cover big

De geledingen van de duisternis

Hans Groenewegen

Over De schuur in van Marije Langelaar

Arbeiderspers, Amsterdam, 2009,
ISBN 978 90 295 71821 / 72p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 19-02-2010

Bookmark and Share

Het debuut van Marije Langelaar herinnerde ik mij als een lichte, vrolijk stemmende bundel. De beeldspraak in De rivier als vlakte ervoer ik zeven jaar geleden als verrassend en vrijmoedig; de taal als tegelijkertijd heel precies en heel uitbundig. Omdat ik sprankelende liefdespoëzie had gelezen, raadde ik de bundel een vriend aan. Stevig tedere gedichten, zei ik, die zowel de liefde als de poëzie begerenswaardig maken. Hij bevestigde na lezing dat beeld.

We waren niet de enigen. De recensenten ontvingen Langelaars werk met lof, en toonden zich net zo aangenaam getroffen als wij beiden. Rob Schouten bijvoorbeeld kwalificeert de gedichten als ‘paradijselijke poëzie’. En hij vervolgt: ‘ze zit vol aangename luchtjes en liefdes maar ze is ook schaamteloos. En wie in het paradijs zit, wil nu eenmaal niks anders. Dus geen wroetende filosofie en psychologie, geen duister taalspel of lyrisch trapezewerk. Maar wel gedichten vol poëtische verrukking, waarin gevoeligheid en kitsch ongestoord naast elkaar grazen’.

Schok

Nu heeft Marije Langelaar haar tweede bundel gepubliceerd. De schuur in schokt me. Dat komt onder andere omdat hij verschillende gradaties van geweld in de gangbare relaties tussen mannen en vrouwen en tussen ouders en kinderen in taal ervaarbaar maakt. Langelaar brengt in beknopte zinnen en ellipsen woorden samen die bij elkaar betekenissen activeren die ze gewoonlijk niet hebben. Ze versterkt dat mechanisme door zinsdelen in verschillende zinnen tegelijk te laten functioneren. Bij herlezing blijkt er in heel wat gedichten niet te staan wat ik dacht dat er stond. Als ik lees wat er wel staat, wordt het steeds onveiliger. Veel woorden, beelden en situaties gaan meer betekenen dan ik altijd heb gedacht, en vooral iets anders wat ongemakkelijker is.

Hoe ver die ervaring reikt, merkte ik toen ik, gesensibiliseerd door de gedichten van De schuur in, Langelaars debuutbundel opnieuw las. Het contrast tussen de twee bundels was heel wat minder groot dan ik verwachtte. De schaamteloosheid was minder in de poëzie te vinden dan in mijn herinnering eraan. Er is in De rivier als vlakte veel sprake van licht, schittering en glans, maar bijna even vaak van duister en donker. Een glanzend oppervlak kan net zo goed een belofte verbergen als een dreiging. De idylle, ‘de poëtische verrukking’ en de ‘vrouwelijke sensibiliteit’ die ik en mijn mannelijke collega-recensenten in het debuut lazen, was eerder onze projectie dan dichterlijke werkelijkheid. Neem het volgende titelloze gedicht:

Hier in dit weiland ben ik voor het eerst gekust
ik zag de hekken over zijn schouder
ik zag de tapijten van gewassen

Een vos ontsprong zijn duister hol
de takken klonken tegen elkander

Maar toen ik mij los wou maken
om dat te vertellen beet hij mij

Hij zei mijn liefste
zullen wij trouwen

Hetzelfde bedrog als de merels die
‘s avonds op het vlies van de aarde stampen
wachtend op de dood van de dorstige prooi

Bij de eerste regel had ik destijds al gealarmeerd moeten zijn. De vertelster is niet actief bij het kussen betrokken, ze ís gekust. De twee volgende regels versterken het beeld van passiviteit. Ze houdt haar ogen open. Zo treedt ze als het ware uit de omhelzing en houdt zich met haar gedachten elders op. Deze beweging valt me nu op omdat dergelijke situaties van wat je uittreding zou kunnen noemen in De schuur in veelvuldig voorkomen. Het lichaam verricht dan handelingen en dat handelend lichaam wordt door de vertelster van buitenaf, zonder innerlijke deelname waargenomen. Extreem gebeurt dat in ‘Het zitten’, in een formulering die zowel beschrijving als voorschrift is: ‘Het lichaam gaat zitten / knieën buigen naar voren hellen / rug tegen de leuning klemmen / blik voorwaarts richten’.

De tweede strofe van het gedicht uit De rivier als vlakte klinkt al sinister vanwege de concentratie van korte o’s. Door voor het wat plechtige ‘elkander’ te kiezen in plaats van het gebruikelijke ‘elkaar’ houdt Langelaar met de korte a’s ook de tweede regel gedrongen. Het beeld roept allereerst dreiging op. De vos is een rover. Het ontspringen wijst op een onverwacht verschijnen. Tegelijk is door hetzelfde woord duisternis de kern van zijn bestaan. Het duister brengt hem voort. Wat de dreiging inhoudt, blijft nog open. De verwijzing naar het geluid van de takken zou nog een idyllisch natuurbeeld bij de lezer hebben kunnen oproepen. Maar met De schuur in in het hoofd kost dat moeite. Daar komen verstrengelde en langs elkaar schurende takken voor als equivalent van de verwurgende omstrengeling waarin man en vrouw elkaar kunnen houden. Zo zijn er meer beelden, woorden en situaties die in beide bundels voorkomen. Het gebruik ervan in de tweede bundel, maakt gevoelig voor extra betekenissen in de eerste.

De derde strofe geeft aan de beide voorgaande nieuwe betekenissen. Zij doet dat niet door eenduidige verbanden te leggen, die een rechtlijnige anekdote zichtbaar maken. De beelden blijven zelfstandig functioneren. Er ontstaat echter tussen hen een suggestieve ruimte waarin de lezer weliswaar verhalen kan projecteren, maar niet eenduidig kan reconstrueren. De hekken uit de eerste strofe blijken niet alleen tot het landelijk decor van de eerste kus te horen. Ze kondigen de gevangenschap aan, waaruit de vertelster zich niet los kan maken. Het is vervolgens niet uit te maken wie er bijt, de vos of de kussende jongen. Ze gaan daardoor bij elkaar horen. De suggestie dat de vos een lul is, hangt in de lucht. Bijten is op zich al agressie. Mogelijk verbergt het woord daarbij nog de betekenis van verkrachting. Die gedachte wordt versterkt door de ongebruikelijke aanduiding in de ook al sinistere vierde strofe, van het oppervlak van de aarde als vlies.

Duister taalspel vind ik dit allemaal niet. Wel is het een gebruik van taal dat mij verduistert. Het gedicht sluit mijn oorspronkelijke misverstand in. Ik las het zeven jaar geleden vanuit mijn perspectief en herinneringen. Ik las het als stond er: ‘Hier in dit weiland heb ik voor het eerst gekust’. Voor de jongen in het gedicht is het weiland het paradijs. Hij wil zijn idylle verzilveren en zijn toegeëigende bezit – ‘mijn liefste’ – in een huwelijk vastleggen. Ook de tapijten uit de eerste strofe lichten daarbij op. Ze kondigen de implementatie van het gezegde huisje, boompje, beestje aan. Dit gedicht legt van die spreekwoordelijke gezapigheid de gewelddadigheid bloot: gevangenschap, wringende takken als teken van belemmerde ontplooiing, het duistere beest van de mannelijke seksualiteit.

Onveilige schuilplaats

De schuur in is een nog intensievere verkenning van de geledingen van de duisternis. De formulering ‘de schuur in’ komt enkele keren in de bundel voor. Soms lijkt de schuur een schuilplaats voor een groot gevaar. Maar ze is zelf geen veilige. Ze is een bergplaats voor onaangename herinneringen aan gebeurtenissen die verwant zijn aan die in het gedicht uit De rivier als vlakte. Dat komt naar voren uit het gedicht ‘Schuur’. Ook een deel van de daarin gebruikte beeldspraak komt met die van dat titelloze gedicht overeen. Wat daarin alleen akoestisch is aangeduid is in ‘Schuur’ een vegetatieve beeldspraak voor moeizaam en onaangenaam lichamelijk contact:

Deze herinnering kwam
op als een drenkeling
ik reanimeerde hard als een
wilde verpleegster
raakte in de war met stengels en knopen

hij ademde schuchter
ik keek in de ogen
klopte de rug

heldere beelding
jij en ik
scheel van de wind
klemmen en steken
schavende takken

terug in de groep
pijn tussen de benen
het luide klappen

Er zitten nogal wat tegenstrijdige bewegingen in de betekenismuziek, zoals Nachoem Wijnberg het ooit noemde. De verpleegster reanimeert de drenkeling op zo’n manier dat je even voor zijn leven vreest. Hij is dan ook een onaangename onwillekeurige herinnering. Doordat de herinnering gepersonifieerd wordt als drenkeling, schuift ze ineen met één van het herinnerde duo ‘jij en ik’. Het in ‘de war’ raken met de ‘stengels en knopen’ van de drenkeling/herinnering schuift op eenzelfde manier in de vegetatieve verbeelding van de herinnerde gebeurtenis. Herinneren wordt herbeleven.

‘Heldere beelding’, zo begint het tweede deel van het gedicht. Het enige heldere aan het vervolg is de regel ‘jij en ik’. Wat volgt zijn duistere fragmenten van een evidente gewelddadigheid. De lacunes daartussen vul ik ongaarne met verhaalelementen op omdat mijn verbeelding mij dan medeplichtig lijkt te maken. Het gedicht stelt zelf in de slotstrofe de medeplichtigheid aan de orde. Er heeft zich iets buiten de kring afgespeeld, maar niet buiten medeweten van de groep. De laatste regel getuigt van instemming, van medewerking wellicht. De tweede mededelingen over de groep omklemmen de individuele ervaring van pijn, die herinnert aan wat opgaat in de vegetatieve beeldspraak van de vorige strofe.

Ready mades

Marije Langelaar laat er in De schuur in geen misverstand over bestaan dat gedichten zich in de taal afspelen en betekenissen produceren. Ze doen dat ingebed in de taal die we dagelijks bezigen. Dat is hun verbinding met het leven.

Langelaar begint elk van de drie afdeling met een ready made waarmee ze laat zien hoe de taal van haar gedichten eerder is gebruikt. Daarmee zet ze de eerste betekenislijnen van die afdeling uit. De eerste afdeling wordt voorafgegaan door een compilatie van fragmenten uit Middeleeuwse teksten. Daarin worden de functie van lichaamsdelen en organen beschreven: ‘De borst is de woning van de hitte en groeikracht. / De longen zijn de blaasbalg van het hart. / De milt is het instrument van de lach.’ Wij zijn zo gewend ons zelfbeeld te vormen naar de psychologische ficties die in de moderniteit zijn uitgedacht, dat deze in de twaalfde eeuw volstrekt normale manier van zelfdefiniëring ons nu vreemd voorkomt. Een vergelijkbare vreemdheid zoekt Langelaar in haar beschrijving. Ik noemde al de uittreding. Daarnaast spreekt ze over de onderdelen van het lichaam alsof het zelfstandige entiteiten zijn. Soms zijn ze gepersonifieerd. Soms zijn ze tot ding gemaakt. Het sprekend ik is niet langer het coherente centrum waarin alle gewaarwordingen samensmelten. Eerder is het een prisma dat de betekenissen van woorden en beelden in velerlei betekenisnuances uiteenlegt.

Aan de tweede afdeling gaan onder de titel ‘vrouw’ drie opsommingen vooraf, die zijn samengesteld uit zoekresultaten uit een database van de Groninger universiteit. De eerste bestaat uit ‘werkwoorden waarmee vrouw als lijdend voorwerp geassocieerd is’, de tweede uit ‘werkwoorden waarmee vrouw als onderwerp geassocieerd is’, en de derde uit ‘met vrouw’ geassocieerde bijvoeglijk naamwoorden. De derde afdeling begint met een vergelijkbare tekst, maar dan zijn het werkwoorden en bijvoeglijke naamwoorden waarmee ‘man geassocieerd is’.

Als lijdend voorwerp wordt ‘vrouw’ het meest geassocieerd met al dan niet seksueel bepaald geweld. De woorden trouwen en beminnen staan er vergiftigd, verbitterd of als lichtpunten bij. ‘man’ als lijdend voorwerp wordt hier geassocieerd met militair, politiek en politioneel geweld.

Als onderwerp is ‘vrouw’ verbonden met inperking, deemoedigheid en de lichamelijke geplogenheden. Bij ‘man’ zijn het vooral de actieve kanten geweld, aangevuld met relationeel geweld. ‘heb lief’ klinkt het eenmaal in dat deprimerende rijtje. Bij de bijvoeglijke naamwoorden kiest Langelaar voor het brede gecompliceerde spectrum, waarin normaliteiten en extremiteiten onscheidbaar, ononderscheidbaar soms, met elkaar zijn verweven.

In groepen

‘Schuur’ is het tweede gedicht uit de afdeling ‘vrouw’. Het laat goed zien hoe de individuele gedichten betekenis geven en verlenen aan het maatschappelijke taalbeeld dat door de ready made daarvoor is opgeroepen. Dat gebeurt in beide afdelingen in gelijke mate.

De slotstrofe van ‘Schuur’ maakt opmerkzaam op verschillen in de vertelbeweging tussen de afdeling ‘man’ en ‘vrouw’. In de strofe daarvoor is er nog nadrukkelijk sprake van ‘jij en ik’. Hier zijn de persoonvormen weggelaten. De groep slokt letterlijk de persoonlijkheid op. Die spanning tussen individu en groepsgeweld is terug te vinden tussen de beide afdelingen.

De afdeling ‘vrouw’ kiest in het eerste gedicht de eerste persoon meervoud om subtiel geweld tussen vrouwen onderling te beschrijven. De volgende gedichten zijn vanuit de eerste persoon geschreven. Ze doorlopen de stadia van puberteit, zwangerschap, kindertijd, puberteit, zonder dat die stadia overigens te herleiden zijn tot de levensloop van één personage.

Van de dertien gedichten van de afdeling ‘man’ zijn er negen vanuit een groepsidentiteit verteld: ‘Rovers’, ‘Jutters’, ‘Polderjongens’, naamloze gedichten. Als er dan een ik het woord neemt, komt hij terug van zo’n mannelijke groepsactiviteit als het soldatenleven en probeert zijn eenzaamheid op een eigen manier op te heffen, misschien door plant te worden:

thuis houd ik mijn hand langdurig vast
in mijn hoofd groeit een tak en vertakt

Zou het bespreken van poëzie ook zo’n mannelijke groepsactiviteit zijn? Er kan geweld vanuit gaan, blijkt als je niet alleen vluchtig je ogen over de regels laat gaan, maar blijft lezen wat er in de poëzie van Marije Langelaar staat.

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?