cover big

Man zoekt vrouw

David Nolens

Over De lanterfanter van Yusuf Atılgan (vert. Hanneke van der Heijden)

Uitgeverij Jurgen Maas, Amsterdam, 2016,
ISBN 9789491921162 / 275p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 26-06-2016

Bookmark and Share

Wie kan nog lanterfanten? Eindeloos naar huizen en mensen kijken? Hoe zou het zijn om in dit of dat huis te wonen? En wie is deze of gene mens die voorbijgaat? Moeiteloos vooroordelen projecteren op hem of haar, de mens uitkleden of zijn of haar leven invullen. De eerlijke lanterfanter weet dat de meeste van zijn gedachten niet meer of minder zijn dan een verdinglijking van wie hij beschouwt.

Dat is ook het dilemma van C., het hoofdpersonage van De lanterfanter (1959), het debuut van de Turkse schrijver Yusuf Atılgan (1921-1989). Het verhaal speelt zich grotendeels af in Istanbul, hoewel de stad niet bij naam wordt genoemd. C., achtentwintig jaar, heeft er ettelijke gebouwen van zijn vader geërfd. Daardoor hoeft hij niet te werken, een belangrijke voorwaarde voor wie van het lanterfanten zijn dag en nacht wil maken.

Het is niet voldoende om door de straten te slenteren, van kapperszaak naar restaurant naar bioscoop naar koffiehuis, opgesloten in jezelf. De lanterfanter heeft een hoofd te vullen. Dat doet C. door in de chaos van het stadsleven tekens of verwijzingen te ontdekken, want die brengen orde en rust:

Maar hij zat met zijn gedachten bij het vuil achter het oor van de man voor hem. De vorm van dat vuil fascineerde hem. Uiteindelijk besloot hij dat het op een tekening van Matisse leek. Hij ontspande. [...] Haar gezicht leek enkel te bestaan uit een donkerrode mond en een neus als van een Romeins beeld.

Na zijn breuk met Ayşe – hij vermoedt dat ze met iemand anders gaat – is C. het noorden kwijt en concentreert hij zich op andere vrouwen die hem opvallen in het straatbeeld. Alles in het teken van het toeval dat evengoed het noodlot kan heten. Later zal blijken dat hij Ayşe ontvlucht, omdat hij de intimiteit van een relatie niet aankan, omdat hij zich niet kan settelen. Toch droomt hij zich een andere vrouw, want in het verlangen blijft alles open.

Toen hij de hoek omsloeg zag hij de twee meisjes. [...] Toen liep hij het beige meisje achterna. In dat ene moment waarop hij stil was blijven staan, was alles voorbij.  Weer had hij zich vergist. Het meisje in lichtblauw was B. Was hij haar achternagegaan, dan zou het verhaal ten einde zijn. Maar hij ging met Güler mee.

Güler en B. zijn vriendinnen. Langzaam introduceert C. zich in het leven van Güler, door haar te volgen in de straten of door in een theehuis tegenover haar flat post te vatten, als een stalker dus. Maar Güler is gecharmeerd en uiteindelijk worden ze bevriend en vormen ze een soort hoofs koppel, in het verborgene natuurlijk, want ongehuwd in de jaren vijftig. Güler schrijft lange brieven naar B. over haar ontmoetingen met C. Driemaal kruisen B. en C. elkaar, maar ze weten het niet van elkaar. Dus ja, misschien had B. nog meer dan Ayşe iets voor C. kunnen betekenen, als was ze in een wiskundig bewijs een stelling die hem in zijn bestemming moet voorgaan. Een andere reden voor de naamkeuze van B. en C. kan ik niet bedenken.

De relatie met Güler kent een breuk omdat C. zich neerbuigend uitlaat over het burgerlijke leven van kind en gezin. Hij schetst hun een toekomst die al in het verleden lijkt te liggen, dus al bij voorbaat geleefd en uitgekauwd is, door de anderen natuurlijk, tot wie hij zich telkens cynisch verhoudt. Güler schrijft ontgoocheld aan B.:

Zodra we de hoek om waren leek hij wel tegen alle huizen tekeer te gaan. Zo boosaardig als hij was! Als je hem hoort, zou je nog denken dat er van al die mensen in al die huizen waar de stad mee vol staat niemand gelukkig is. ‘Waarom ben je zo pessimistisch?’ vroeg ik hem. ‘Waarom ben jij dat niet?’ antwoordde hij. ‘Kijk je dan niet naar de mensen om je heen?’

Zijn houding is wat dit boek in Turkije tot een klassieker maakte. In alles wat hij doet of zegt, schuilt verzet tegen de moderne samenleving. Hij wil er geen deel van uitmaken. Maar hij weet ook niet van wie of wat hij dan wel deel wil uitmaken. Dat is ook vandaag de dag heel herkenbaar, maar misschien minder urgent dan in een roman uit de jaren vijftig, omdat we inmiddels vertrouwd zijn met deze existentiële vertwijfeling.

Ik houd het meest van zijn observaties, die soms ook gewoon grappig zijn in hun pathetische overdrijving:

Volgens hem is alles wat mensen op straat doen uit het hoofd geleerd.

Hij was bang te wennen. [...] Het was slecht dat ze een plek hadden. Want dan leef je niet langer naar je eigen verlangens, maar naar die van de plek.

Er waren meer vrouwen op de wereld dan nodig was, maar die ene was er niet.

Omdat hij hier geregeld kwam eten, vreesde hij dat ze hem voor een ‘vaste klant’ zouden houden.

Zolang een mens niet klaagt over hoe de dagen zich aaneenrijgen, kan hij voor gelukkig doorgaan.

C. en Ayşe ontmoeten elkaar per toeval opnieuw aan de kust, waar hij een huisje betrekt. Ze vinden hun passie terug. Maar omdat Ayşe weet dat C. zich niet kan binden en zal vertrekken, neemt zij eerder de vlucht. C. gaat weer naar de stad. Er wordt ook iets opgehelderd, een trauma misschien, dat aan de basis zou kunnen liggen van zijn gedrag. Als kind zag hij hoe zijn geliefde tante, die hem opvoedde, werd bemind door zijn vader, die een bijzondere voorkeur voor haar benen had. Sindsdien haat hij zijn overleden vader, maar wil hij ook zelf vrouwenbenen kussen, hoewel hem dat dikwijls moeilijk valt. Een beetje grotesk, zoals alles in dit boek. Nadat hij B. al eens aan de kust heeft gekruist, botst hij in de stad tegen haar op, zonder haar te herkennen. Later loopt een meisje langs het raam van het baklavasalon waar hij zit. ‘Zij was degene naar wie hij op zoek was.’ Nu is het eindelijk duidelijk voor hem: B. heeft zich als het ware aan hem geopenbaard. Hij gaat haar achterna, maar kan haar niet inhalen. B. dus als de onbereikbare vrouw, die als ideaal misschien alleen maar in zijn hoofd bestaat.

De lanterfanter is geen vrolijk boek, en het is ook een beetje vervelend. Ik wandelde samen met C. door de straten. De lethargie kroop onder mijn vel (of werd misschien eerder nog wat extra gevoed). Af en toe is de lectuur ontwrichtend: ja, dit is nu een leven. Dat eenzame hoofd, dat naar een solipsistische wereldbeschouwing neigt, want C. komt alleen via zijn tomeloze, zelfs wat agressieve verbeelding nader tot de ander. Dus ziet hij de ander nooit werkelijk staan. En ik wist al vroeg in de tekst: natuurlijk mislukt C. in zijn pogingen tot toenadering. Natuurlijk gaat hij nergens heen en vindt hij niemand. Maar misschien is dat niet slechter dan als geslaagde burgerman een mislukte lanterfanter te zijn.

 

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?