cover big

Lepelen uit de honingpot

Christophe Van Gerrewey

Over De ware marsrichting. Opinismen van Marc Kregting

het balanseer, Gent, 2017,
ISBN 9789079202508 / 352p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 04-03-2018

Bookmark and Share

Een boek als dit bestond nog niet. Kan het wel besproken, laat staan samengevat worden? En moet het dan vooral gaan over vorm of inhoud? Zoals hij dat gewend is te doen, heeft de auteur het een ondertitel meegegeven als genreaanduiding. Na onder meer trilogieën, brieven, gedragslijnen, confrontaties, vluchtlijnen, evoluties, catechismen en een doeboek volgt er nu, in het oeuvre van Marc Kregting: een bundel opinismen. Het is een term die hij zelf heeft gemunt, in een post op zijn blog De honingpot van 10 november 2009, als onderdeel van een reeks met als titel ‘Spreektijd’, die ook (voorzien van in- en uitleiding) in nY gepubliceerd werd. De zinnen van toen maken in de volgende, licht gewijzigde vorm deel uit van het eerste hoofdstuk van De ware marsrichting, getiteld ‘De schoft schiet sneller. Het opinisme voor hoofdarbeiders verklaard’.

Voor sommige auteurs blijkt het openbaren en delen van persoonlijke inzichten verleiding en aandrift ineen. Daarom lijkt de term ‘opiniemaker’ voor hen abuis. Ik rep van ‘opinisme’ door een ‘opinist’ – een ‘opinicus’ zou te veel klinken naar Ian Dury’s spasticus autisticus die controversieel was.

Deze passage is de kern van dit boek, want alle tegenstellingen komen er in samen. Kregting bekommert zich om de maatschappelijke positie van de literatuur en om het werk van de literator, of van de auteur als producent. Daarom is De ware marsrichting een vervolg op Zij zijn niet van Jeremia. Non-ficties uit 2004, waarin de schrijver, korte tijd redacteur bij Meulenhoff, het lot van de Nederlandstalige belletrie aan het begin van de eenentwintigste eeuw probeerde te begrijpen. Dat boek was een analyse van de rol van de literaire uitgeverij enerzijds en van de literaire pers anderzijds, waarvan de gedeelde activiteiten bijdragen tot een groeiend onevenwicht in de Nederlandstalige letteren, en tot een verschraling van het aanbod ten nadele van kwaliteit. Een handvol ‘auteurs-als-merknamen’ slorpt alle aandacht op, terwijl het voor de anderen zaak is succesnummers zo goed mogelijk te imiteren. Dat is geen conclusie die Kregting eenduidig maakt: zijn denkbewegingen worden nooit samengevat, zodat ze evenmin – samen met de werkelijkheid waarnaar ze verwijzen – gereduceerd worden. Het nadeel is dat de boeken van deze auteur etiketten opgekleefd krijgen die oscilleren tussen ‘wat wil hij nu eigenlijk zeggen?’ en ‘ik snap er geen bal van’; het voordeel is dat de lezer het haast oneindig aantal verwante elementen dat wordt aangereikt, zelf tot een vermoeden van waarheid kan samenstellen. Wat De ware marsrichting op die manier veertien jaar na Ze zijn niet van Jeremia bijvoorbeeld duidelijk kan maken, is dat literaire uitgeverijen niet meer werkelijk bestaan, of dat ze alleszins machteloos geworden zijn. Voor auteurs kunnen ze nauwelijks nog iets betekenen, en dus staan schrijvers er alleen voor: niet alleen produceren maar ook de eigen productie in de kijker werken (via uiteenlopende activiteiten als twitteren, bijvoorbeeld, misbruik onthullen, quizzen, een nieuw lief voorstellen, vertellen hoe ‘waar’ een boek of hoe koninklijk het eigen bloed is) kan niemand anders beter in hun plaats doen. Dat ze opiniestukken in kranten schrijven om hun ‘persoonlijke inzichten’ te delen door ‘opinist’ te worden, beschouwt Kregting als een zoveelste poging om opgemerkt te worden, terwijl deze auteurs daarmee de laatste restjes intrinsieke bestaansreden van literatuur, als maatschappelijk domein dat zich van de journalistiek zou moeten onderscheiden, vernietigen – het opiniestuk een literair genre noemen, zou gedurfd zijn, precies omdat er zo weinig variatie in mogelijk lijkt.

Deze hoofdbekommernis van De ware marsrichting is niet zonder contradicties en roept vele vragen op. Is het om te beginnen uitgesloten dat een literair auteur een bijdrage levert aan het maatschappelijk debat mét oog voor de formele kwaliteiten van de tekst, en dus zonder afbreuk te doen aan wat er nog rest van de eigen discipline? Is het erg om je pas verschenen boek te ‘linken’ aan de actualiteit, en het op die manier te ‘pitchen’ door middel van een opiniestuk – zoals bijvoorbeeld uiteenlopende auteurs als Jeroen van Rooij, Tom Lanoye en Thijs Lijster dat deden in De Standaard – al dan niet door de bewuste titel in de slotalinea op te voeren? Zijn er geen ‘persoonlijke inzichten’ van schrijvers te bedenken die een publiek belang hebben? Is een ‘persoonlijk inzicht’ trouwens niet dubbelop? En zo nee, wat is dan het tegendeel ervan? Met een voorbeeld dat ook aangeeft dat niet enkel auteurs in een klein taalgebied opiniestukken schrijven: is het niet knap dat Mark Haddon (auteur van de bestseller The Curious Incident of the Dog in the Night-time) in The Guardian (en in De Standaard, want het stuk werd overgenomen) aangeeft dat Oxfam niet zomaar moet verdwijnen vanwege wangedrag van enkele medewerkers? Zal dit niet minstens enkele middenklassers op andere gedachten brengen, wanneer zij op het punt staan bitter te besluiten dat ontwikkelingshulp zinloos is en dat vrijwilligers of werknemers van ngo’s zonder uitzondering profiteurs zijn? En is het niet goed dat nu en dan de arbeidsdeling doorbroken wordt, wanneer ‘niet-experts’ (zoals literaire auteurs) zich uitspreken over dingen die iedereen aanbelangen door ‘met enige regelmaat’ deel te nemen ‘aan het debat’ – een activiteit die op de bladzijden van dit boek nooit precies wordt gedefinieerd (is bijvoorbeeld deze recensie ook een ‘deelname aan het debat’?), maar die vermoedelijk in de ogen van Kregting samenvalt met het optreden op de opiniepagina’s van ‘kwaliteitskranten’ in de Lage Landen zoals De Morgen, De Standaard, NRC Handelsblad of de Volkskrant.

Ook de voorgeschiedenis van deze praktijk wordt geschetst aan het begin van De ware marsrichting – op haast sarcastische wijze, en daarom onthullend.

Maar natuurlijk stond er met Emile Zola, volgens wie Flaubert in laatste instantie een burgermannetje was, in 1898 al een schrijver op die per open brief de slachtoffering van landgenoot Dreyfus aanklaagde. Dat J’accuse, product van herschrijving en gepubliceerd in een krant, had een bijzondere autoriteit. Juist omdat Zola autonoom was, werd zijn opinie geloofd. Door zijn waagstuk ontsnapte hij in de ogen van collega’s tegelijk aan de vulgariteit waarvoor de goede verkoop van zijn werk een teken zou zijn. De publieke intellectueel heette geboren.

Meer dan tweehonderd bladzijden later, wanneer het gaat over het ‘burgermanifest’ Laissez-Passer van kunstenaar Jan De Cock, vergelijkt Kregting ook diens open brief met het J’accuse van Zola.

Even voelt de auteur geen kloof tussen burger en politiek, zelfs niet wanneer die kloof wordt gethematiseerd – niet zelden is de geadresseerde een pas gestorven sympathieke bekendheid of een onhoudbaar geachte bewindspersoon. Dat was al bij het J’accuse, dat Emile Zola richtte aan de president. Maar die oproep van zo’n 4500 woorden vulde in 1898 de hele voorpagina van een krant, zonder afbeeldingen. Tegenwoordig is de open brief een gebed, een teken van hoop, mede omdat de geadresseerde wel erg bot moet zijn om te zwijgen.

Kregting gaat niet in op de gevolgen van Zola’s opiniestuk in de vorm van een open brief. Dat is deels begrijpelijk, want die zijn moeilijk eenduidig vast te stellen: de onterecht van hoogverraad beschuldigde Joodse militair Dreyfus werd in 1906 gerehabiliteerd, maar of dat zonder tussenkomst van Zola niet zou zijn gebeurd, valt onmogelijk te achterhalen. Ook is het niet duidelijk of Zola’s interventie het antisemitisme in Frankrijk klappen heeft toegebracht, of integendeel groter heeft gemaakt, al was het maar door de ‘polarisatie’ in de nasleep van zijn aanklacht. Het is een ander gevolg van Kregtings minutieuze methode – in De ware marsrichting wordt, nogmaals, nauwelijks iets met stelligheid verkondigd of ‘geopinieerd’: het blijft onmogelijk om uit dit boek zwart op wit de bewering te halen dat opiniestukken nooit iets ten goede veranderen, hoewel voorbeelden van onverdeeld positieve effecten evenmin gegeven worden. Op de voorpagina van de belangrijkste Amerikaanse krant, onder de eerste alinea’s van een standpunt, wordt dagelijks een vorm van hoop uitgedrukt: ‘The New York Times publishes opinion from a wide range of perspectives in hopes of promoting constructive debate about consequential questions.’ Is dat niet ook in het Nederlandse taalgebied de bestaansreden van opiniestukken?

Toen De ware marsrichting werd voorgesteld in Brussel, werden drie van de vele hoofdrolspelers in dit boek – Tom Naegels, Rachida Lamrabet en Barbara Van Dyck – om een reactie gevraagd, en om deelname aan een gesprek met de auteur, gemodereerd door Wouter Hillaert. Lamrabet en Van Dyck haakten af; Naegels voelde zich terecht aangevallen, en verdedigde zijn opiniërende activiteiten in wat haast een mantra werd tijdens de boekvoorstelling: ‘ik doe het graag, ik kan het goed, en ik krijg er appreciatie voor.’ Arbeidsvreugde, kunde en lof; dat er een maatschappelijk doel in het spel zou zijn – bijvoorbeeld omdat er dankzij een opiniestuk een nefast idee wordt bekritiseerd, een bedenkelijk plan wordt aangeklaagd (en zelfs afgewend), een positieve tendens in gang wordt gezet, of gewoon omdat er ‘een constructief debat wordt gepromoot over consequente vragen’ – werd door Naegels niet gesuggereerd, en Kregting noch de moderator wierpen het op tijdens het gesprek: in zekere zin een gemist schot voor open doel. Een verschrikkelijke vaststelling: de meest passionele opinist en de criticus-‘ontdekker’ van het opinisme zijn het er fatalistisch over eens dat van het maatschappelijk debat uiteindelijk niets of niemand beter wordt. Zegt dat iets over het debat, of eerder over de samenleving?

Waar Naegels echter een aangenaam tijdverdrijf lijkt te zien dat prettige lectuur oplevert bij het ontbijt, beschouwt Kregting het opinisme als de meest ‘puntige’ en dagelijkse uiting van een pers die al lang niet meer ‘de vierde macht’ genoemd hoeft te worden. Er is in de eenentwintigste eeuw maar één machtsbastion meer over, en dat is precies de pers. De Trias Politica – wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht – zijn totaal afhankelijk geworden van hun representatie in de media, in die mate dat hun inhoudelijke werking er ondertussen volledig op afgestemd is geraakt. Bovendien is het zo dat wie eenmaal de macht heeft, de eigen populariteit op een ongelooflijke manier voortdurend geconsolideerd ziet worden, of dat omgekeerd de macht zich niet meer laat bekritiseren. Consequent is het dus wel dat in De ware marsrichting vooral wordt beschreven hoe ‘opinismen’ – en de manier waarop ‘het debat’ wordt gevoerd of ‘het openbare denken’ georganiseerd – bijdragen tot wat Kregting enkele keren met ‘het Matteüseffect’ aanduidt: de rijken worden rijker en de armen worden armer. Het gaat hier dan niet in de eerste plaats om bankrekeningen of portefeuilles (hoewel het daar uiteindelijk op neerkomt), maar om culturele macht van schrijvers of cultuurproducenten in het algemeen: wie een beetje beroemdheid bezit, zal daarna alleen maar bekender worden; wie daarentegen niet gelezen wordt, verdwijnt steeds meer in de marginaliteit, terwijl al het waardevolle – ideeën, teksten, praktijken, identiteiten, overtuigingen en toekomstperspectieven – wat in de marge wordt ontwikkeld, bijna per definitie op een wegwerpgebaar (of erger) wordt onthaald.

Daar bevindt zich dan ook de geëngageerde lading van dit boek: in de vaststelling, keer op keer, dat niets gelijk verdeeld is in deze wereld, en dat oneerlijkheid de bovenhand heeft. Aan het begin van zijn roman De peetvader zette Mario Puzo een motto van Balzac: ‘Achter elk groot fortuin schuilt een misdaad’; een verwant motto van dit boek zou kunnen zijn: ‘Achter elk vorm van macht schuilt een leugen.’ Aan het opsporen en uittekenen van machtsconcentraties- en netwerken, en van de manier waarop ze de werkelijkheid (met een eufemisme) vertekenen, beleeft Kregting een sardonisch genoegen. Verrassend misschien gezien het literaire vertrekpunt van de auteur, zijn de broers Guy en Dirk Verhofstadt twee spinnen in het web; zij worden bijgestaan door de woorden (en opiniestukken), op krantenpapier, van onder meer Yves Desmet, Erwin Mortier, Hugo Camps en David Van Reybrouck. Deze hoofdarbeiders leven en werken na de dood (door euthanasie) van Hugo Claus, met wie ze in meer of mindere mate bevriend waren. Het overlijden van Claus op 19 maart 2008 is voor Kregting de belangrijkste recente gebeurtenis in het openbare leven in Vlaanderen – een gebied dat centraal staat in dit boek, ondanks enkele uitstapjes naar het noorden. Dat blijkt uit de volgende passage, waarin de auteur zich dan toch beslist opstelt.

Indien ik moest oefenen op een soundbite over de teneur op opiniepagina’s sinds ik er vanaf 19 maart 2008 op ben gaan letten, dan doemde de notie op dat de jaren zestig en zeventig, met hun drammerige totalitarisme via polarisatie, gelukkig echt voorbij zijn. Maar volgens mij is die zwartwitheid binnen het monopolie van het zogenaamde pluralisme nooit weggeweest. Het algoritmisch bepaalde ja of nee sluit uit bij het leven. Het toont het trauma van de ontzuiling.

Die laatste zin is een van de belangrijkste: de ontzuiling heeft de macht weggehaald bij de traditionele machtscentra (zoals kerk en staat), maar die macht – het vermogen van een relatief kleine groep mensen om handel en wandel van een groot aantal medeburgers te bepalen zonder dat zij daar erg in hebben – is vervolgens niet in een oneindig aantal kleine porties verdeeld als op de bruiloft te Kana. Consensus op basis van onwaarheden (en met persoonlijk profijt als einddoel) blijft niet alleen mogelijk maar verdomd onvermijdelijk, in een verondersteld geatomiseerde samenleving, met zogezegd onophoudelijk fragmenterende (sociale) media. Een onthulling die je paranoïde zou kunnen noemen, maar die in De ware marsrichting aannemelijk wordt gemaakt, is bijvoorbeeld dat Verhofstadt en Verhofstadt in samenwerking met het opiniewerk van Mortier en Desmet, niet alleen bepaald hebben wie er nog ‘grote literatuur’ kon produceren na het overlijden van de Meester, maar ook, door hun gezamenlijke en alom nagevolgde bashing van Yves Leterme (ogenschijnlijk ten faveure van diens voorganger Guy Verhofstadt), de troon in elkaar hebben getimmerd waarop ondertussen Bart De Wever onverzettelijk lijkt te zetelen, nadat Letermes CD&V als ‘grote volkspartij’ door De Wevers N-VA werd ‘weggeblazen’.

Of zoals ‘de gerenommeerde Gentse politicoloog’ Carl Devos aan dagblad Trouw zei: ‘Leterme komt nu niet goed weg. Het blijft een ontslag dat met veel tegenzin genomen is, geen exit met grandeur.’ En zoals dat in tendensromans gebeurt werd het verdiende loon benoemd, met de decoratie ‘boemerang’. Ontelbaar vaak kreeg Leterme eigen verwijten en blunders naar het hoofd geslingerd. De Brabançonne met de Marseillaise verward, getwijfeld aan het francofone intellect, de RTBF vergeleken met Radio Mille Colllines: alleen op dit vlak kon Bart De Wever, die op diezelfde radio Franstaligen ‘migranten’ had genoemd die zich moesten ‘aanpassen’, toen nog niet tippen qua aandacht. Maar die was bij Leterme dan ook voluit negatief: ‘800.000 kiezers’ in de kou gezet, voor het communautaire vraagstuk ‘vijf minuten politieke moed ontbeerd’,…

Eigenlijk is het niet correct – en voor een recensent en lezer van dit boek frustrerend – om bovenstaand fragment te isoleren, want het is alsof je een lepeltje onderdompelt in een honingpot (niet toevallig de naam van Kregtings blog), in de hoop dat de hele inhoud – 693 eindnoten incluis – restloos en zonder te kleven mee naar boven komt. De ware marsrichting is een totaaltekst, een wonderlijk en vaak ook humoristisch geheel, dat niet zozeer gecomponeerd als geïmproviseerd lijkt, met talloze overgangen die eerst de auteur krankzinnig doen lijken, en meteen daarna de werkelijkheid waarnaar ze verwijzen. Wat is dan de vorm en het genre van dit boek? Het is geen bundel opinismen – of liever: honderden opinies en citaten zijn in de mix van De ware marsrichting gegooid, en de muziek die dat oplevert is als één lang prozagedicht, dat tot uitdrukking brengt wat het afgelopen decennium zoal door onze collectieve geest heen is gewaaid. In zekere zin is echter ook de term essay gepast, conform de definitie van Lukács, door Adorno in ‘Het essay als vorm’ geciteerd.

Het essay spreekt altijd van iets dat al gevormd is, of in het gunstigste geval van dat wat er geweest is, het behoort dus tot zijn wezen dat het geen nieuwe dingen uit het lege niets oproept, maar alleen dingen opnieuw ordent die ooit al levend waren. En omdat het deze dingen alleen opnieuw ordent, niet vanuit het vormloze iets nieuws vormt, is het ook aan hen gebonden, moet het altijd ‘de waarheid’ over ze spreken. Uitdrukking vinden voor hun wezen.

De ware marsrichting is een haast perverse hypertrofie van deze conceptie van het essay, omdat Kregting voortdurend citeert en niet parafraseert, en de ordening nooit toestaat om een duidelijke figuur te vormen, wat overigens van een bijna bovenmenselijke beheersing getuigt. Zijn tekst is daarom langs de ene kant non-fictie, met de onmiddellijke, feitelijke en ‘zakelijke’ betrokkenheid op de werkelijkheid, maar heeft langs de andere kant op de lezer ook effecten die traditioneel bij fictie als ‘open werk’ horen, zoals onbeslistheid, ambiguïteit, en een appel tot interpretatiearbeid dat zich in elke zin ophoudt (en leesplezier allesbehalve uitsluit). In een essay over Proust schreef Walter Benjamin ‘dat alle grote literaire werken een genre stichten of een genre ontbinden – dat ze, anders gezegd, aparte gevallen zijn.’ De ware marsrichting is zeker een apart geval: het ontbindt het genre van het opiniestuk door het te behandelen als het lijk van het collectief gesprek waartoe onze samenleving nog in staat is, en het resultaat is een vooralsnog naamloos genre dat getuigt van vampiristische maar tomeloze vitaliteit. ‘Uiteindelijk’, zo schreef Benjamin over de Weense auteur Karl Kraus, met wie Kregting zich als auteur van dit boek nog het best laat vergelijken – ‘Uiteindelijk heeft hij al zijn energie gebundeld in de strijd tegen de mooi klinkende uitdrukking met weinig inhoud, die de talige expressie is van de willekeur waarmee de actualiteit in de journalistiek zich als heerser over de dingen opwerpt.’

 

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?