cover big

Geen last van betrekkelijkheid: de nieuwe authenticiteit van Thomas Möhlmann

Gaston Franssen

Over Kranen open van Thomas Möhlmann

Prometheus, Amsterdam, 2009,
ISBN 9789044614190 / 62p.

(7) reactie(s) - geplaatst op 27-11-2009

Bookmark and Share

Kranen open van Thomas Möhlmann is de waardige opvolger van zijn veelbelovende debuut, De vloeibare jongen (2005). Met zijn tweede bundel bevestigt Möhlmann zijn bijzondere talent om de alledaagse werkelijkheid in een nieuw en verrassend licht te zetten: achter speelse en lichtvoetige scènes blijkt vaak een complexe, dynamische verhouding met de werkelijkheid schuil te gaan. Er valt ontzettend veel te zeggen over Möhlmanns gedichten en over de nieuwe bundel als geheel, veel meer dan ik in dit stuk kwijt kan. Er gebeurt ontzettend veel tegelijk. Alles kan voortdurend anders zijn, of juist hetzelfde, niets ligt vast. Niet alleen is er inhoudelijk weinig dat de gedichten bindt: ze gaan over taal, locaties en herinneringen, ook qua stijl zijn de gedichten heel verschillend. Hoewel Möhlmann dus volop experimenteert, doet hij dat zonder de leesbaarheid en de toegankelijkheid op te offeren. De gedichten zijn beeldrijk zonder overdadig te zijn, fantasievol zonder op hol te slaan, lyrisch zonder uit de bocht te vliegen.

Wie nu nog niet is afgehaakt, leest regelmatig poëziekritieken. De bovenstaande alinea is namelijk geheel en al samengesteld uit (daadwerkelijke) poëziekritiekclichés. Het zijn pre fab-oordelen, standaardkwalicaties, catch as catch can-fraseringen. Ze worden geboren uit een halsstarrige neiging tot classificeren en het geven van een eensluidend oordeel.

Critici die zulke clichés inzetten, willen per se een standpunt innemen ten opzichte van het werk van de besproken dichter. Ze zoeken daarom naar formuleringen die de vermeende kern van dat dichterschap zo dicht mogelijk zou benaderen. Precies daar gaat het echter mis tussen de kritiek en veel hedendaagse dichters, want die stellen die ‘kern’ in hun werk nu juist ter discussie. De consequenties voor de kritiek zijn, de bovenstaande alinea indachtig, overduidelijk. Wie generaliserende uitspraken wil doen over hedendaagse poëzie, loopt al snel al te algemene vaagheden te verkondigen; en wie de veelkantigheid van een dichter of oeuvre in een nuancerende formule wil bezweren, verheerlijkt uiteindelijk slechts middelmatigheid.
           

Gecultiveerde onzekerheid

Het intrigerende aan de poëzie van Möhlmann is dat deze dichter elke poging tot het innemen van een kritisch standpunt of het vellen van een definitief oordeel op uiterst geraffineerde wijze saboteert. ‘Alles moet een naam hebben’, schrijft hij in De vloeibare jongen, om vervolgens duidelijk te maken dat het zoeken naar die naam gedoemd is te mislukken: we ‘blijven’ steeds weer ‘proberen met malende kaken een naam / voor het spoor dat in de lege bedding groeit / en de onbetrokken makers te bepalen’. Een spoor in lege bedding, onbetrokken makers – datgene wat benoemd moet worden, laat zich klaarblijkelijk maar lastig vastleggen.

Die onzekerheid wordt door Möhlmann gecultiveerd, opvallend genoeg. Deze dichter is gefascineerd door het onbekende en het ongrijpbare. Dat blijkt al uit zijn thematiek. In De vloeibare jongen betoont Möhlmann zich een hedendaagse Ovidius, dichtend over metamorfosen en transformaties. Personages vloeien in elkaar over, een jongen lost op in water en spoelt weg met de rivier, mensen veranderen in paraplu’s. Die lijn wordt in Kranen open doorgezet, maar de gedaanteverwisselingen zijn nu minder idyllisch of sprookjesachtig – zij zijn veeleer verontrustend. Het is vaak duidelijk dát er iets transformeert, maar de begin- en eindsituatie blijven schimmig. Het ongrijpbare aan die gesuggereerde veranderingen wordt door Möhlmann nog eens onderstreept door de gevoelens van onbegrip en desoriëntatie expliciet te thematiseren: ‘iemand // aan de andere kant van de lijn zou kunnen / weten waar ik was’, lezen we ergens, ‘kan het zijn / dat ik me als een pleister van je lostrek, van mezelf’, of elders: ‘niemand / weet precies hoe je hier kwam’.

Niet alleen op thematisch vlak zaaien Möhlmanns metamorfosen verwarring. Hij frustreert het vellen van een definitief oordeel over zijn gedichten evenzeer door zinswendingen en motieven van het ene gedicht woordelijk te laten terugkomen in het andere. Dat gebeurt heel fraai in ‘Dat het regent’ uit De vloeibare jongen, een gedicht dat allerlei motieven uit de voorgaande reeks herneemt. Möhlmann radicaliseert dat procédé in Kranen open. Het beeld van ‘een opeenhoping van centra’ uit het openingsgedicht keert bijvoorbeeld terug als titel van een reeks, en de titel van ‘Dat niets is natuurlijk waarschijnlijk’ wordt hernomen als slotregel van ‘De kijkers thuis’. Een personage uit het titelgedicht van Kranen open telt de vetergaten in zijn schoenen, ‘waardoor van onderaf helemaal bovenaan kop / en staart van een van zijn veters elkaar vinden’; en in een andere reeks lezen we: ‘morgen druk je netjes alle knoopjes weer dicht, vinden / helemaal bovenaan kop en staart van een van je veters elkaar’. Zulke herhalingen leggen verbanden tussen de gedichten, maar er wordt toch géén doorlopend verhaal verteld: het is eerder alsof de dichter, om de lezer extra te jennen, benadrukt dat ‘kop’ en ‘staart’ elkaar vinden, terwijl het verband tussen deze hernomen passages volkomen duister blijft.

Daarmee lijkt Möhlmann aan te sluiten bij de werkwijze van dichters als Astrid Lampe, Alfred Schaffer of Jan Baeke, die er een gewoonte van maken om motieven en beelden niet ‘verticaal’ te herhalen, in hetzelfde gedicht (waardoor het mogelijk zou zijn om één gedicht te isoleren en als zelfstandige eenheid te zien), maar ‘horizontaal’, door een reeks of zelfs de hele bundel heen. De functie van die motieven en beelden blijft daardoor veranderen en de mogelijkheid om hun betekenis vast te stellen, wordt steeds uitgesteld.

Een verzamelpunt voor rukwinden

Möhlmann, kortom, probeert af te rekenen met eenduidige standpunten en kant en klare meningen. Het openingsgedicht ‘Nooit stil’ van zijn nieuwste bundel zou dan ook gelezen kunnen worden als een paradoxale beginselverklaring: het standpunt van deze dichter is dat hij nooit stil wil staan. Liever dan zijn positie te bepalen of te zoeken naar een essentie, schrijft hij over ‘een grote omtrekkende beweging een stad zonder centrum / een opeenhoping van centra een verzamelpunt voor rukwinden // een genadeloze machine van mogelijkheden’. Een kern zoek je hier tevergeefs, zoveel is duidelijk: de dichter – en de lezer met hem – wordt door rukwinden de meest uiteenlopende richtingen op geduwd.

Die laatste regel, ‘een genadeloze machine van mogelijkheden’, presenteert een mooi beeld voor het soort gedichten dat Möhlmann schrijft: goed geoliede machines, inderdaad, die een wereld aan motieven, personages en verhaallijnen in beweging zetten. Dat ‘genadeloze’ is daarbij een terechte kwalificatie, want het streven naar nieuwe mogelijkheden blijkt niet zonder risico’s. Veelzeggend is al dat Möhlmanns ik-figuren zich meestal bedreigd voelen, of anders zelf wel de nodige gewelddadige trekjes vertonen.

Zo haalt in De vloeibare jongen ‘een intussen nauwelijks van echt / te onderscheiden gestalte het lemmet / uit dit been’. Dezelfde broeierige dreiging kenmerkt veel gedichten uit Kranen open: ‘over // het kleed tot aan mijn voeteneind kruipt iets moois / likkebaardend, afwezig, met voorzichtige poten en / poederwangen’, zo lezen we in die bundel. De ‘ik’ uit de al even omineuze reeks ‘Avondje uit’ stelt koeltjes vast: ‘ik ben / geloof ik te moe om je te slaan maar aaien zal nog gaan’ – terwijl iemand anders doende is ‘glassplinters’ uit zijn voorhoofd te peuteren, nota bene.

In weer een ander gedicht constateert de dichter: ‘het is // een mooie dag om uit een vliegtuig te springen maar / een slechte dag om in de buurt een blokje om te gaan’, waarop, enkele regels later, de metalen tanden van een tuinhark in een achterhoofd belanden. ‘[N]ergens lijk ik tegenwoordig nog veilig, daar waar ik me schuilhoud / nog het minst’, stelt de ik-figuur uit ‘In het ochtendlicht’ vast. Möhlmann deinst echter nooit terug voor die dreiging: hij wíl zich ook kwetsbaar opstellen, niet op een soft-romantische of sentimentele manier, maar in de volle overtuiging dat het zoeken naar nieuwe mogelijkheden alleen dan zin heeft wanneer we bereid zijn om ons volledig aan het onbekende over te leveren.

Meer nog dan in De vloeibare jongen, zet de dichter zichzelf in zijn nieuwste bundel daarom op het spel. Niet voor niets benadrukt hij, alle gevaren ten spijt, dat hij zich ‘eindeloos / zacht aan je voeten’ legt – een vertederend gebaar van ultieme overgave.

Nieuwe Authenticiteit

Voor de lezer blijft het gissen naar welke ‘nieuwe mogelijkheden’ de dichter op zoek is. Dat is maar goed ook, want anders zou Möhlmanns poëzie alsnog tot een standpunt of formule te reduceren zijn. Maar anders dan het werk van Lampe, Schaffer of Baeke, is zijn poëzie toch te persoonlijk en emotioneel te herkenbaar om afgedaan te worden als postmoderne hyperkritiek, die elk standpunt in twijfel trekt. Möhlmann lijkt wel degelijk ergens op uit te zijn. Er is weliswaar geen kern te ontdekken in zijn poëzie, maar er is ontegenzeglijk sprake van een bepaald beoogd effect. Dat blijkt wel uit het gedicht ‘In het ochtendlicht’ uit Kranen open. Ik citeer het hier in zijn geheel:

In het ochtendlicht

Stel als eerste vast dat lucht een afzonderlijke substantie is en je daast al
in je schrikvel. Er blijkt altijd iets groter dan het allergrootste, elk deeltje

bestaat uit deeltjes, dat ik het over jou heb en niet over mezelf
heeft meer met afspraken dan met onze gesteldheid te maken

nergens lijk ik tegenwoordig nog veilig, daar waar ik me schuilhoud
nog het minst, word jij vaak herkend door wildvreemden, trouwens

alsof ik er te lang geen bloed meer toeliet voelt mijn huid, kan het zijn
dat ik me als een pleister van je lostrek, van mezelf, vast te stellen valt:

ik blijf afhankelijk van mijn vermogen rechtop te lopen, ons vermogen
woorden te vormen, als een paardenbloem de laatste dagen, als een bel
onder water, een vlinder in de wind, kruimel op de rok, worden we

denk je ooit meer dan deeltjes van deeltjes, jij en ik en alles eromheen:
als je een emmer ondersteboven in het water duwt, stroomt het water
er niet in. Hoor je me nog? Daar gaan mijn parachuutjes al.

Het ‘ochtendlicht’ uit dit gedicht brengt allesbehalve verheldering en inzicht, zoals we gewoonlijk zouden verwachten. Vanaf de eerste regels wordt de lezer in zijn ‘schrikvel’ gejaagd door de duizelingwekkende, alles relativerende complexiteit van de natuurwetten (‘Er blijkt altijd iets groter dan het allergrootste, elk deeltje // bestaat uit deeltjes’), door fundamentele vervreemding (‘word jij vaak herkend door wildvreemden’) en door gebrekkige communicatie, die gebaseerd is op ‘afspraken’ en weinig met onze echte ‘gesteldheid’ te maken heeft. In de voetsporen van Lucebert stelt de dichter vast dat de mens slechts een kruimel is op de rok van het universum. Maar toch weigert Möhlmann zich bij dat inzicht neer te leggen. Al het gedaas ten spijt, beroept hij zich op een aantal simpele, naakte feiten – zijn ‘vermogen rechtop te lopen’ en ’ons vermogen / woorden te vormen’.

Zolang we ons aan onze menselijkheid en ons creatieve taalvermogen vastklampen, zo lijkt hij te willen zeggen, is er nog écht intermenselijk contact mogelijk. Sterker nog, dat contact leidt misschien zelfs tot de ervaring dat ‘jij en ik en alles eromheen’, alle betrekkelijkheid ten spijt, iets méér zijn dan slechts deeltjes van deeltjes. En dáár is het Möhlmann om te doen: om een authentieke, absoluut zinvolle ervaring. De taal mag dan centrumloos zijn, elk standpunt mag dan te relativeren zijn, juist door die fundamentele onzekerheid in zijn gedichten het hoofd te bieden, wil Möhlmann komen tot een onvervreemdbaar, oprecht ervaren gevoel:

heb jij op dit moment last van onze volstrekte
betrekkelijkheid? Ik niet: ik vind je mooooooooooooooooooi.

De poëzie van deze dichter is dus niets minder dan een neerslag van zijn zoektocht naar een Nieuwe Authenticiteit. De vraag is alleen nog of de kritische lezer de moed kan opbrengen om zijn vertrouwde standpunten op te geven, en zijn kant en klare oordelen achterwege te laten, zodat hij de dichter in die zoektocht kan volgen.

7 reacties

Beste Gaston Franssen,


Aardig, die eerste alinea; ik kwam een zin van eigen hand tegen: ‘De gedichten zijn beeldrijk zonder overdadig te zijn, fantasievol zonder op hol te slaan, lyrisch zonder uit de bocht te vliegen.’

Tja, in het slot van een bespreking probeert de recensent inderdaad wel eens lapidair iets over de bundel of de dichter in kwestie te zeggen, deze te typeren, kort en kernachtig te omschrijven.

Maar ik waardeer uw Kruistocht tegen het Cliché in de Kritiek. Sterker: ik strijd met u mee. 
(En ik laat mij met liefde uit de tent lokken. Bij dezen.)

Laatst heb ik hierover nog gebrainstormd: woorden als ‘gevaarlijk’, ‘verontrustend’ en ‘ontregelend’, ‘relevante’ of ‘belangrijke’ versus ‘overbodige’ poëzie, ‘bedrieglijk’ of ‘schijnbaar eenvoudig’, ‘het taalplezier spat ervan af’; clichés zijn het, en ze worden door de beste – of meest gerenommeerde – critici/recensenten nog het vaakst gebezigd (Pfeijffer, Gerbrandy). Ik vermoed een verborgen agenda – die helemaal niet zo verborgen is.

Probeert u alleen zelf ook te streven naar een clichévrije recensie.

Zo noteerde ik: (een preoccupatie met) ‘het ongrijpbare’ (dit in combinatie met poëzie mag toch wel een cliché van formaat worden genoemd), ‘verontrustend’ (ja werkelijk, dit woord gebruikt u), ‘niet eenduidig’ of ‘niet kant-en-klaar’ (dat ‘kant-en-klaar’ is toch wel een van de meest ‘kant-en-klare’ aanduidingen, terwijl men zich erachter verschuilt dat men ten strijde trekt tegen al wat ‘kant-en-klaar’ is - ik verzet mij / hij verzet zich tegen kant-en-klare opvattingen; o, dat is heel nobel, maar het *zeggen* dat men zich ertegen verzet is even gratuit en ‘kant-en-klaar’).

En, de ergste en onvergeeflijkste van allemaal: ergens tegen het einde zegt u iets als: ‘De dichter zet zichzelf op het spel.’

Nu is de zegswijze: ‘De dichter zet iets op het spel’ en helemaal ‘De dichter zet zichzelf op het spel’ toch een tenenkrommend cliché? Ikzelf heb haar eens gebruikt (aan het slot van mijn bespreking van ‘Tongebreek & Niemendal’ van Chrétien Breukers) en ik heb er drie weken van wakkergelegen en mijn hoofd kaalgeschoren uit schaamte en spijt. ‘In deze bundel zet de dichter zichzelf op het spel.’ Hoe krijg je het je pen uit? Let wel: je = ik. (Of ‘je’ = ‘jij’ of ‘wie dan ook’.) Ongetwijfeld had ik de woorden bedoeld als uitsmijter, zo van: nog een ferme uitspraak om de lezer mee te geven / in het gezicht te slingeren. Hier! Pak aan! Maar het is zo… zo… overdreven!

Verder zie ik dat u primair leest in termen van het ‘semantisch-concepueel veld’; u spitst zich toe op ‘herhalingen en contrasten van thema’s en betekenissen’ (zie het artikel ‘Poets vs. Critics: Different Brain Systems’). Weinig over de stijl. Waaróm dat zo is, daar heb ik zo mijn eigen ideeën over.
(Nevenpunt: het stijlmiddel of procedé van de herhaling an sich is, hoewel eenheid-scheppend, nog geen verdienste. In veel gevallen is het zelfs een kunstje.)

Ten slotte, dat u volgende regels citeert:

‘heb jij op dit moment last van onze volstrekte
betrekkelijkheid? Ik niet: ik vind je mooooooooooooooooooi.’

-  daar bewijst u de dichter mijns inziens geen dienst mee. Het lijkt wel alsof de dichter (of u?) de o-toets te lang heeft ingedrukt, alsof de toets bleef hangen. Of het lijkt een weinig op een klef sms’je: ‘ik vind je zoooooooooooooooo lief’ of ‘Ik vind je heeeeeeeeeeeeeeeel leuk.’
Begrijp me goed, niets ten nadele van de bundel, maar er zijn betere citaten denkbaar.

Maar hoofdzaak blijft natuurlijk de kwestie van de clichés. ‘Zeg nee tegen het cliché! Begin bij jezelf!’

  • Door Willem Thies
  • gepost op
    27-11-2009, om 7:24:48

Bovendien bevreemdt het me, beste Gaston, dat u überhaupt de bewuste zin van mij citeert als voorbeeld van een poëziekritiekcliché. Niet dat ik nooit zondig, en nooit clichés zou gebruiken, maar in dit geval is overduidelijk sprake van een ‘spel spelen met [over clichés gesproken] het “hapklare” of “kant-en-klare” citaat’, de *quote*, een lekker-bekkende kwalificatie voor op sites en in folders/aanbiedingen… De passage sméékt er bijna om geciteerd te worden – en jij gaat daar gewillig op in. Lees maar na: het betreft de slotzin van mijn bespreking van ‘De zon, het smalle bed, mijn lichaam’ van Jabik Veenbaas, te vinden op: Poëzierapport, enige weken geleden. (Lees ook het deel tussen haakjes.)

  • Door Willem Thies
  • gepost op
    27-11-2009, om 9:09:06

Hoi Willem,

In het stuk van Franssen hoef je niet per se een pleidooi tegen kritische clichés te zien. Hij wijst aan wat de functie van die clichés is, en je zou deze recensie zelfs als een cliché in het groot kunnen lezen. Immers, als het bij clichés erom gaat om een “kern” aan te wijzen in een amorf dichterschap, dan is dat ook precies wat Franssen zelf in het stuk uiteindelijk doet. (Of: zich met enig tandenknarsen gedwongen ziet te doen door de doelmatige kernloosheid bij Möhlmann, die dan weer voor authentiek moet doorgaan. Paradox op paradox).

Het koste-wat-kost vermijden van clichés lijkt me trouwens sowieso een remedie die erger is dan de kwaal. Het kan makkelijk in een soort negatief formalisme ontaarden. Je gaat al snel veelgebruikte termen als intrinsiek fout zien. Maar wat nou als een bundel je inderdaad heeft verontrust? Moet je dan heel ingewikkeld gaan lopen doen om vooral niet het woord verontrustend te gebruiken?

  • Door Samuel Vriezen
  • gepost op
    29-11-2009, om 1:48:03

Dat zijn een paar slimme opmerkingen die je daar maakt, Samuel.

Zelf gebruik ik vaak het woord ‘beeldend’ of ‘beeldrijk’, simpelweg omdat ik (heldere,) ‘beeldende’ poezie meer waardeer, hoger acht dan ‘talige’ (zelfreferentiele, zelfbewuste, zelfreflexieve) poezie. ‘Beeldend’ is, met andere woorden, bij mij vaak op zich al een positieve kwalifcatie.

Ook hanteer ik met grote regelmaat termen als ‘redundant’, ‘overtollig’ en ‘overdadig’; deze juist in negatief kwalificerende zin.

Daarnaast heb ik een voorliefde voor ‘trucje’ of ‘kunstje’; en vaak vind ik het stijlmiddel van de herhaling zo’n ‘trucje’ of ‘kunstje’; anderen daarentegen vinden het een ‘eenheid-scheppend middel’.

Net als het veelvuldig gebruik van (in het oog springende) enjambementen, ook zo’n ‘poetisch’ trucje.

Tot slot heb ik, bijvoorbeeld, oog voor ‘klankverwantschappen’, met name de alliteratie en assonantie. Je zult mij dan ook niet zelden betrappen op het gebruik van woorden als… ‘klankverwantschap’, ‘alliteratie’ en ‘assonantie’.

Zaken waar de heer Franssen *nauwelijks* naar kijkt, waar hij nauwelijks aandacht aan besteedt: de stijl, de beelden, de klanken.

Ziedaar, beste Samuel, ik laat in mijn kaarten kijken.

  • Door Willem Thies
  • gepost op
    29-11-2009, om 4:25:24

Citaten als parachuutjes
   
Bij de bespreking van het gedicht ‘In het ochtendlicht’ van Möhlmann noemt Franssen weliswaar een aantal dichters waarnaar het gedicht verwijst, Lucebert bijvoorbeeld, maar de belangrijkste verwijzing ontbreekt.
De slotregel van ‘In het ochtendlicht’, te weten ‘Daar gaan mijn parchuutjes al’ vormt immers het letterlijke citaat van de slotregel van het gedicht ‘Ouderdom’ van Judith Herzberg uit haar bundel Zeepost. Hierin beschrijft zij op speelse wijze haar angst voor de ouderdom en het verdwijnen van de verstandelijke vermogens. Ook het ‘schrikvel’ en het ‘gedaas’ uit het gedicht van Möhlmann vormen een verwijzing naar dit gedicht van Herzberg, waarin zij zichzelf voorstelt in de huid van een oude vrouw.
In de relatie tussen de ‘ik’ en de ‘jij’ uit ‘In het ochtenlicht’
wordt door deze verwijzingen naar het gedicht van Herzberg de overgang van diepzinnigheid naar gekte benadrukt, naar een vorm van zwakzinnigheid, waartoe de relatie schijnt te leiden. Het gedicht van Herzberg:
   
Ouderdom
 
Later, als ik zwakzinnig ben
met schoothond en schrikvel
houd ik een kruik warm
tegen me aan en praat
ik met je in mijn slaap.
Als je nu kan begrijpen
wat ik dan ga bedoelen,
krakende dorre tak dat ik ben,
ga ik me niet zo afgebroken voelen
maar meer een uitgeblazen paarde-
bloem. Hoor je me dazen?
Daar gaan mijn parachuutjes al.

  • Door Kees van Domselaar
  • gepost op
    15-02-2010, om 3:55:40

Goed opgemerkt!

Plus: de zee in de kwal van Tonnus Oosterhoff en (ongetwijfeld) zo voort.

Zo wordt het de kunst & het spel voor de recensent zo veel mogelijk van dit soort referenties / intertekstuele verwijzingen te ontdekken; de recensent gaat dan door voor slim, belezen & opmerkzaam - en zo wordt het kunst & spel voor de dichter zo veel mogelijk van dit soort referenties / intertekstuele verwijzingen, als paaseieren in de achtertuin, te verstoppen, want welke recensent wil niet doorgaan voor slim, belezen & opmerkzaam?

Overigens is dat net de regel, of beter: zinssnede, woordcombinatie (‘en je daast al / in je schrikvel’), die ik het fraaist vond van de hele bundel. Die is dus niet geheel & al oorspronkelijk; weliswaar niet direct kant-en-klaar gestolen, het boeketje is zelf samengesteld, maar de bloemen zijn uit andermans tuin weggeplukt. Zo is bovenstaand gedicht al leverancier van twee regels. En wie weet wat verder nog verzameld &  vergaard is.

Ach ja, het postmodernisme en zo, ‘anything goes’, zullen we maar zeggen.

  • Door Willem Thies
  • gepost op
    15-02-2010, om 7:20:30

Zou het niet interessanter zijn om na te gaan wat die verwijzingen precies betekenen of welk effect de auteur met die verwijzingen wil sorteren, om daarna pas te bedenken of het een vermoeiend postmodern spelletje is of niet? Het zou jammer zijn als er op voorhand al besloten wordt dat een literaire techniek alleen wordt toegepast om intellect te etaleren. Dat terwijl deze aanvulling op de recensie wellicht nieuwe deuren opent voor de interpretatie van het gedicht of zelfs van de bundel. Op die manier kunnen de reacties uitgroeien tot een stimulerende collectieve lectuur.

  • Door Matthijs de Ridder
  • gepost op
    23-02-2010, om 5:31:00

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?