cover big

De confessie van een countryfan

P.F. Thomése

Over Johnny Paycheck van Christophe Vekeman

De Arbeiderspers, Amsterdam, 2016,
ISBN 9789029510516 / 221p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 30-10-2016

Bookmark and Share

Een kunstenaar met een strafblad of een gekkenbriefje heeft een streepje voor. Hij heeft een grens overschreden en is terechtgekomen in een gebied waar de ongelofelijkste verhalen te halen zijn. De realiteit wordt te vaak binnen de lijntjes gekleurd, het zijn de onberedeneerde uitschieters die de memorabele ervaringen verschaffen. De kunstenaar die iets te vertellen wil hebben, permitteert zich een woester palet dan de heersende moraal redelijk en verstandig acht. Een goed verhaal begint niet zelden met het overtreden van de wet en het negeren van een grens.

Dan is Christophe Vekeman (1972) met countrycultheld Johnny Paycheck (1938-2003) aan het juiste adres. Zijn autobiografisch geïnspireerde monografie Johnny Paycheck is een ode aan deze minor legend uit Nashville en omstreken, die zijn grootste succes had met het blue collar anthemTake This Job And Shove It’ en die in het dagelijks leven een veroordeelde recidivist op het gebied van geweldsmisdrijven was – al zag de ervaren bajesklant zichzelf blijkens zijn songs veeleer als een slachtoffer van de romantische liefde.

Johnny Paychecks vocale oeuvre leest als de catalogus van een ontgoochelde. (‘I’d like to hide away from life, but there’s nowhere to run.’ – uit: Nowhere To Run.) Keer op keer werd hij naar eigen zeggen door vrouwen en vrienden bedrogen en de wereld van bars en motels ingejaagd, waar het, zoals bekend, wachten is op moeilijkheden. Paycheck behoort met zijn ongepolijste moraliteiten tot een richting binnen de countrymuziek die aanvankelijk Honky Tonk heette en tegenwoordig Outlaw wordt genoemd, en waar hij niet de enige veroordeelde crimineel is, al spant hij wel de kroon met – althans bewezen – één stevige mishandeling en één moord in de tweede graad. Ook qua gebruik van alcohol en zware ‘medicijnen’ behoort hij tot de serieuze figuren.

Het leven van Johnny Paycheck heeft legendarische allure en laat zich optekenen als een heerlijk vet aangezette countrysong, wat hij dan ook bij herhaling heeft gedaan. Leven en werk nemen bij hem daardoor deel aan dezelfde fictie. Of hij zijn songs zelf schreef of dat hij andermans werk vertolkte, maakt geen verschil: hij wordt, met zijn doorleefde timbre, vanzelf de personificatie van wat hij zingt. Vekeman is er, zoals hij onlangs nog in de ‘country & western’-roman Marie (2013) liet blijken, een heftig liefhebber van: zowel van het vet aanzetten als van het hartverscheurende verlangen naar authenticiteit (die, het moet erbij gezegd worden, dan helaas weer enkel in de idiootste clichés kan worden weergegeven). Liever dan schrijver was Christophe Vekeman countryzanger geweest, en meer precies: was hij Johnny Paycheck geweest.

Een beproefd element in een countrysong is – Vekeman past het zelf ook graag toe in zijn werk – de stereotypering. Net als de Romantische Beweging uit de negentiende eeuw is countrymuziek fundamenteel antimodernistisch. In countrysongs verandert nooit iets, het is de wereld die verandert. Een countrypersonage zoekt in een song de weg terug, terug in de tijd, toen de wereld nog was zoals zij nooit is geweest. Dit verlangen naar een in het verleden geprojecteerde simpelheid der dingen leidt tot een groteske voorstelling van zaken die zonder meer komisch genoemd mag worden. Ironie en zelfspot zijn in een countrysong een noodzakelijk antidotum voor een surplus aan melancholie, nostalgie en zelfmedelijden. Het is verdriet waar je vrolijk van wordt. Zie alleen al titels als ‘I’m The Only Hell (Mama Ever Raised)’. Of songlines als: ‘She’s got a drinking problem, and it’s me.’ Volgens een krantenbericht dat Vekeman aanhaalt, zouden countryliefhebbers gemiddeld minder zelfmoord plegen dan andere mensen – dankzij deze zelfrelativering, is zijn boodschap.

Johnny Paycheck wordt op de cover door Vekeman zelf aangeprezen als ‘een boek zoals je er nog nooit één hebt gelezen over een man van wie je nog nooit hebt gehoord’. Zoals in veel van zijn werk spreekt Vekeman hier direct tot de lezer, inderdaad, alsof hij een zanger op een podium is en zich in den blinde richt tot de duistere zaal. ‘Jawel, Christophe,’ roep ik daarom vanuit het donker in mijn eentje op goed geluk terug, ‘ik ken de ouwe Pay allang, maar een boek over hem heb ik nog nooit gelezen, want dat bestond nog niet, zelfs in de Verenigde Staten niet.’ Hij hoort mij niet, want hij heeft zijn boek al geschreven.

Het jijen en jouwen van de schrijver zal, beter dan als aanspreekvorm, opgevat kunnen worden als een stijlmiddel om intimiteit te veinzen. Die intimiteit heeft Vekeman nodig, omdat Johnny Paycheck in zekere zin een verdedigingsrede is, waarin hij eventuele tegensprekers probeert te overtuigen. Het verklaart ook de over elkaar heen buitelende en struikelende zinnen en bijzinnen, waarmee hij zijn argumenten, feiten, bewijzen, hypotheses en vermoedens op elkaar stapelt om in een onstuitbare woordenvloed zijn aanbedene aan ons op te dringen als een onvermijdelijke en onoverkomelijke grootheid. Hij wil aan de hand van zijn liefde voor leven en werk van Johnny Paycheck de lezer laten zien wie hij, Christophe Vekeman, is c.q. wie hij in lezersogen wil zijn: een literaire outlaw, een ontketende die nergens thuishoort en overal lak aan heeft. In die zin leest Johnny Paycheck als een bekentenis, een boek waarin de auteur zich eindelijk onomwonden uitspreekt en bevrijd weet. ‘Ik ben oud en jong genoeg om te doen wat ik wil, ik doe wat ik wil,’ staat er ergens.

Countrymuziek is muziek die aan de niet-ingewijde moet worden uitgelegd, en dat is wat Vekeman in Johnny Paycheck doet. Hij legt deze muzieksoort uit en verklaart daarmee zichzelf en dat doet hij met name door zich te presenteren als iemand die hij zou willen zijn. Zijn schrijversgestalte is een wensgestalte, en die gestalte spiegelt zich aan de bewonderde countryster die hij zich al schrijvende toe-eigent. Vekeman is in Johnny Paycheck de ultieme fan, dat wil zeggen de aanbidder die het beter weet dan zijn idool, die zijn idool als het ware bezielt en het leven geeft, zoals het ook de evangelist is die de messias bestaansrecht geeft. Het is de verhouding auteur-personage, waarbij de dienende, de auteur, uiteindelijk almachtig heerst over de veronderstelde held.

Op weg naar zijn zelfverwezenlijking schenkt de auteur ons gelukkig af en toe fraaie inkijkjes in het vocale levenswerk van Johnny Paycheck en vele van zijn voorgangers en geestverwanten. De hele outlaw- annex honky tonk-familie wordt aan ons voorgesteld: van founding fathers als Jimmy Rodgers, Hank Williams en Lefty Frizzell tot aan George Jones, Merle Haggard, Waylon Jennings, Willie Nelson (de laatste living legend) en David Allan Coe. Hij brengt een ode aan de steel guitar, en met name aan Lloyd Green, want de steel is de ziel van de countrymuziek. Er worden veel songs genoemd en ontleed, en wel op zo’n enthousiaste wijze dat je meteen zin krijgt ze weer te beluisteren, uit de eigen analoge collectie of anders digitaal op Spotify of op YouTube, want alle muziek is tegenwoordig van iedereen. Vekemans voorkeur gaat uit naar de vroege periode, die – naar de naam van het platenlabel – bekend is komen te staan als de Little Darlin’-jaren. Het was de tijd voor zijn eerste detentie, toen hij als vloeiende country crooner met zijn glissandi niet onderdeed voor een grootheid als Johnny Bush. Paychecks stem was in die beginperiode nog lang niet zo gruizig en doorleefd als in de jaren daarna, toen zijn werk bij Epic Records verscheen en hij zijn enige epische hit scoorde met ‘Take This Job And Shove It’.

Door Vekemans onvermoeibare uitweidingen en loftuitingen groeit zijn Johnny Paycheck uit tot een aantrekkelijke inleiding tout court tot deze zich graag als onderschat voordoende muziekvorm waarin de loser centraal staat, de man die het moet zien te maken in een wereld die niet deugt. Compleet is Johnny Paycheck in deze zin zeker niet, er staat meer niet in dan wel, maar dat geeft niet, zo’n boek is het ook niet.

Wat het dan wel is, blijkt pas goed aan het slot. Daar laat Vekeman alle ironie varen en bekent hij als volbloed gelovige:

Countrymuziek moge dus uitstekend kunnen dienen om er voor je plezier naar te luisteren, dat mag inmiddels hopelijk duidelijk wezen, maar voor althans sommige mensen is het althans soms ook nog iets anders, namelijk niets minder dan een noodzakelijkheid. En tot die sommigen reken ik ook mezelf. Zonder mijn countryplatenkast zou ik oneindig veel ongelukkiger zijn, en wat mijn bibliotheek aangaat: de boeken die mij heden het liefst zijn gaan over country.

De auteur doet wat hij wil en schrijft, god en gebod negerend, zijn eigen lievelingsboek, daar komt het op neer. Een biografie is het niet geworden, een autobiografie evenmin, daarvoor gaat het dan weer te veel over Paycheck. Een fanboek komt dichter in de buurt – maar dat klinkt zo infantiel. De biecht van een gelovige, misschien? Ja, dat is het: een confessie. Het is een geloofsbelijdenis. Paycheck noemt zoiets – veel mooier natuurlijk – een outlaw’s prayer. Het gebed van een verstotene. Laten we het daar op houden. Heeft die boef toch het laatste woord.

 

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?