cover big

Gevoelige eruditie

Sarah Posman

Over The Shaking Woman van Siri Hustvedt

Sceptre, London, 2010,
ISBN 9780340998762 / 224p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 21-04-2010

Bookmark and Share

In The Shaking Woman or a History of My Nerves gaat de Amerikaanse auteur Siri Hustvedt op zoek naar een verklaring voor een aandoening die haar treft sinds de dood van haar vader: een niet te controleren beven van haar lichaam, alleen haar hoofd trilt niet. Op de eerste pagina’s vertelt Hustvedt hoe het beven in 2006 begon tijdens een herdenkingsplechtigheid voor haar vader. Het was voor de schrijfster geen bijzonder zwaar moment, maar al van bij de eerste zin begonnen haar ledematen te schudden: ‘My arms flapped. My knees knocked. I shook as if I were having a seizure’. Wat volgt is een persoonlijk en erudiet verslag van haar fascinatie voor die bevende vrouw. Ze relateert het beven aan haar geschiedenis van migraineaanvallen, overgevoeligheid, hallucinaties en wat je mystieke gewaarwordingen kunt noemen, en vraagt zich af hoe ze die ervaringen een betekenis kan geven.

Vrouw op zoek naar zichzelf

In The Shaking Woman komen verschillende types egodocumenten samen. Hustvedts ontboezemingen kun je tot op zekere hoogte lezen als een ziekterelaas. Maar Hustvedts aandoening is niet van dien aard dat ze het gevoel heeft er helemaal mee samen te vallen. In autobiografieën als Barbara Rosenblaums Cancer in Two Voices of Life, End of van Christine Brooke-Rose lijkt het voor de vertellers onmogelijk afstand te nemen van hun ervaringen om ze in een verhaal te gieten. Zij schrijven vanuit de pijn. Hustvedt doet dat niet. Ze grijpt het trillen van haar ledematen aan om een gelaagd verhaal te vertellen over een bevende vrouw. Meer dan ziekterelaas is The Shaking Woman het verslag van een zoektocht naar het zelf. Hustvedt is ook geen Elizabeth Gilbert die zichzelf ‘vindt’ na vierhonderd pagina’s soul searching op verschillende continenten in Eten, bidden, beminnen. Voor de bevende vrouw is er geen louterende weg. Wanneer Hustvedt het concept ‘zelf’ met elegante verbetenheid najaagt, schrijft ze in de traditie van Montaigne. Erudiet en kundig probeert ze, vanuit haar eigen ervaringen, over het zelf te schrijven.

Wat Hustvedt het meest intrigeert aan haar convulsie is dat ze abrupt stopt bij haar kin. Haar armen wapperen en haar knieën knikken, maar met haar hoofd is alles in orde. Ze vraagt zich af hoe het kan dat ze plots uiteen lijkt te vallen in twee vrouwen, haar vertrouwde zelf die alles onder controle heeft en een bevende ander. Omdat ze geen epilepsiepatiënte is, vermoedt ze dat haar beven een conversieverschijnsel betreft, een lichamelijke reactie die lijkt op een neurologische aandoening waarvoor echter geen lichamelijke oorzaak kan worden gevonden – materiaal voor zielenknijpers. Maar hoe, vraagt ze zich af, kan ze dat beven niet als iets lichamelijks ervaren? ‘Unless you believed that ghosts, spirits, or demons swooped in from heaven or hell to take control of a person’s body, how could it be argued that this wasn’t an organic, physical phenomenon?’

Over hysterie

De toonaangevende Diagnostic and Statistic Manual of Mental Disorders (DSM) erkent dat probleem en noemt het loskoppelen van het mentale en het fysieke in het medisch denken ‘a reductionistic anachronism of mind/body dualism’, maar reikt geen formule aan die de relatie dekt. Omdat Hustvedt ervan overtuigd is dat een historisch bewustzijn van vitaal belang is om tot inzichten te komen, duikt ze onder in de negentiende eeuw, toen Freud het fenomeen ‘conversie’ benoemde in zijn Studien über Hysterie. Ze schetst hoe de relatie lichaam-geest werd opgevat door de grondleggers van de psychiatrie en gaat na wat het haar bijbrengt zichzelf als hysterisch te beschouwen.

Hysterie is een thema dat Hustvedt na aan het hart ligt. In haar roman Wat me lief was (2003) werkt een van de hoofdpersonages aan een proefschrift over de hysterische vrouwen die onder observatie stonden van de Franse neuroloog Charcot. In The Shaking Woman spreekt Hustvedt zelf, en ook zij stelt de misogyne theorieën rond hysterie aan de kaak. De kracht van dit boek ligt echter niet zozeer in feministische woede of in een exclusieve focus op vrouwelijke patiënten. Hustvedt maakt geen heisa rond het feit dat uit allerlei statistieken nog steeds blijkt dat vrouwen vaker dan mannen te maken hebben met een verstoorde geestelijke gezondheid, zoals Lisa Appignanesi in Mad, Bad and Sad. A History of Women and the Mind Doctors from 1800 to the Present (2008) aanhaalde. Hustvedt stelt ‘The question has always been, A woman is shaking. Why?’ en ontvouwt een genuanceerd engagement met het werk van wetenschappers als Freud, Charcot en Janet, dat ze in verband brengt met hedendaags (medisch) onderzoek.

Door hysterie historisch te plaatsen toont Hustvedt hoe het begrip veel meer beslaat dan het idee dat vrouwen door hun baarmoeder worden geregeerd. Door een verstandige, eloquente hysterica neer te zetten als protagonist – zichzelf (‘That could be it! I thought. My fit had been hysterical’) – doorprikt ze de clichés die met het fenomeen worden geassocieerd. Wanneer Hustvedt met het begrip hysterie aan de slag gaat, is dat niet om zichzelf een label op te plakken. Met haar enthousiaste diagnose parodieert ze de populaire ‘ken jezelf’-testen uit de damesbladen. Ze laat zien hoe moeilijk het diagnostische proces kan verlopen en hoe belangrijk het is de wil te benoemen niet te verwarren met het zoeken naar absolute waarheden. De complexiteit en ambiguïteit in het denken over een wankelend zelf die Hustvedt blootlegt, laten geen ruimte voor een hiërarchisch geest-lichaam- of man-vrouwdenken.

Voor Charcot had hysterie een fysiologische verklaring. Tot op vandaag proberen sommige wetenschappers afwijkend gedrag in ons brein te lokaliseren. Hustvedt wijst op de commotie rond de God spot, toen wetenschappers beweerden religiositeit te kunnen plaatsen, en doet onderzoek dat voorbijgaat aan elke historische en sociologische realiteit af als reductionistische pseudowetenschap. Een betere sparringpartner vindt ze in Janet, die hysterie ook als een psychisch fenomeen bestudeerde. Hij was de eerste om hysterie een dissociatieve staat te noemen, een uiteenvallen van de systemen die samen de persoonlijkheid vormen. Voor Janet is hysterie met andere woorden een kortsluiting in iemands subjectiviteit, een fenomeen waarbij het plots niet meer lukt te stellen ‘Ik ben het die dit ervaart’. Maar wat, vraagt Hustvedt, betekent het om de boel bij elkaar te houden? Wat is dat ‘ik’ dat de controle neemt? En wat is een bewuste ervaring?

Ik als verteller

Ongeveer vijftig pagina’s ver in het boek stelt Hustvedt dat ze onder ‘ik’ haar innerlijke verteller verstaat (‘my narrating self, my conscious, telling self’), maar niet haar bevende ledematen of de flashbacks van een auto-ongeluk. ‘Ik’ is voor Hustvedt met andere woorden sterk verbonden met het gevoel van controle. Taal is cruciaal in de ontwikkeling van ons zelfbewustzijn. Zonder zich een psycho-babble-adept te verklaren, haalt de schrijfster Freud aan, die in Das Ich und das Es (1923) benadrukt dat het verband tussen dingen en woorden belangrijker is voor ons bewustzijn dan dat tussen dingen en beelden. Wanneer we ons beelden herinneren, bevinden we ons dichter bij het onbewuste dan wanneer we denken in woorden. Taal geeft ons de mogelijkheid onze ervaringen te controleren. Hustvedt vertelt dat ze in haar sessies creatief schrijven met psychiatrische patiënten vaak gebruik maakt van Joe Brainards boek I Remember, waarin de dichter zijn herinneringen catalogiseert. Wanneer ze haar klas vraagt hun eigen geheugen te verkennen en een reeks zinnen op papier te zetten die allemaal beginnen met de frase ‘I remember’, reikt ze hen een manier aan om wat er ook naar boven komt toe te eigenen. Ze laat hen op papier een eenvoudig ‘ik’ creëren dat over een reeks ervaringen beschikt.

Het schrijven door en over het zelf is een belangrijk thema in The Shaking Woman. Hustvedt gaat niet alleen in op wetenschappelijke schrijfexperimenten, van de laat-negentiende-eeuwse fascinatie voor écriture automatique tot contemporain onderzoek naar de relatie tussen geheugen en schrijven. Ze staat ook stil bij de representatie van het zelf in de moderne literatuur. Haar secuur gekozen voorbeelden maken duidelijk dat het wetenschappelijke en het literaire denken in elkaar overlopen. Van Janet gaat ze bijvoorbeeld naar de ongrijpbare dubbelgangers in het werk van Poe, Dostojevski en Andersen. Ze wijst op de beklemmende passage in What Maisie Knew waarin Henry James’ jonge heldin haar eigen innerlijke verteller ontdekt (‘the idea of an inner self or, in other words, of concealment’). In Borges’ ‘Funes de allesonthouder’ treft ze een personage met een perfect visueel geheugen aan, wie het echter aan de woorden en concepten ontbreekt om te kunnen denken.

Belangrijk is ook het fragment uit Tolstojs ‘De dood van Ivan Ilitsj’ dat Hustvedt aanhaalt om de kloof tussen de ervaring van je eigen ik en logisch redeneren duidelijk te maken. Ivan Ilitsj weet dat hij zal sterven. Het syllogisme ‘Caius is een mens, mensen zijn sterfelijk, dus is Caius sterfelijk’ had hem altijd zo juist als iets geleken, zolang hij Caius maar niet door Ivan moest vervangen. Hustvedt besluit dat noch de frase ‘I remember’ noch logische formules ons in staat stellen om onze ervaring helemaal te controleren – al helpt het soms te doen alsof.

Op zoek naar wat ‘ik’ méér omvat dan haar innerlijke verteller, komt Hustvedt uit bij de psycholoog-filosoof William James, de oudere broer van de auteur. In zijn monumentale Principles of Psychology (1890) stelde hij het zelf als iets dynamisch en meervoudigs voor. Volgens James bezitten we allemaal een materiële ‘ik’ die uitdeint naar een ‘mijn’ dat onze bezittingen, relaties en ervaringen omvat. Sommige delen van ons lichaam of ervaringen kunnen we als intiemer beschouwen – meer ‘ik’ – maar dat is voor iedereen even verschillend als veranderlijk. James, door John Dewey de denker van het vanishing subject genoemd, was een belangrijke inspiratiebron voor Amerikaanse modernisten die het ongrijpbare zelf in taal probeerden te vatten. Maar Hustvedt laat zich niet in met, bijvoorbeeld, Gertrude Steins pogingen om het uitdeinen van ‘ik’ uit te drukken in een talig kluwen. Haar blik op een Jamesiaans ‘ik’ is die van een verteller die doet alsof ze ons op de laatste pagina het antwoord zal geven. Hustvedt vindt het als auteur haar taak orde te scheppen in de chaos, zonder de ambiguïteit de kop in te drukken. In haar autobiografie The Shaking Woman vertelt ze het verhaal van de bevende vrouw.

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?