cover big

Een existentiële foxtrot

Ignaas Devisch

Over Dans dans dans van Haruki Murakami

Vertaald uit het Japans door Luk van Haute

Atlas, Amsterdam / Antwerpen, 2008,
ISBN 978 90 450 0653 6 / 470p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 25-08-2009

Bookmark and Share

Geld moet stromen, zo wil het gezegde. En stromen doet het in de hyperkapitalistische samenleving van Dans, dans, dans. Geld bepaalt de stoet van ons bestaan. Alle existentiële behoeften blijken louter boekhoudkundige aangelegenheden: eten, drinken, seks met een vrouw, het valt allemaal ‘op een wonderbaarlijke manier onder “representatiekosten”’. En of die wereld geweldig is! Welke wereld? ‘De hyperkapitalistische samenleving.’

Niet enkel geld stroomt in Dans, dans, dans. Alles lijkt te zijn opgenomen in een metafysische cashflow, een existentiële foxtrot waarvan niemand echt de touwtjes in handen heeft, althans niet bewust. Zoals in al zijn verhalen, laat Haruki Murakami ook nu – hoewel, wat heet nu: de roman is oorspronkelijk in 1988 gepubliceerd – zijn personages zoeken naar verbindingen die zich ergens halverwege tussen deze en andere werelden bevinden. Die verbindingen tekenen hen, markeren hen, bepalen hun levensloop: ‘Dit is mijn leven. Mijn bestaan. Een aanhangsel van het werkelijke wezen dat ik ben. Een handjevol omstandigheden, zaken, toestanden die, hoewel ik me niet meteen herinner er toestemming voor te hebben gegeven, onopgemerkt mijn eigenschappen zijn gaan uitmaken.’

Zij verrichten handelingen, er gebeuren zaken, maar wie of wat er de oorzaak van is en welke richting het allemaal uitgaat, dat blijft veelal onduidelijk. Immers, deze tijd, de tijd van het hyperkapitalisme, is niet zozeer de tijd van het systeem, maar van verbindingen of netwerken, van uitwisselingen en vervloeiingen. In die wereld valt niet langer een duidelijk onderscheid te maken tussen goed en kwaad; daarvoor is ze ‘te subtiel’ geworden: ‘“In 1969 dacht ik er anders over, maar toen was de wereld nog simpel. Een mens kon aan zelfexpressie doen, gewoon door stenen te gooien naar de oproerpolitie. In die zin was het een goeie tijd. Maar wie kon er nu nog stenen gooien naar de politie, met al die subtiele filosofie.”’

De tijd van de systemen mag dan voorbij zijn, doorheen de liefde, de verbinding en het verlies, het gehecht en onthecht zijn, het leven en de dood, blijven de figuren in Murakami’s wereld elkaar ontmoeten. Verkeringen, vrijages, vriendschappen, niets lijken zij zelf te kiezen: ‘“Het is een uitgemaakte zaak. Daarom kan ik het alleen maar zo uitdrukken. Het is geen kwestie van het goed aanpakken of niet. Jij en ik zullen met elkaar naar bed gaan. Dat staat al vast.”’

Alle personages zijn op een vreemde manier voortdurend ergens toe gedwongen of in voorzien, maar nooit komt die dwang van binnenuit. De dwang is extern en plaatst de karakters in een niet-aflatende heteronomie. Alleen dan zijn zij in staat hun leven te leiden en te lijden. Want zoveel is duidelijk: alle personages lijden aan iets en zijn verward, tenzij ze – zoals ‘de schrijver van flutboeken Hiraku Makimura’ – aan het membraan van de oppervlakte leven en tot nauwelijks meer in staat zijn dan mee te trillen met de sonore vibraties ervan. Toch zijn de inwoners van Murakami-land niet zonder meer wanhopig. Ze ervaren geluk, soms zijn ze hoopvol, verlangen ze naar iets, verdwalen ze in elkaars hoofden, of raken hun lijven met elkaar verstrengeld. Kortom, ze leven en dus gaan ze vroeg of laat ook dood.

Murakami’s personages zijn acteurs in een wereld waarvan de structuur principieel aan hen ontsnapt, maar die hen niettemin in staat stelt te leven. De verwarring waaraan ze ten prooi zijn gevallen, is constitutief voor hun bestaan: zonder verwarring geen existentie. Is dat niet wat Murakami ons boek na boek onder de neus wil wrijven: het leven in een tijd als de onze, ‘met al die subtiele filosofie’, is principieel gebrouilleerd en kan alleen vanuit een ‘constitutieve verwarring’ tot stand komen?

Op het moment dat de personages de wereld van Murakami binnenstappen, raakt hun alledaagse orde verstoord, of liever, worden zij zich bewust van het inherent verwarrende van die alledaagsheid. Vaak doen ze niet meer dan zomaar leven of zin zoeken, maar dan met een intensiteit die ze verschroeit. Ze eten, drinken, praten, zoeken en beleven (on-)lust. Door de alledaagse existentie intenser te beleven, door ‘werelds’ te zijn, raken ze vervreemd van hun omgeving. De vertrouwde omgeving wordt hun buitenwereld. Ze houden op met werken, laten hun vertrouwde levensloop voor wat die is en gaan op zoek naar het juiste ritme van hun existentiële foxtrot: ‘Je moet dansen, blijven dansen. Je mag je niet afvragen waarom je danst.’

In Murakami’s universum hebben de personages vaak al een heel leven achter de rug, een leven waarop ze meestal niet trots zijn. Die orde stokt als de figuren deel uitmaken van de ‘gebeurtenissen’, ‘netwerken’ of ‘verbindingen’. Ook in Dans, dans, dans ontstaat een maalstroom aan gebeurtenissen en telkens opnieuw komen mensen – maar zijn het eigenlijk wel mensen? zijn ze levend of dood? dat is moeilijk uit te maken – met bijzondere gaven de wereldse orde van de empirie verstoren met een illuminatio uit een andere wereld, zij het dat die verlichting nauwelijks verhelderend inwerkt. Integendeel, als er ‘verbinding is gemaakt’, verloopt niets nog zoals verwacht: mensen verdwijnen, krijgen visioenen die hangen tussen droom en daad, worden gemarkeerd door onverklaarbare fysieke merktekens.

Door hun verbinding worden de tentakels van alle personages wel gevoeliger: ze voelen zaken anders aan, ze horen en zien dingen die de empirische orde overstijgen. Ze voelen iets: ‘“Het is een heel bijzonder gevoel […] die… buitenzintuiglijke ervaring.”’ Deze ‘andere orde’ die de ons vertrouwde wereld aanstuurt en het onverklaarbare ‘verklaart’, is niet zozeer een valse wereld waar we van af moeten, maar de echte wereld met de verbanden en structuren van de stroom der dingen waarnaar de personages op zoek zijn, en ergens onderweg in die zoektocht zichzelf verliezen.

Bijgevolg is het empirische nooit zonder meer een leidraad voor ons handelen. Niet dat alles schijn is en het empirische ons bedriegt, waardoor we pas naderhand in staat zouden zijn om de echte wereld achter de schijngordijnen van onze zintuigen te ontwaren. Dergelijke ‘platoonse’ opposities zijn in Murakami’s universum niet langer van tel, ook al lijkt de wereld die de onze fundamenteel bepaalt, veel op Plato’s Vormenwereld waarin alle dingen zich in hun echte gedaante, hun essentie voordoen. Ook Plato’s leer dat bij de geboorte, de ziel zich in de kerker van het lichaam stort, daardoor zijn kennis van de Vormenwereld vergeet en deze zich pas naderhand via aanschouwing ‘anamnetisch’ kan herinneren, lijkt goed toepasbaar op Murakami’s gefabuleerde wereld. Pas vanuit hun dromen herinneren de personages zich dingen die ogenschijnlijk echt zijn gebeurd, maar in de gewone wereld met een wazige nevel omhuld blijven.

Murakami is niet de schrijver die ons van een bedrieglijke schijnwereld wil redden. Schijn en werkelijkheid gaan onverdroten samen. Ook in Dans, dans, dans is het niet duidelijk wat het onderscheid is tussen binnen en buiten, autonoom en heteronoom, verleden en toekomst, echt en vals. ‘Met al die subtiele filosofie’ is de platoonse wereld heel ver weg; er is een voortdurend komen en gaan van mensen die van elkaar verschillen maar ook op elkaar lijken; zij verschijnen en verdwijnen, maar laten in de ‘flow’, in de stroom van de dingen, dezelfde sporen achter, ze geven dezelfde telefoonnummers door waarop ze even onbereikbaar blijven, ze verdwijnen op een vergelijkbare en vooral ook raadselachtige manier. Met die tekens moeten de anderen, de zoekenden, het stellen. Terwijl ze dansen en zich niet hoeven af te vragen wat het nut ervan is of in welke cadans die dans moet verlopen, moeten zij verder gaan: ‘“Onlangs dwaalde ik nog doelloos door de ondergesneeuwde straten van Sapporo, en nu lag ik op een strand in Honolulu naar de hemel te kijken. Dat noemde men de loop der dingen. Ik vormde een lijn door de stippen met elkaar te verbinden, en dit was het resultaat. Ik had gedanst op de muziek en zo was ik hier beland. Zou ik dansen volgens de regelen der kunst?”’

Dans, dans, dans getuigt bovenal van metafysisch gesproken verwarrende tijden: ‘tijdenruimtezijnindewar’, of ook: ‘De plaats waar we staan was niet de plaats waar we stonden’. Indien tijd en ruimte in de war zijn, is nog maar weinig met zekerheid te zeggen of vast te stellen. Zo zegt Gotanda tot het naamloze hoofdpersonage: ‘“Ik kan het niet met zekerheid zeggen. Dat klinkt stom hé. Maar toch is het zo. Ik weet het niet zeker. Ik heb het gevoel dat ik Kiki gewurgd heb. Ik heb haar bij mij thuis de keel dichtgeknepen. Aan die indruk kan ik me althans niet onttrekken.”’

Zelfs al hebben we dingen gedaan, we herinneren het ons maar vaag. Hoe te functioneren in een wereld waarin de daden die je stelde niet langer zeker zijn en degene die je nog stellen moet, in feite al vastliggen? Indien moord nog slechts een indruk wordt waarvan niemand nog met zekerheid de tekens met elkaar in verband kan brengen, wat dan? Is dan niet de waarheid als zodanig ‘geïmplodeerd’, om met Jean Baudrillard te spreken? Zijn we dan niet overgeleverd aan de permanente existentiële zoektocht, aan het zoeken naar de zin van gebeurtenissen die finaal gezien ons telkens ontglippen? Indien ‘na vijfentwintig eenenzeventig komt’, waarom je dan nog houden aan de ‘tafels der vermenigvuldiging’, om het twintigste-eeuws uit te drukken?

Zijn er gemakkelijke conclusies te trekken uit dit alles? Natuurlijk. Ik geef er twee: ofwel is de wereld een existentiële woestenij waarvan de tekens, de zin en de waarheid ons hopeloos duister blijven; ofwel heeft alles voortaan zin en betekenis en kunnen enkel zij die bijzondere gaven hebben ontwikkeld, deze zin blootleggen. Makkelijk, al te makkelijk. En om het luie cliché te snel af te zijn: gesteld dat deze twee uitersten niet kloppen, waarom zou de waarheid alweer in het midden daarvan moeten liggen? Wat indien zowel de waarheid als haar midden ons niet langer gratuit is gegeven? Wat indien we moeten zoeken maar nooit de ultieme betekenis van de dingen kunnen ontwaren, maakt dat niet bij uitstek onze hedendaagse conditie uit? In een tijd waarin de overkoepelende waarheid van de wereld verbrokkeld lijkt, maar we niettemin niet anders kunnen dan doen alsof er nog een waarheid aan het werk is, wat zou er ons dan te doen staan, tenzij te dansen op een cadans die onzeker is en niet langer gefundeerd in een metafysische oorzaak of uitkomst? En of dit alles hopeloos is? De personages in Murakami-land hebben het lastig, maar uiteindelijk beredderen ze zichzelf, ook al blijven ze principieel en melancholisch op zoek naar datgene wat in die eenvoudige maar vergane wereld van systemen, van schijn of werkelijkheid, van goed of kwaad, als vanzelfsprekend voorhanden was. Maar hopeloos – nee, dat niet.

We dansen een existentiële foxtrot – ‘Mondrians’ foxtrot? –, we zoeken naar het ritme van wat op ons afkomt, we dansen een dans, vibreren een ritme, schurken aan tegen een lijf en de lust, terwijl er aan het eind van de wereld dingen lijken af te vallen; aan de rand tuimelen de betekenissen naar beneden. Kortom, is met Murakami de aarde niet weer bijzonder plat geworden?

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?