cover big

Een kluwen van vertelslangen

Jan H. Mysjkin

Over Het boek der fluisteringen van Varujan Vosganian (vert. Jan Willem Bos)

Uitgeverij Pegasus, Amsterdam, 2016,
ISBN 9789061434054 / 423p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 22-04-2017

Bookmark and Share

Eén van de gevleugelde uitspraken van Marcel Proust luidt dat ‘ieder mens een roman in zich meedraagt, maar hij moet hem durven neer te schrijven’. Cartea şoaptelor (Het boek der fluisteringen uit 2009) van Varujan Vosganian (1958), een Roemeense schrijver van Armeense afkomst, is zo’n roman.

Het boek leest als een familiekroniek die rustig begint met herinneringen van de verteller aan de dorpsstraat van zijn kinderjaren in het Moldavische stadje Focşani – om al snel over te gaan tot de herinneringen die de ‘oude Armeniërs’ fluisterend overdroegen.

De centrale verteller is de opa van de auteur, Garabet Vosganian, die zowel op de cover van het origineel als op die van het twintigtal vertalingen middels een familiekiekje is afgebeeld. Door het kiekje nadrukkelijk op de voorplat te plaatsen suggereert de auteur dat alles wat hij in het boek vertelt ‘waar’ is, althans dat de fluisteringen die zijn oor heeft opgevangen waarheidsgetrouw zijn opgetekend – of de fluisteraar de waarheid heeft verteld is een ander chapiter. In de woorden van de verteller:

In Het boek der fluisteringen komen geen verzonnen personages voor, ze hebben immers allemaal op deze wereld geleefd, op hun eigen plaats, in hun eigen tijd en met hun eigen naam.

De fluisteringen van de oude Armeniërs verhalen van de kleine eeuw vervolgingen en deportaties waarvan hun volk het slachtoffer werd, vanaf de genocide onder het Ottomaanse rijk (een eerste maal in 1895, een tweede maal in 1915), tot de valse hoop op herstel van Armenië die de nazi’s hen voorspiegelde (wat eindigde met de ondergang van het Armeense Legioen in Stalingrad), de repatriëring naar Sovjet-Armenië (die uitliep op deportatie naar Siberië), de alomtegenwoordige terreur tijdens het communistische Roemenië en de vlucht van talrijke Armeniërs naar West-Europa, Zuid-Amerika en de Verenigde Staten. In Turkije en de Sovjet-Unie, die delen van Armenië had geannexeerd, waren ze ongewenst.

In Roemenië kregen ze, zoals de rest van de bevolking overigens, te maken met autoritaire regimes van zowel rechtse als linkse signatuur. ‘Ik heb zoveel oorlogen meegemaakt, dat ik het beu ben,’ zegt Krikor Misanian, één van de oude Armeniërs. ‘Als we de gardisten en de communisten ook nog meetellen, is het echt te veel van het goede’. Hoewel de geschiedenis van de Armeniërs het hoofdonderwerp van dit boek is, is het daarom nog geen historisch relaas.

‘Alle personages in dit boek hebben echt bestaan, inclusief hun echte namen. Dat is ook waar voor alle gebeurtenissen die erin worden vermeld,’ verklaarde Vosganian in een interview naar aanleiding van de Hebreeuwse vertaling. Maar:

het is een roman, geen geschiedenisboek. Omdat het niet enkel vertelt over dingen die gebeurden, maar over wat mensen wilden zien gebeuren, over hun vertwijfelingen en verwachtingen. De beschrijving van de gruweldaden is gebaseerd op getuigenissen van mensen die erbij zijn geweest, op documenten uit die tijd en herinneringen van mijn familie.

In een roman die uitdrukkelijk verwijst naar historische personen en gebeurtenissen, alsook naar reële plaatsen, is hier en daar een voetnoot onvermijdelijk. De voetnoten zijn echter summier gehouden, precies wat nodig is voor een goed begrip van de tekst, zonder vertoon van eruditie. Soms heeft Jan Willem Bos (1954) handig een voetnoot vermeden, bijvoorbeeld, wanneer het origineel het heeft over de ‘DCA, adică depozitul de colectări şi achiziţii’ houdt de vertaling de verklaring binnen de tekst: ‘DII […], dat stond voor “Depot voor Inzameling en Inkoop”’.

Hoewel het boek oraliteit suggereert, doordat de auteur de vertellingen optekent die hij van anderen heeft gehoord, is het een door en door geschreven boek met een doorgecomponeerde structuur. Al in de eerste regels vergelijkt de auteur het met ‘een bundel van bij hun staarten verstrengelde slangen’. Vosganian trekt nu eens aan de kop van deze vertelslang, dan weer aan de staart van gene. Het resultaat is een warreling van verhaallijnen, waar je als lezer maar beter goed bij de les kunt blijven.

Dat moet ook het geval voor de schrijver zijn geweest, die zijn verhaal van verhalen articuleert met tussentitels als ‘Verhaal van de blinde Minas’, ‘Misaks droom’, ‘Al Mamoura’,’De eerste kring’, of zelfs: ‘Verhaal in een verhaal. Levon Zohrabm de kaartenheer’.

De auteur gebruikt een vaak laconieke stijl, met een scherp verrassingseffect op het eind. Een verkeerd of verkeerd geplaatst woord volstaat om het effect te missen. Bos is er wonderwel in geslaagd om die misleidend eenvoudige passages in een even glad proza om te zetten waarbij de Nederlandse lezer eveneens – pats! – voor de verrassende eindval komt te staan.

Vosganian beschrijft bijvoorbeeld hoe vier oudere mannen de tijd verdrijven met kaarten. De ene was in zijn jonge jaren een legionair van de IJzeren Garde die onder het communisme jaren in de gevangenis heeft doorgebracht, twee anderen waren communisten, onder wie één Vosganians andere opa, de winkelier Setrak Melichian, had laten arresteren.

Nu, allemaal samen, communist, gardist, koopman en proletariër spraken ze over medicijnen en over het weer. Dat was hun manier om zich jaren later met de geschiedenis te verzoenen. Het potje kaarten was hun Akkoord van Potsdam.

Bos heeft heel handig de vertaling van ‘tabinet’ (een specifiek kaartspel) opgevangen door ‘een potje kaarten’, waardoor de geschiedenis nog terloopser klinkt.

Cartea şoaptelor werd in Roemenië begroet als de revelatie van het jaar 2009, ja door het invloedrijke weekblad România literară (Het literaire Roemenië) tot ‘Boek van het Jaar’ uitgeroepen. Al snel kwamen de vertalingen op gang, waardoor het boek ook internationaal lof oogstte.

Het boek kreeg echter van meet af aan met heftige tegenkanting van de Turkse overheid te rekenen, vooral vanwege hoofdstuk zeven en acht die de deportatie en afslachting van anderhalf miljoen Armeniërs in 1915 behandelt. De bladzijden zijn akelig actueel nu Turkije zowel in binnen- als buitenland de jacht op de Koerden heeft geopend.

Turkije heeft er niet alleen alles aan gedaan om de publicatie van Vosganians origineel tegen te houden, maar eveneens de vertalingen ervan – het enige land waarin dat lukte is Turkije zelf, waar het vertalen van Het boek der fluisteringen werd verboden. De Turkse ambassade stuurde een protestnota naar de Roemeense autoriteiten toen het boek werd voorgesteld in één van ’s lands musea. De uitgever die een Turkse vertaling plande, heeft hals over kop Turkije moeten ontvluchten om aan vervolging te ontsnappen.

Het is het beste bewijs dat de roman meer is dan een literair verzetje. Het is één van die boeken die een individu heeft durven neer te schrijven – naar de uitspraak van Proust – maar vervolgens de getuigenis van een volk wordt en ook als dusdanig door de lezer wordt waargenomen. De internationale weerklank die het boek te beurt viel getuigt van de pregnantie van deze ‘fluisteringen’ en de zorgvuldige optekening ervan.

Om een voorbeeld te geven van de bijval: in 2016 kaapte de roman alle prijzen van Angelus weg, de belangrijkste onderscheidingen in Polen voor een vertaald prozawerk. Het ontving niet alleen de Grote Angelus Prijs, maar eveneens de Prijs van de Lezers ‘Natalia Gorbanevskaia’ en de Prijs voor de Beste Vertaling (dat is dan weer de verdienste van Joanna Kornaś-Warwas).

Het boek der fluisteringen heeft internationaal waarschijnlijk meer gedaan om de genocide van het Armeense volk bekend – en vooral voelbaar – te maken dan om het even welke historische studie. De reden is ongetwijfeld de literaire insteek, waardoor de getuigenissen niet enkel de feiten weergeven, maar eveneens de verwachtingen en ontgoochelingen van de personages. Het is toch vooral de genocide van de Armeniërs die een snaar bij een groot publiek heeft geraakt.

Ook in de Nederlandse recensies is het dit inhoudssegment dat men naar voren heeft gehaald. Ik sluit me aan bij dit oordeel van Cyrille Offermans: ‘Elk goed boek is een monument voor de doden. Het boek der fluisteringen is dat in optima forma’ (De Groene Amsterdammer, 2 juni 2016).

Het boek der fluisteringen bewijst dat de roman als genre zijn sociale dimensie nog lang niet kwijt is. Wat mij betreft: een geweldig boek, voortreffelijk vertaald.

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?