Proza, Signalement

Moedertaal is passé

De palimpsesten

Aleksandra Lun

De Poolse Aleksandra Lun (1979) vertrok op haar negentiende naar Spanje, waar ze literatuur studeerde. Sindsdien werkt ze als vertaler vanuit het Engels, Frans, Spaans, Italiaans en Roemeens naar het Pools. Momenteel woont ze in België en leert ze Nederlands. Haar roman Los palimpsestos verscheen in 2015. Dat deze polyglot debuteerde in het Spaans is uitzonderlijk en meteen een thema van haar boek.

Het hoofdpersonage Czeslaw Przęśnicki is een immigrant uit Oost-Europa, zelfverklaard mislukt schrijver van een eerste roman in de onbestaande taal Antarctisch en opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis in Luik. Daar werkt hij aan een tweede roman, ook in het Antarctisch. Die schrijft hij op de pagina’s van de krant De Standaard, tijdens de gestolen uren, want dikwijls wordt hij gehinderd door zijn kamergenoot vader Kalinowski, die over vogels praat, bidt of hem zegent. Terugkerend zijn de gesprekken met de psychiater die hem het Antarctisch wil afleren, want het is ongehoord om literair te schrijven in een andere taal dan de moedertaal. Hetzelfde lot is de andere patiënten beschoren, bijna allemaal schrijvers die hun moedertaal inruilden voor het Frans of het Engels: Vladimir Nabokov, Samuel Beckett, Emil Cioran, Jerzy Kosinski en enkele anderen. Ook zij krijgen therapie die ervoor moet zorgen dat ze hun geadopteerde taal loslaten en vergeten.

In de flaptekst van het boek looft schrijver Dimitri Verhulst, die bij dezelfde uitgeverij publiceert, de roman met de woorden: ‘Ik wou dat mijn oeuvre het op stapel staande en verpletterende oeuvre van Lun ten huwelijk kan vragen.’ Ja, ik kan me iets bij deze romance voorstellen. Beide schrijvers lijken een voorkeur te hebben voor de luchthartige vertelling en de bijtende spot. Verpletterd heb ik me tijdens mijn lectuur geen moment gevoeld. Ook las ik er geen ‘satire’ (flaptekst) in, maar eerder een soort deurenkomedie, bijna letterlijk door de setting van het ziekenhuis, waarin de protagonist zich verplaatst tussen patiëntenkamer, therapieruimte en toezichtsruimte. Tijdens de therapeutische gesprekken vallen de andere schrijvers letterlijk met de deur binnen. Zonder uitzondering zeggen ze tegen Przęśnicki dat hij niet over afgronden mag schrijven, want dat is te makkelijk een cliché. Waarom deze gimmick zo dikwijls wordt herhaald, werd mij niet duidelijk.

Wat moet de lezer met dit boek? De meningen zijn verdeeld. Ik kon het niet laten om hier en daar te spieken. Knack schrijft: ‘Op de achterflap prijken woorden als “wervelend” en “geestig”, maar “saai” en “belegen” had ook gekund. Met elke literaire grootmeester die Lun vermeldt, groeit de ergernis: had ik maar een klassieker gelezen in plaats van dit geraaskal.’ Maar De Standaard besluit: ‘Dit boek zal niemand koud laten. Leg je het weg, dan komt het vanzelf terug, omdat het obsessionele karakter van het verhaal de nieuwsgierigheid prikkelt.’ In Het Parool staat: ‘[E]en etalage vol vondsten, maar in de winkel is het schemerig leeg.’ Het is een goed teken, zegt men, als een boek verdeeld wordt ontvangen.

Ik ben het ermee eens dat dit boek een obsessioneel karakter heeft en bol staat van geraaskal en vondsten. Het opent met een citaat van de Poolse schrijver Witold Gombrowicz, die ook een rol speelt in het verhaal en met wie Aleksandra Lun opzichtig dweept. Met enige moeite kan je de gekte van zijn stijl in haar werk herkennen, maar de vlijmscherpe precisie en doelgerichtheid van Gombrowicz ontbreken bij Lun. Het obsessionele schuilt niet zozeer in de ontwikkeling van het verhaal, maar in de doorgedreven associatie, waardoor je als lezer alle kanten wordt uitgestuurd en geen enkele gedachtegang of handeling een logisch verloop kent – alsof, zo noteerde ik, Delphine Lecompte een roman heeft geschreven. (Lecompte debuteerde trouwens met een roman, in het Engels.)

 

Ik werd schreeuwend wakker want ik droomde dat de hoofdpersoon van mijn eerste boek, de vampier-lezer, uit een vliegtuig stapte en het asfalt van een militair vliegveld kuste en toen geëxecuteerd werd door een bataljon inheemse Antarctische schrijvers omdat hij met een buitenlands accent las. Toen ik mijn ogen opendeed onderwierp vader Kalinowski me aan een duiveluitdrijving en zodra hij zag dat ik wakker was zegende hij me en verkondigde dat hij de soutane had gewassen voor als ik die nodig had. Daarna stapte hij op de hometrainer en begon te trappen, en ik pakte de oude pagina’s van De Standaard, sloot mezelf op in de badkamer en begon te schrijven.

 

Dit geraas omvat voornamelijk het eerste deel van de dertien hoofdstukken. Hoewel de stijl niet wijzigt, komt het thema in het tweede deel van de korte roman wel meer op de voorgrond. Toch heeft de lezer er het raden naar wat de werkelijke insteek is. Volgens de uitgever gaat het boek over ‘de hele twintigste-eeuwse Europese geschiedenis en haar complexe migratieheden en -verleden’. Dat is echter een veel te grote paraplu die de lading niet dekt. De flaptekst van de originele Spaanse uitgave luistert veel nauwer en beperkt het thema tot enkele vragen: ‘Waarom verandert een schrijver van taal? […] Beperk je jezelf of maak je jezelf in een vreemde taal? Hoe verhoudt een schrijver zich tot zijn adoptietaal?’

De schrijver die zijn moederland en -taal verlaat, maakt van zichzelf een vrijwillige banneling. Aleksandra Lun laat de schrijvers in het ziekenhuis antwoorden op de voorgaande vragen. Dat zijn de zinnen die je onderstreept. Nabokov zegt: ‘[D]e overgang van schrijven in het Russisch naar schrijven in het Engels was buitengewoon pijnlijk. Alsof ik opnieuw moest leren om voorwerpen vast te pakken nadat ik zeven of acht vingers had verloren bij een explosie.’ Beckett roept: ‘Het concept van de moedertaal is passé! […] En jullie weten niet dat de moedertaal altijd wordt geplaagd door automatismen en dat het, simpel gezegd, noodzakelijk is om van een taal te vervreemden.’ Gombrowicz voegt daaraan toe: ‘Soms zou ik alle schrijvers van de wereld naar het buitenland willen sturen, ver van hun eigen taal en hun versieringen en verbale filigraan, om erachter te komen wat er dan van ze over zou blijven.’ Karen Blixen is nuchterder: ‘Ik schrijf in het Engels omdat dat rendabeler is.’

De recensent in Het Parool schrijft: ‘Ik denk dat het allemaal gaat over je thuis voelen, in je leven, je werk, je taal, het land waarin je toevallig terecht bent gekomen.’ Zelf denk ik dat het over exact het tegenovergestelde gaat: over het verlangen naar ontworteling en hoe dat niet in dank wordt afgenomen door het gastland en evenmin door het thuisland. Een migrant of (economische) vluchteling wil zich zo snel mogelijk een thuis maken. Voornoemde schrijvers wensen dat net niet. Ze verplaatsten zich en gingen in een andere taal wonen, net om hun thuis achter te laten of om het een heel andere invulling te geven, weg van de beklemmingen en de vanzelfsprekendheden. Een andere taal is ook een ander denken. Weg ook, verbeeld ik me, van de culturele en elitaire inner circle en de daarbijhorende vooroordelen en geplogenheden.  Ach, lees wat je wil in dit grillige boek, dat minder luchthartig is dan op het eerste gezicht  lijkt.

Uitgeverij Pluim, Amsterdam, 2020
Vertaald door: Lisa Thunnissen
ISBN 9789083045979
141p.

Geplaatst op 27/10/2020

Tags: Aleksandra Lun, De palimpsesten, Dimitri Verhulst, Schrijverschap, Taal, Witold Gombrowicz

Categorie: Proza, Signalement

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.