cover big

Triomf van de parafrase

Marc Kregting

(1) reactie(s) - geplaatst op 02-10-2014

Bookmark and Share

In de essaybundel Appels en peren (2013) probeert Maarten Asscher het verbod te overtreden dat in die spreekwoordelijke titel popelt. Zo maakt hij een vergelijking tussen Kees Fens en Predrag Matvejević. Genoemde Kroatische auteur had een boek geschreven waarvan ‘de Franse Fayard-editie’ Asscher, destijds uitgever, volkomen betoverde. Twee jaar later, in 1994, verscheen het ‘dan ook op mijn instigatie’ in vertaling: De Middellandse Zee. Een getijdenboek, met ‘een bevlogen voorwoord van de Italiaanse schrijver Claudio Magris’.

Het gaf Asscher vertrouwen toen hij begreep dat Fens het boek ging bespreken. Wat echter gebeurde, was dat deze De Middellandse Zee ‘helemaal, maar dan ook helemaal met de Nederlandse grond gelijkmaakte’. De geografische bepaling klinkt omineus. Asscher gaat in zijn vergelijkingsopstel op zoek naar ‘“het mediterrane” als mentaliteit, als oriëntatie, ja misschien wel als eigenschap, die men heeft of niet heeft’.

Tussen de Kroaat (plus impliciet hem zelf) en Fens ziet Asscher ‘een onoverbrugbare scheiding van geesten’. Voor Fens zou een boek een begin, midden en een einde hebben. Tegenover die samenhang stelt Asscher het ‘omzwervende karakter’ van De Middellandse Zee, de ‘doelloosheid’, ‘onvergetelijke details’. Hij verklaart Fens’ afkeer ten slotte uit ‘de cultuurverschillen’ die de noordelijke badplaats Zandvoort, waar deze toentertijd woonde, zou scheiden van ‘de zuidelijke werkelijkheid van de Méditerranée’.

Asscher, die in Amsterdam woont, schildert Nederland vervolgens met tulpenbollen in het gelid, eb en vloed, wind, regen, houvast, nut, praktische eisen van A naar B. Daarbij oordeelt hij dat Fens’ kritiek ‘het grootste gelijk van de (Nederlandse) vismarkt’ heeft. In het zuiden zouden ‘nutteloze maar schitterend mozaïeken’ regeren, bij een getijdeloze wispelturige zee, waarin mensen ronddobberen, omdat het water geen doel is maar middel om in het leven te staan, altijd op reis, onderweg. ‘Naar de Noordzee ga je toe om heen en weer langs het strand te wandelen, om pootje te baden of om over te steken naar Engeland. En als je dat gedaan hebt, ga je weer naar huis en heb je je doel bereikt.’

Door dit type redenaties wordt meteen de titel van Asschers opstel, ‘Zandvoort aan de Middellandse Zee’, klip en klaar. Fens was naar zijn inzicht moreel noch artistiek uitgerust met een zintuig dat boeken à la Matvejević voor hem aanvaardbaar maakte. Hij is volgens Asscher te zeer een Hollander, vermoedelijk een provinciaal.

Het rare is dat iedereen die ook maar iets van Fens heeft gelezen, weet dat deze kleren kocht in Londen en een Rome-fanaat was. Dat mag dan aan de Tyrrheense Zee liggen, ver weg is Asschers paradijs niet. Uit de biografie Mijn versnipperd bestaan (2014) door Wiel Kusters blijkt bovendien dat Fens op zijn oude dag, toen het appels-en-perenopstel verscheen, een bereisde roel werd. Hoe kan de schier onoverbrugbare mentaliteitskloof dan worden verklaard?

Velsertunnel

In H2olland. Op zoek naar de bronnen van Nederland (2009) maakt Maarten Asscher een denkbeeldige strandwandeling langs de Noordzeekust. Dat doet hij in de zomer, niet tot zijn genoegen. Dat seizoen, met al die mensen, ‘lijkt in zijn collectiviteit soms meer een kwestie van instinct, zoals bij sommige dieren die in een bepaald seizoen in groten getale naar elders vertrekken, dan een optelsom van individuele beslissingen’.

Het is vanuit Asschers non-bestiale optiek niet helemaal verrassend dat het Sodom en Gomorra van de Noordzeekust voor hem wel Fens’ drukbezochte Zandvoort moet zijn. Een belangrijke bijrol bij die afkeer is weggelegd voor de stank en oorverdovende herrie, niet het minst door ‘de infernale attractie’ van het autocircuit. Precies daar kwam, afgaand op Kusters’ informatie, de vermaledijde criticus met liefde. Fens bleek vooral gefascineerd door de start van de formule 1-races.

Veel waardering heeft Asscher op zijn beurt voor de Wassenaarse Slag. Het zijn daar de schaarse strandpaviljoenen ‘die zich naar mijn ervaring uitmuntend lenen voor feesten en etentjes, ver weg van de bebouwde omgeving’. Van de Noordzeekust is hij ook erg te spreken over het inwaartse stuk tussen Camperduin en Schoorl, waar je ‘ongestoord en uitgebreid kan wandelen’. Het prefereren van afzondering staat los van de kans die het bedoelde reservaat biedt om van de natuur te genieten. Eerder had Asscher eens deze bekentenis gedaan:

Wat mij betreft is de ideale verhouding natuur/cultuur waarschijnlijk 20/80 of misschien zelfs 10/90. Ik heb behoefte aan zorgvuldige regie, de juiste belichting en kostumering, en er mogen eisen gesteld worden aan de catering, het comfort en aan andere bijkomende essenties.

Het negeren van een aanzienlijk deel van wat de wereld heet, verdisconteert Asscher in zijn redenaties. In H2olland was het voor het schrijven over een binnenvaartschip, stelt hij met nadruk, onnodig zo’n ding te bezoeken en erop te varen. Teksten erover stimuleerden zijn kosmopolitische inborst afdoende. Asscher kon zich dan ook goed vinden in zijn vader. Die verkoos als advocaat domicilie te houden in Alkmaar, ‘waarbij de reeds begonnen aanleg van de Velsertunnel voor hem de doorslag gaf, aangezien hij er niet voor voelde om zich in een provinciaal achterland af te sluiten’.

Waar voor Kees Fens het kerkgebouw een prototypische ruimte lijkt, is voor Asscher de internationale hotelkamer dat. Hij heeft geprobeerd zijn ‘geest zo te vormen dat je daarmee als met een loper overal naar binnen kunt. Dan kun je niet alleen teruggaan naar je geboortestad, maar kun je ook de rest van de wereld veroveren.’ In H2olland specificeert hij die plaatsen: New York, Parijs, Berlijn, Rome, Tel Aviv, Athene (waar hij zijn zesjarige dochter de Acropolis laat beklimmen en met haar Nationaal Archeologisch Museum bezoekt).

Dit lijken eurocentrische voorbeelden, uit de joods-christelijke traditie. Afrika en Zuid-Amerika en Azië zijn op Asschers mentale kaart nergens te bekennen. Maar een nationaliteit is, ‘naast alle zegeningen ervan, ook een soort slavernij, waaruit een mens soms zou willen ontsnappen’. Toch is het interessant te weten dat Fens op late leeftijd niet alleen zo’n beetje de hele wereld bestreek, maar ook van Zandvoort terug verhuisde naar Amsterdam. Daar was hij geboren en getogen en daar zou hij in 2008 sterven.

Uitvoering

Mij intrigeert ook de poëtica die Asscher moeiteloos aan Fens toeschrijft. Het verlangen naar samenhang dat begrip en genieting van Matvejević principieel zou frustreren, klonk misschien plausibel bij eerste publicatie van het appels-en-peren-opstel in 2003. In datzelfde jaar herpubliceerde Jos Joosten in Onttachtiging een toen bijna tien jaar oud essay over Fens. Een samenhanghypothese – wegens een autonomistische literatuurbenadering en wegens een traditie via intertekstualiteit – leidde daar tot de diagnose van een gesloten wereldbeeld bij Fens. Van heelheid, zoals Joosten dat uitdrukte.

Die teneur paste naadloos in Postmoderne poëzie in Nederland en Vlaanderen van Thomas Vaessens en Joosten, ook uit 2003. Fens behoorde daarin tot vertegenwoordigers van een gedateerd idee van coherentie. Biograaf Kusters bespreekt het allemaal niet, en emeritus Fens zou een paar jaar later op de opiniepagina van de Volkskrant zelfs de oren gewassen worden door drie verse professoren neerlandistiek tegelijk, die daarbij ontkenden dat er hegemonische toestanden speelden. Toch was hun Fens-diagnose niet zo simplistisch als Asscher hem, op zijn beurt tien jaar later, bij herpublicatie aan zijn eigen lezers presenteert.

Joosten liet achteraf, bij het verschijnen van de biografie, uitschijnen dat de persoon Fens toch wat complexer was dan een gesloten wereldbeeld kon waarmaken. Des te sterker valt Asschers neerbuigendheid op, met de inzet van poëticaal gezien bijna toeristische clichés. Hij spreekt bovendien over ‘de door mij bewonderde literair criticus Kees Fens’. Deze aanprijzing betreft iemand die enige klassieke boeken uit de neerlandistiek op zijn naam had staan, hoogleraar was geweest en onder meer de P.C.-Hooft-prijs gekregen had.

De literair criticus Fens kon soms nog hoffelijk zijn, indien teksten hem niet bevielen. Uit het postume De hemel is naar beneden gekomen (2010), met niet-gebundelde stukken uit de Volkskrant, is mij een bespreking van J.F. Vogelaars destructieve kritiekenboek Konfrontaties (1974) bijgebleven. Ze toont zich bijna vaderlijk geduldig, volgens mij omdat Fens in de hem zichtbaar onwelgevallige stukken een niet te ridiculiseren intelligentie proefde. Getuige een overzicht door Kusters van auteurs die Fens als jurylid heeft bekroond, is hij Vogelaar gunstig gezind gebleven.

Mij lijkt ook dat Asscher met de samenhangkarikatuur en de eigenschap van het mediterrane een lifestyle-versie gaf van ‘Repeterende breuken. Fragmenten over het fragmentarische’. Met dat genuanceerde, doodernstige essay schiep Vogelaar anno 1982 in Raster een min of meer onpersoonlijke denk- en kennismethode. Het einde van de grote verhalen, zoals afgekondigd door Jean-François Lyotard, was erin verwerkt. Bij Asscher gaat echter privé-genoegen gepaard met een kitteling van de geest. Dat zijn hart en hoofd niet langer dan een jaar zonder de Middellandse Zee kunnen, bekende hij in Dingenliefde. Die bundel uit 2002 lijkt een vertraagde echo van een succesvol Raster-nummer: het Vergeetwoordenboek uit 1992.

Zelfs al zou het ondenkbare waar zijn geweest en moest een boek voor Fens een begin, midden en een einde moeten hebben, dan zou hij eerst en vooral de ijdelheid van zulke termen hebben aangestipt. Hij is bij uitstek iemand geweest, die zijn onbegrip en onvermogen voor bepaalde teksten heeft gethematiseerd. Fens weet dat enerzijds aan de kracht van literatuur en relativeerde anderzijds de pretenties van geleerden die erover schrijven. In de emeritaatsjaren, meldt zijn biograaf, had Fens over hardcore postmoderne poëzie een methode van lezen uitgedokterd die ‘momenteel en opportunistisch’ heette.

Context

Nu appels toch in één mand verdwijnen met peren, is het misschien nog aardig Asscher te vergelijken met Fens. Om maar gelijk van het meest pijnlijke af te zijn, valt het standsverschil op. Uit de biografie van Kusters blijkt hoe Kees Fens, geboren in 1929, gebukt is gegaan onder zijn jeugd, waarbij zijn vaderloze gezin slechts kon bestaan bij de gratie van aalmoezen. De verhalen daarover zijn vervuld met socialistische woede en katholieke schaamte, maar Fens’ wedervaren is een imponerend voorbeeld van opwaartse mobiliteit. Hij heeft gepresteerd.

Maarten Asscher, geboren in 1957, vertelt zonder terughoudendheid geregeld over zijn bemiddelde familie, die verbluft door ruime intellectuele belangstelling, kunstzin en gretig natuurwetenschappelijk onderzoek. Hij heeft geconsolideerd. Behalve als uitgever werkte Asscher in de cultuurniche als ambtenaar en bestuurder. Momenteel is hij boekhandelsbaas. Feitelijk consolideert hij zijn kapitaal ook met de suggestie dat het Fens ontbrak aan joie de vivre.

Bij een aaneenschakeling van wetenswaardigheden, die glinsteren in de titel van zijn cursiefjesverzameling Bekentenissen van een nieuwsgierig mens (2008), verdwijnt bij Asscher vreemd genoeg dikwijls de context, of minstens een deel ervan. De eenentwintigste-eeuwse uomo universalis vervalt in heemkunde. Bepaald geen schande, afgezien van de wat andersoortige pretenties. Naar mijn overtuiging laat Asscher in zijn teksten proeven dat hij niet echt observeert, maar alleen naar zichzelf en zijn peergroup kijkt. De zelfverklaarde brede interesse krijgt daarmee proporties.

Is dat dan oer-Hollands? Een straf staaltje apolitieke blindheid dunkt me bijvoorbeeld Asschers karakteristiek van Multatuli als ‘de Vincent van Gogh van onze literatuur’. Mogelijk acht hij beide kunstenaars oprecht geniaal, maar dat ene idée reçue verwekt een tweede: dat ze buitenmaatschappelijke gekken zouden zijn. Ook vindt Asscher De aardappeleters ter karakterisering van de Nederlandse landsaard ‘te provinciaal’.

Hij signaleert verder dat koffie in de eenentwintigste eeuw op zijn retour zou zijn ten gunste van flesjes (vergader)water waar mensen voortdurend aan fröbelen. Asschers stelling ontbeert niet alleen bewijs, ze gaat ook voorbij aan zoiets simpels als een rookverbod op werkplekken uit 2003, waarna niemand meer wat in de handen kon houden om zich een houding te geven. Juist zulke details wasemde Fens uit. Door ampele citaten in zijn biografie, vooral uit wat hij onder het pseudoniem A.L. Boom publiceerde, blijkt ook de bedrevenheid om een context te schilderen en de psychologie eromheen schijnbaar moeiteloos te scheppen.

Gemeenschappelijk hebben de twee auteurs een grenzeloze eruditie. Misschien komt het daardoor dat ze beiden trekken vertonen van een tafelredenaar – Fens op zijn zwakste momenten, Asscher op zijn beste. Zo iemand entertaint beschaafd, voor een publiek van genodigden.

Onderhoudend

Wanneer Fens met zijn aforistische neigingen al te onderhoudend wordt, treedt er een zeker maniërisme in werking. Zijn zinnetjes hebben te veel plezier in zichzelf. Asscher neemt lezers volgens mij voor zich in, als hij onbedoeld zijn doelpubliek bevestigt. Zijn mededeling dat zijn kinderen ‘niet beter weten dan dat ze van jongs af aan in bad konden’, staat bijvoorbeeld in een fenomenologie van de Nederlandse badcultuur, waarbij hij louter badhuizen vergeet en zitbaden (en hamams).

Aandoenlijk is voorts Asschers klakkeloze mededeling dat hij:

verschillende stukken van de Amsterdamse hoofdgrachten goed [heeft] leren kennen, door er te wonen of te werken of door er regelmatig op kantoren of in woonhuizen van vrienden te komen.

Hier gaat het om wat wel De Grachtengordel heet, steens des aanstoots van menigeen die in ademnood raakt bij wetenswaardigheden over het cultuurbestel. Dit specifieke deel zou nooit verlegen zitten om subsidie, wereldvreemdheid, voorkeursbehandeling en meer dat de zogeheten Linkse Kerk wordt toebedicht. Het is overigens op de Keizersgracht dat Fens zijn laatste woning had.

De noeste mening staat Asscher het best. Minstens zo vilein als over Fens schrijft hij over de toenmalige prins Willem Alexander. Die zou volgens ‘een van zijn hoogleraren niet echt een intellectueel’ zijn, maar vanuit het watermanagement wel bovenlokaal nut hebben. De prins maakt ook ‘een verfrissend kosmopolitische indruk’, al spreekt hij in een soms ‘gratuite retoriek’ teksten uit die door anderen zijn geschreven.

Fens was hoogleraar, kenner van geleende taal. Hij poneerde. En Asscher is een intellectueel? Hij citeert in elk geval uit de beste bronnen, Peter Sloterdijk bijvoorbeeld met een ‘interessante beschouwing in de Neue Zürcher Zeitung’. Of heerst de triomf van de parafrase? De achteloze vermelding laat voelen hoe dun het ijs is waaronder Asschers mindere momenten stromen. Dan frappeert zijn ijver. De wetenswaardigheden worden feitjes (het woord ‘ook’ valt voortdurend): de tafelredenaar krijgt de functie van boekhouder.

Op zo’n moment springt Asschers fletse stijl in het oog: ‘Verdere uitbreidingen van het grondgebied van de haven staan voortdurend op het programma, onder meer in de vorm van een tweede Maasvlakte in de Noordzee’. Of is die taal studentikoos? Watertorens die een architect ‘vervaardigde, muntten uit door hun markante verschijning’. Misschien zoek ik vooral naar de correcte omschrijving, omdat de markantste zin van H2olland in de auteursinformatie te vinden valt – dat er tegelijkertijd een Duitse en Engelse versie van verscheen.

Uit Maarten Asschers imposante profiel op LinkedIn blijkt dat er ook een Engelse versie van Appels en peren uitkomt: Apples en Oranges. In Praise of Comparisions. Dit gaat geschieden bij een bedrijf uit San Francisco dat Four Winds Press heet. Juist van een publicist die dit beweert: ‘Bij storm of onweer moet er iemand zijn die preventieve maatregelen neemt om beschadiging van de molen te voorkomen.’ Over die omstandigheid had Fens een mooi stuk kunnen schrijven.

1 reacties

Het is begrijpelijk dat Marc Kregting op een website voor literaire kritiek vooral de aandacht richt op de literaire vergelijking. De bundel van Maarten Asscher gaat echter ook voor een aanzienlijk deel over historische vergelijkingen. Toen ik vernam dat Asscher een reeks beschouwingen had gebundeld over de historische vergelijking, was ik meteen geïnteresseerd. Hij heeft op dit punt namelijk een twijfelachtige reputatie. In 1999 vergeleek hij op televisie het asielbeleid van de Nederlandse overheid met de misdaden van Adolf Eichmann. Dat Asscher op dat moment als ambtenaar diezelfde overheid diende, was blijkbaar geen probleem voor hem.

Asscher werd overigens als ambtenaar benoemd in de tijd dat Aad Nuis nog staatssecretaris van Cultuur was. Het feit dat Nuis zijn boeken publiceerde bij Meulenhoff, waar Asscher vandaan kwam, zal daar ongetwijfeld bij geholpen hebben. Meulenhoff was onder meer de uitgever die in 1979 Nuis’ bedrieglijke boekje ‘Het monster in de huiskamer’ uitgaf waarin de inhoud van het RIOD-onderzoek naar de misdadiger Friedrich Weinreb stelselmatig verkeerd werd weergegeven. Dit dubieuze geschrift werd later overtuigend door het RIOD gefileerd.

‘Appels en peren’ bevat een waarderende beschouwing over Rudolph Cleveringa.  Wat Asscher in deze beschouwing niet vermeldt, is dat Cleveringa in het openbaar protesteerde tegen de memoires van Weinreb, die stijf stonden van de verdachtmakingen jegens volstrekt onschuldige mensen. De memoires verschenen bij Meulenhoff, met een nabeschouwing van Aad Nuis. In 1989, dertien jaar na de publicatie van het voor Weinreb vernietigende onderzoek van het RIOD, publiceerde Meulenhoff Weinrebs boek ‘De gevangenis’. Opnieuw werden de door Weinreb belasterde mensen voor nazi-meelopers uitgemaakt. Uitgever en verdediger van dit geschrift was niemand minder dan Maarten Asscher.

Uit de verantwoording bij ‘Appels en peren’ kan worden opgemaakt dat de beschouwing over Cleveringa een bewerking is van een rede die Asscher bij de Raad van State heeft uitgesproken ter herdenking van Cleveringa. Zo komen politieke contacten van pas. Op de lezer die op de hoogte is van de feiten, maakt Asschers beschouwing echter een onvolledige en zelfs onwaarachtige indruk.

Alles kan worden nagelezen in de studie ‘Onder een massa schijn bedolven’ die online voor iedereen toegankelijk is.

  • Door Pim Derks
  • gepost op
    03-10-2014, om 4:49:58

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?