in regel vijf, ‘kijkt’, en in regel zes, waar de jongen ‘nog’ een kind is, drukt een sensatie van tijdloosheid uit, alsof de jonggestorvene nog leeft. Door die gemoedsindruk komt het lyrische ik ertoe het portret te groeten.
Op die ontroerende begroeting volgt de witregel. Als lezers kijken we daar pas écht mee naar het ‘bedrukt en stil gezicht.’ Sterker uitgedrukt: de witregel biedt ruimte om het voorgaande te verwerken en stil te staan bij de tegenstelling tussen enerzijds de volstrekte anonimiteit van een willekeurig graf in een Fries dorp en anderzijds de uniciteit van een mensenleven.
De gedachte aan de gestorven jongen en het daaruit voortvloeiende besef van de ontoereikendheid van de menselijke liefde, nopen het lyrisch ik tot een verticale vlucht naar het hogere. Na de witregel wendt het zich tot ‘Gij, Die Koning zijt’ en klaagt het diens nalatigheid aan. De witregel markeert deze volta, is die volta, en functioneert als jakobsladder tussen aarde en hemel.
AI vs. de mens
Terug naar AI. Wat kunnen we op basis van de besproken witregels in deze drie gedichten concluderen over de literaire capaciteiten van AI-taalmodellen?
Misschien legt de poëtische witregel extra duidelijk het verschil bloot tussen intentie en imitatie. De menselijke keuze voor een witregel is intentioneel, psychologisch en minstens ten dele afgestemd op de lezers, terwijl de machinale ‘keuze’ puur berust op probabilistische imitatie. Chatbots genereren witregels en tekst op een en dezelfde wijze: door patronen te herkennen in grote hoeveelheden data en op basis daarvan voorspellingen te doen. Ze detecteren bijvoorbeeld dat in poëzie witregels frequent zijn en genereren gedichten met witregels op statistisch veel voorkomende plaatsen.
Menselijke dichters gaan heel anders te werk en kiezen voor een witregel – soms na lang twijfelen, doorstrepen en herschrijven – omdat die een extra betekenislaag aan een gedicht toevoegt, als (anti)climax, richtingwijzer, jakobsladder, of wat anderen er allemaal nog in kunnen projecteren. Chatbots projecteren überhaupt niet: ze kunnen niet buiten adem zijn, naar de sneeuw staren of op ironische toon God aanroepen, en zullen dergelijke ervaringen daarom nooit ‘lezen’ in een leeggelaten versregel.
Dichters en lezers delen altijd een bewustzijn. Ze weten van elkaar dat ze het paginawit beschouwen als een ruimte waarin buitentalige betekenissen kunnen ontstaan. Beiden zijn daarom vrij om met dat interpretatiepotentieel te spelen. Voor chatbots bestaat het bewustzijn en bijgevolg het interpretatiespel niet.
De witregel als grens
Het meeste van wat ik in de vorige paragraaf heb benoemd, geldt natuurlijk evengoed voor tekst als voor witregels. Toch is er nog een belangrijk verschil.
Dichters die doelbewust een witregel of een vlak paginawit inzetten als betekenisvolle eenheid, doen dat niet alleen om esthetische redenen, maar ook uit een ethische impuls: om ruimte te laten voor de lezers, of voor het niet-weten, voor het onuitspreekbare. Die ruimte is kwetsbaar omdat daar resoneert wat we niet kunnen of willen bevatten. Voor chatbots bestaat deze ruimte niet. Ze kunnen tot in het oneindige tekst produceren, maar zullen nooit leren zwijgen met zeggingskracht.
Voor de mens is betekenisvol zwijgen niets minder dan een verheven ideaal: denk maar aan Ludwig Wittgenstein, John Cage, Yves Klein of Marina Abramović. Koranvertaler en auteur Toshihiko Izutsu schreef in The Theory of Beauty in the Classical Aesthetics of Japan het volgende over de zenboeddhistische esthetiek:
De innerlijke structuur van de esthetiek die we tot nu toe hebben geanalyseerd, is […] gebaseerd op een metafysica waarvan het uiteindelijke doel het Niets is. […] Je zou kunnen zeggen dat een creatieve handeling, zoals begrepen in de Japanse kunsten, al voltooid is in de dimensie van innerlijke ervaring, nog vóór de uiterlijke daad van artistieke creatie is begonnen.
Voor sommige Japanse tekenaars was een blanco blad papier, nog onbezoedeld door de kwast, het hoogst haalbare. Chatbots zullen nooit iets leeg laten als artistieke of ethische daad, omdat leegte voor hen niet bestaat. Ze zijn puur taal: wanneer ze zwijgen, houden ze op te bestaan.
Zo vormt de poëtische witregel, het aanwezige afwezige, de absolute grens tussen AI en de mens. Wanneer wij zwijgen, bestaan we nog – bestaan we juist. Voor een AI-taalmodel geldt dat niet. Als het niets wordt gevraagd, is het er niet, als een vergeten boek op een stoffige plank in een verlaten bibliotheek.
Geciteerde werken
Hans Faverey, Verzamelde gedichten, De Bezige Bij, Amsterdam, 1993.
Toshihiko Izutsu & Toyo Izutsu, The Theory of Beauty in the Classical Aesthetics of Japan, Springer Science+Business Media: Dordrecht, 1981.
Delphine Lecompte, De dieren in mij, De Bezige Bij, Amsterdam, 2006.
Gerard Reve, Verzamelde gedichten, De Bezige Bij, Amsterdam, 2009.
Tom Rooduijn, Revelaties: Gerard Reve over zijn werk en leven, Uitgeverij Conserve, Schoorl, 2002.
Mark Strand & Eavan Boland, The Making of a Poem: A Norton Anthology of Poetic Forms,
W.W. Norton & Company, New York/London, 2000.
Reacties
Samuel Vriezen
Een interessant essay en mooi pleidooi om het verschil tussen menselijke en kunstmatige taal juist in het niet-betekenende te zoeken.
Niettemin heb ik enige twijfel bij de lokalisering hiervan in de witregel. Is een witregel werkelijk zo heel anders dan elke andere drager van geschreven talige informatie? Een LLM zal een witregel ook opvatten als een token met effecten in het attention-mechanisme, dus als een operator die semantische verbanden herschikt en verbanden op een hoger abstractieniveau, in de volgende layer, activeert. Je zou de witregel best kunnen opvatten als een tussenwerpsel, iets dat de stroom van semantische connecties moduleert – en dat is in principe te modelleren zoals ook een woord gemodelleerd wordt.
Ik denk dat een LLM een witregel niet wezenlijk anders zou lezen, dwz. in de zin van analyseren, als een menselijke lezer als Van der Zwan. Ergens in een vroege laag wordt geconstateerd dat er een witregel staat, en wordt het concept “poëzie” geactiveerd. “Poëzie” wijst dan naar een specifiek arsenaal van concepten waaronder “onderbreking”, “contrast”, “pauze”, “adem”, die allemaal getest worden op hun toepasbaarheid, en weer hogere concepten kunnen activeren, bij wijze van spreken tot “jakobsladder” aan toe. Natuurlijk betekent dat niet dat de LLM de poëzie ook zo ervaart, maar de conceptuele interpretatie heeft dat niet per se nodig – omdat er meer dan genoeg conventie is rondom witregels, net zo goed als rondom woorden.
Maar waarom zou ik al deze moeite doen als we het ook aan Gemini zelf kunnen vragen! Ik heb het deze kwestie voorgelegd, en gevraagd om
enkele gedichten die Van der Zwans claims zouden kunnen weerleggen. Ik zal verder geen uitspraak doen over de kwaliteit van het resultaat…
https://share.gemini.google/1NZxOiwr8iCr
Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.