Essays

Lezen over de global sixties: de boekentips van Geert Buelens

In 2018 lag mei ’68 een halve eeuw achter ons en verscheen het boek De jaren zestig van hoogleraar Moderne Nederlandse Letterkunde, dichter en cultuurhistoricus Geert Buelens. De verhalen over de jaren zestig zijn uiteraard niet gestopt in 2018 en de invloed van dat tijdperk evenmin. Er moet maar iemand van een festival dromen, of het beeld van Woodstock doemt op. Onze protestmarsen van de laatste jaren voeren ons terug naar iconisch studentenprotest in Parijs of de woede van de Amerikaanse burgerrechtenbeweging. Staan we stil bij het feit dat het dertig jaar geleden is dat er een beroemde Franse zanger stierf, dan gaat het ook altijd over de seksuele revolutie waaraan hij zijn stem gaf. Welke boeken moeten we lezen als we voorbij de clichés van de jaren zestig willen kijken? 

Voor we van start gaan met de boekentips over de global sixties, moeten we het misschien eerst over de term hebben. Wat houden de global sixties in?

Met global sixties wordt een verschil gemaakt tussen de nationale beleving van de jaren zestig en een mondiaal perspectief op die periode. Door de lens van de global sixties kijk je naar wat er gebeurde over de grenzen van verschillende landen heen en naar de relaties tussen verschillende continenten. Het is dus een manier om op een andere wijze naar de geschiedenis te kijken, inclusiever dan het traditionele, vaak nationale perspectief. In De jaren zestig ben ik zelf bewust met The Beatles, Bob Dylan en de minirok aan de slag gegaan, omdat dat zaken zijn die mensen kennen, maar ik heb er ook Oost-Europese film en Mexicaanse popmuziek in verwerkt, die in dialoog gingen met wat er elders in de wereld gebeurde. Door me bijvoorbeeld de vraag te stellen wat het betekende voor de Beatles om een wereldband te zijn, kon ik het idee van culturele globalisering concreet maken. Waar, door wie en hoe werden de Beatles precies gecoverd? Als ik het heb over mei ’68 en ‘Leuven Vlaams’, probeer ik vooral te benadrukken hoezeer dat protest gemodelleerd was op de Amerikaanse burgerrechtenbeweging. Die verbanden, daarover gaan de global sixties.

Welk boeken had je graag nog toegevoegd aan de verbanden die je hebt belicht in De jaren zestig?

Een ervan is Changer le monde, changer sa vie. Enquête sur les militantes et militants des années 68 en France, van de Franse sociologen en politicologen Olivier Filleule, Sophie Béroud, Camille Masclet en Isabelle Sommier. Het is vrijwel gelijktijdig met mijn boek verschenen en ik vind het een belangrijk boek omdat het tegengas geeft aan het verhaal dat de boomers voor het geld en hun carrière hebben gekozen. We lijken soms te denken dat de activisten van toen opportunistisch zijn geweest en hun idealen hebben verloochend. Die voorbeelden zijn er, maar Changer le monde, changer sa vie schetst een breed sociologisch portret van die generatie. Daaruit blijkt dat veel activisten echt hebben geprobeerd te leven naar de idealen waardoor ze als student zo begeesterd waren. Al de bewegingen die in de jaren 1970 zo sterk stonden, zoals de vakbond, de milieubeweging en de derdewereldbeweging, waren zo invloedrijk dankzij die generatie. Hun engagement was enorm, en dat schetst Changer le monde, changer sa vie op een heel mooie manier.

Het begrip generatie staat centraal in Changer le monde, changer sa vie, en we gebruiken het ook vaak als we het hebben over de jaren zestig, maar hoe moeten we dat begrip nu precies begrijpen? Gaat het over leeftijd of over gedeelde ervaring?

De diversiteit die je aantreft binnen een generatie heeft een grote rol gespeeld in mijn boek, dat ik heb opgedragen aan mijn ouders en aan twee leraren. Ze behoren tot dezelfde generatie omdat ze allemaal ongeveer even oud zijn, maar ze hebben andere levens geleid. Hun cultuurpatroon is erg verschillend. Met De jaren zestig wilde ik recht doen aan de brede culturele ervaring van dat tijdvak. Mensen moeten vaak lachen als ik opmerk dat de best verkochte lp van de jaren zestig de soundtrack van The Sound of Music is. Niemand associeert de jaren zestig met The Sound of Music, omdat achteraf de nieuwe popmuziek en de daarmee geassocieerde modes en gedragingen de norm zijn geworden in onze cultuur. Dat is echter slechts één verhaal. Ook het verhaal van de mensen voor wie The Sound of Music belangrijk was, moet verteld worden. Hun ervaring is er vaak niet zozeer een van vernieuwing, maar van verlies. Wat voor de ene een grote stap voorwaarts leek op vlak van relaties, seks en vrijheid van meningsuiting, betekende voor de andere een verlies van zekerheden en respect voor bepaalde tradities en vormen van cultuur.

Om een beeld te krijgen van wie er allemaal van belang was in de jaren zestig, heb ik een lijst gemaakt met geboortedata van de personen die een rol spelen in mijn boek. Die lijst begint in 1868 met W. E. B. DuBois en loopt tot 1950, met Stevie Wonder. De meesten zijn geboren tussen 1922 en 1942. Dat impliceert dat heel veel zaken die we associëren met de jaren zestig bedacht, geschreven en gemaakt zijn door een oudere generatie. Er is weinig dat echt van de boomers zelf komt. Alleen in de popmuziek en hier en daar in de mode- en filmwereld duiken wel eens figuren op die na de Tweede Wereldoorlog zijn geboren. De babyboomgeneratie was demografisch de grootste generatie, en dat maakt hen cruciaal. De tieners die in 1964 opgingen in de Beatlemania, waren student in ’68. Zij hebben twee keer de kracht van hun getal getoond. Dat is hen gelukt, omdat het een kapitaalkrachtige generatie was. Zij hebben de mode en de populaire cultuur overgenomen, omdat zij degenen met het geld waren en voor het eerst ook in de breedte hooggeschoold.

Breed beschouwd was het de generatie met het geld, maar uit het onderzoek van de Franse politicoloog en socioloog Olivier Filleule naar de levens van de activisten van de jaren zestig, blijkt dat zij het niet gemaakt hebben. In tegenstelling tot hun leeftijdsgenoten, hebben de activisten minder verdiend, nauwelijks carrière gemaakt en zijn ze vaker gescheiden. Ze wilden het natuurlijk misschien niet maken.

Precies. Ze hebben heel bewust gekozen voor ondersteunende functies. Velen zijn in de zorg en het onderwijs gaan werken, om zich op die manier in te zetten voor de gemeenschap. Het feit dat we hun levens nu bestempelen als onsuccesvol toont niet aan dat hun werk voor niets is geweest, maar het is moeilijk om tegengas te bieden aan de volslagen commercialisering van de cultuur die zich heeft voltrokken in de jaren negentig. Toen we in 2018 terugkeken op 1968 was er nauwelijks aandacht voor die activisten. In Vlaanderen organiseerde NV-A in Leuven een herdenking van ‘Leuven Vlaams’ die gekenmerkt werd door een merkwaardige selectiviteit. In De Morgen beweerde Joachim Pohlmann dat 68’ers het eigenbelang boven dat van de gemeenschap zouden zetten. Daar heb ik toen in een column op gereageerd. De ravage in onze samenleving is niet de erfenis van de jaren zestig, maar van ’89. Het is de commercialisering van de cultuur en de volstrekte liberalisering van de economie die het maatschappelijke weefsel kapot hebben getrokken. De activisten uit de jaren zestig hebben hun leven gegeven voor het sociale weefsel waarover Bart De Wever nu boeken schrijft. Het is revisionistisch om die generatie nu de schuld te geven van onze problemen.

Door te lezen over de levens van de anonieme activisten in plaats van ons blind te staren op de beroemde figuren zoals Cohn-Bendit, stellen we onze blik op de jaren zestig bij. Dat geldt dan vermoedelijk ook voor gebeurtenissen? Welke boeken belichten voor jou gebeurtenissen die meer aandacht verdienen in ons collectieve geheugen?

Een ervan is Moving Against the System, van de Canadese politiek historicus David Austin. Het verscheen, net als Changer le monde, changer sa vie, vlak na de publicatie van mijn boek. Austin documenteert er de conferentie van zwarte schrijvers die plaatsvond in Montréal in oktober 1968. Voor mij illustreert die gebeurtenis dat de dekolonisatie en de burgerrechtenbeweging in de VS één verhaal vormen. Het is een prachtig voorbeeld van een scherpe zwarte intellectuele traditie, die in een merkwaardige bocht van de geschiedenis ook een inspiratie vormde voor onze eigen culturele strijd rond ‘Leuven Vlaams’. De belangrijkste rolmodellen waren geen witte, Europese mensen. Martin Luther King, Malcolm X en Stokeley Carmichael, die later zijn naam veranderde naar Kwame Ture, zijn de grote intellectuele voorbeelden. En James Baldwin. Zij waren niet alleen razend intelligent en welbespraakt, maar ook erg media-savvy. En dat zwarte activisme werkte natuurlijk door in de kunst en de literatuur, zoals dat ook vandaag nog het geval is. Kijk maar naar de wisselwerking tussen Kamasi Washington en de jazztraditie, of de populaire cultuur en Black Lives Matter vandaag. Er was trouwens ook een grote kruisbestuiving tussen de zwarte activistische traditie en de Noord-Afrikaanse avant-garde. Onlangs stootte ik nog op een themanummer van het Marokkaanse tijdschrift souffles dat gewijd is aan het grote culturele festival in Algiers in ’69 en waarin het programma van ‘Les Black Panthers’ is opgenomen. 

Moving Against the System is een belangrijk boek, omdat het ons meeneemt naar een van de sleutelmomenten uit die geschiedenis. Het boek toont hoe vanuit een radicaal zwart bewustzijn een cultureel én politiek alternatief wordt geformuleerd dat nog altijd nazindert. Je ziet hoe een gemeenschap, uiteengetrokken door slavernij, een politieke kracht vindt, en daar op verschillende vlakken uiting aan geeft. Het ontdekken van al die dwarsverbanden tussen activisme, kunst en literatuur binnen die traditie was voor mij misschien wel de belangrijkste culturele ontdekking. In de laaglandse varianten van de Black Lives Matter-beweging merk ik nu ook hoe belangrijk die geschiedenis is. In Nederland trekt een project als de Black Archives dat bijvoorbeeld sterk.

Is er vandaag iemand die een rol opneemt die te vergelijken is met die van bijvoorbeeld Kwame Ture?

In Nederland denk ik dan aan Bij1-politicus Sylvana Simons en in de VS aan congreslid Alexandria Ocasio-Cortez (AOC). Ze hebben allebei een enorm talent voor communicatie en weten heel goed hoe ze de media kunnen inzetten voor hun project. Ze slagen erin om via Twitter en Instagram ongelooflijk scherpe analyses van ons taalgebruik de wereld in te sturen en ze leggen zo het alledaagse racisme in onze samenleving bloot. Onlangs had AOC nog een Instagramverhaal waarin ze op een heel toegankelijke manier de ‘crisis’ aan de grens met Mexico semiotisch deconstrueerde. Ze opende de betekenislagen van de woorden die we gebruiken om over die situatie te spreken. Voor mij gaat haar aanpak helemaal terug op die radicale traditie.

Zijn er nog gebeurtenissen waar we onterecht te weinig bij stilstaan?

Ja, en zelfs veel dichter bij huis. Een boek dat voor mij heel belangrijk is geweest, is Paris 1961: Algerians, State Terror and Memory van de Britse historici Jim House en Neil Macmaster, dat al in 2006 uitkwam. Het vertelt het verhaal van het bloedige neerslaan van de Algerijnse protestmars in Parijs, op 17 oktober 1961. Frankrijk was toen al zeven jaar in een bloedig conflict verwikkeld om de Algerijnse onafhankelijkheid. Er leefden duizenden Algerijnen in de Parijse buitenwijken, maar die zag je nauwelijks in het stadscentrum. Er was zelfs een avondklok ingesteld die hen de toegang tot de stad verbood. Die 17e oktober was er een mobilisatie van Algerijnse mannen, vrouwen en kinderen, die vreedzaam protesteerden tegen discriminatie en politiegeweld. De politie trad ongezien gewelddadig op. Er vielen zoveel doden dat het conflict geldt als een van de bloedigste staatsrepresailles in West-Europa. En toch heeft bijna niemand hierover gehoord, terwijl we wel het bloedbad van Sharpeville in 1960 kennen. Het racisme van het apartheidsregime zit in ons collectieve geheugen gebakken, maar wat zich op 17 oktober 1961 in Parijs heeft afgespeeld is vergeten.

Ik vond het boek revelerend, omdat de details van die gebeurtenis zo ontstellend zijn. Het was een echte doofpotoperatie. De witte, rijke Parijzenaars stapten uit hun huizen en auto’s om de lijken in de Seine te gooien. We weten gewoon niet hoeveel mensen er die dag precies vermoord zijn. Als je mij dus vraagt waaraan we moeten denken als we het hebben over de jaren zestig, dan is het zeker ook aan die dag in Parijs. Het is zo’n duidelijke manifestatie van dat mislukte dekolonisatieproces, waar we zestig jaar later nog altijd middenin zitten. Frankrijk is weliswaar stappen aan het zetten in het toegeven van oorlogsmisdaden, maar het is merkwaardig, of misschien net niet, dat het zo lang moet duren.

Je hebt het over ons collectieve geheugen. Welke rol heeft dat concept gespeeld in jouw verhaal over de jaren zestig?

Dat idee is vooral belangrijk in het eerste hoofdstuk van mijn boek, waarin ik me afvraag welke verledens bepalend waren voor de mensen in de jaren zestig. Dat was in eerste instantie natuurlijk de holocaust. In het nawoord van Postwar (2005) maakt de Britse historicus Tony Judt duidelijk dat de echte verwerking van de holocaust pas in de jaren negentig op gang is gekomen. Institutioneel klopt dat. De meeste bekende holocaustmusea zijn er bijvoorbeeld pas vanaf de jaren negentig gekomen. Kunstenaars zijn echter veel vroeger gestart met dat verwerkingsproces. In de klassieke muziek, de schilderkunst, de literatuur en zeker in de film van de jaren zestig zie je het ene na het andere verhaal over de Shoah, vaak met veel aandacht voor de verantwoordelijkheid van de eigen bevolking. Nu mag je dat in Polen niet meer zeggen, maar in de jaren zestig onder het communisme kon dat wel.

Wij lijken vaak te denken dat communistische filmmakers alleen maar mochten zeggen dat het de schuld is van de fascisten, en er was natuurlijk een grote propagandamachine, maar veel regisseurs konden ook gewoon het verhaal vertellen dat ze wilden vertellen. Er zitten echt prachtige films bij, die inzoomen op kleine gemeenschappen en daar ontrafelen wie wat heeft laten gebeuren. Nu we het toch over een groot geheugen hebben: we moeten ervoor zorgen dat die films toegankelijk blijven. Als we Netflix alles laten bepalen, schiet er niets meer over. Het aantal films uit de jaren zestig op Netflix kan je bij wijze van spreken op een hand tellen, en ze zijn allemaal Amerikaans.

De kunst, dus, als eerste geheugen. Welk boek belichaamt dat voor jou het best?

Ik raad iedereen de catalogus bij de tentoonstelling Postwar: Art between the Pacific and the Atlantic, 1945-1965 aan, die een aantal jaren geleden te zien was in het Haus der Kunst in München. Het is een weergaloos boek. De curator, de betreurde Nigeriaans-Amerikaanse kunsthistoricus Okwui Enwezor, creëert een netwerk aan verbanden tussen kunstenaars en werken, soms op basis van een esthetische verwantschap, maar vaker zijn de verbanden politiek of bepaald door een specifiek onderwerp. Onze blik op moderne kunst is vanaf de Tweede Wereldoorlog lange tijd formalistisch en kosmopolitisch geweest. Het deed er zogezegd niet toe wie de kunstenaars waren of waar ze vandaan kwamen. Na 1945 wilde de culturele wereld met aandrang een universalisme omarmen, als reactie op de horror waartoe een nationalistische ideologie had geleid. Dat zorgde voor een grote interesse in abstracte kunst, omdat daar niet onmiddellijk een bepaald verhaal of een identiteit aan kleeft. Wat je miskent als je door zo’n lens kijkt, is dat kunstenaars altijd gelokaliseerd zijn, altijd in dialoog werken met de plek waar ze zijn gesocialiseerd, niet vanuit nationalisme maar omdat ze nu eenmaal in een bepaalde context zijn opgegroeid. Plaats is ook een geheugen. Met De jaren zestig heb ik dat topicale geheugen in kaart proberen te brengen, net zoals ik dat met mijn andere boeken heb gedaan, maar dan voor de Vlaamse poëzie of de poëzie uit de Eerste Wereldoorlog.

Wat prachtig wordt gepresenteerd in die catalogus, is bijvoorbeeld hoe fotografen en kunstenaars geprobeerd hebben de impact van de atoombom te verwerken Dat gebeurde in abstract werk, maar sommigen probeerden het onbeschrijflijke ook figuratief vorm te geven. Abstracte kunst en figuratieve kunst lijken soms tot twee verschillende werelden te horen, maar Enwezor heeft ze samengebracht en er een genuanceerd verhaal over verteld. Zijn manier van werken – altijd slim en toegankelijk, didactisch zelfs – heeft een enorme impact gehad, niet alleen op mij, maar op de kunstwereld in het algemeen. Zijn laatste tentoonstelling, waaraan hij werkte toen hij stierf in 2019, is onlangs geopend in New York. De titel is Grief and Grievance: Art and Mourning in America, en hij begon eraan als antwoord op het racistische geweld in de VS. Het is ontzettend jammer dat hij zo vroeg is gestorven, maar met zijn erfenis kunnen we gelukkig nog een hele tijd verder.

 

Dit interview door Sarah Posman met Geert Buelens verscheen eerder op Knack.

Geplaatst op 13/07/2021

Tags: Geschiedenis, Global sixties

Categorie: Essays

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.