cover big

Marietje leert lezen

Bertram Mourits

Over Alle poëzie dateert van vandaag van Charles Ducal

Poëziecentrum / Atlas, Gent / Amsterdam, 2010,
ISBN 9789045016986 / 64p.

(1) reactie(s) - geplaatst op 03-02-2010

Bookmark and Share

Er staat veel in Alle poëzie dateert van vandaag dat een beetje poëzielezer allang weet. Om te beginnen de titel, die echoot Ezra Pounds definitie van literatuur als ‘news that stays news’. Het is bijna een definitie: poëzie is een tekst die waardevol blijft, los van de eventuele gedateerdheid van de context waarin het gedicht is ontstaan. En Charles Ducal is bepaald niet de eerste die deze gedachte herhaalt – de titel is een citaat van Sybren Polet. Ducal sluit zich aan bij de opvatting dat poëzie geen emotie is, maar kunstig bewerkte taal, en ook dat is geen nieuw inzicht.

En dan is er het misverstand dat je gedichten moet interpreteren: ‘Lees maar, er staat niet wat er staat,’ citeert Ducal Nijhoff: een regel die een destructieve invloed heeft gehad voor generaties lezers. Er staat toch niet wat er staat, dus je kunt lezen wat je wilt (misverstand nummer één) en een dichter schrijft dus iets anders op dan wat hij wil dat er staat, je moet altijd overal wat achter zoeken (misverstand nummer twee).

Ducals pleidooi om eerst eens te lezen wat er wel staat, is even ter zake als bekend. Susan Sontag, 1969, Against Interpretation, ben ik geneigd onmiddellijk in te brengen. En Nachoem M. Wijnberg roept al jaren, wanneer iemand beweert dat hij ontoegankelijke, polyinterpretabele poëzie schrijft: lees nu gewoon wat er staat, en zoek er niet steeds wat achter. Je komt dan al een heel eind. Maar natuurlijk is poëzie meer dan woorden op papier. Er is een orale traditie waarbij klank en ritme de voornaamste rol spelen. En de bezwerende kracht moet ook erkend worden – mogelijk een echo van J.H. de Roder.

Charles Ducal richt zich in Alle poëzie dateert van vandaag dan ook niet in eerste instantie op de lezer die vertrouwd is met poëtische taal en dichterlijk lezen, en voor wie Pound, Wijnberg, Sontag, enzovoorts, gesneden koek zijn. Hij richt zich in eerste instantie tot ‘Klaartje’ en ‘Eugène’, twee nogal uiteenlopende schoolkinderen van wie de een liefst danst op vrolijke liedjes, de ander zozeer van complexiteit houdt dat hij eigenlijk niet begrijpt dat iemand van Leonard Cohen kan genieten. Pubers dus, die stuurloos en ongericht lezen en zingen en schrijven, en voor wie Ducal als de middelbare schooldocent die hij in het dagelijks leven ook is, een paar kaders aanbrengt. Een vangnetje hier, een berm daar. Aan díe leerlingen moet misschien helder uitgelegd worden wat ‘wij’ allang weten.

Ik durf me deze nogal arrogante inleiding te veroorloven omdat Alle poëzie dateert van vandaag, zo bekend als het betoog ook klinkt, daarom bepaald niet minder goed is. Ja, Ducal bewandelt begane paden, ja hij is belerend, maar (en dat zijn misschien oneigenlijke argumenten) je gelooft hem bij alles wat hij beweert, en vooral: hij pretendeert ook helemaal niet het wiel opnieuw uit te vinden. Hij heeft bovendien vrijwel steeds gelijk, ook als hij het niet heeft. Dat is te danken aan zijn stijl: hij schrijft goed, met aanstekelijk enthousiasme en zonder ontzag voor grote namen of grote gevoelens.

Het beste voorbeeld van dat laatste is de afbraak van Hans Andreus’ ‘Voor een dag van morgen’, dat enkele jaren geleden bij een door Behoud de Begeerte georganiseerde enquête tot beste Nederlandstalige gedicht van de twintigste eeuw werd gekozen. Het is een huwelijks- en begrafenisklassieker, aldus Ducal, een gedicht dat vrijwel iedereen die het eens gehoord of gelezen heeft, zal herkennen – en dat je, als je het nog niet kende, ook onmiddellijk bekend zal voorkomen. Het hangt in menig cultureel centrum als poster aan de muur, en een docent die het gedicht voorleest in de klas kan op herkenning rekenen, en op een snik onder het gevoelige gehoor: ‘Ik lach daar niet om, of beter: ik hoor daar niet om te lachen.’

Gelukkig, Ducal is ook niet vrij van arrogantie. André Hazes, Celine Dion – dat is de categorie waarin we ‘Voor een dag van morgen’ moeten bezien, het is een gedicht dat ‘krachtig en trefzeker op het sentiment’ werkt. Maar daarmee is het nog geen goede poëzie. Sterker nog, het is ‘het absolute dieptepunt’ in het oeuvre van Andreus.

Vervolgens doet Ducal wat hij aanraadt dat je met alle poëzie moet doen: het eerst eens ‘zo nuchter mogelijk’ bekijken. Kijken wat er staat dus:

Wanneer ik morgen doodga,

vertel dan aan de bomen

hoeveel ik van je hield.

Of vertel het aan huizen, dieren of kinderen. ‘Maar zeg het aan geen mens, / ze zouden je niet geloven.’ Volwassen worden gaat blijkbaar gepaard met een groeiend cynisme waardoor je niet langer kunt geloven in de grootse liefde waarvan Andreus hier getuigt – ‘de mensen’, weg ermee, met uitzondering van de gevoelige lezer, is natuurlijk de suggestie.

‘Ik vind dit, met permissie, belegen romantiek’, schrijft Ducal. ‘Goedkoop, puberaal en vooral vals. […] Dag boom, de mensen zijn zo hard en zo bot, wil jij mijn vriendje zijn?’ Genadeloos ontrafelt Ducal de – voor hem overigens volkomen begrijpelijke – populariteit van dit gedicht: ‘mensen vinden dit gedicht zo “poëtisch” omdat ze het net niet nuchter bekijken. Omdat ze niet lezen wat er staat, maar alleen wat er niet staat. Het gevoel, de roes, het sentiment.’ Het is een simpel lesje lezen. Maar het is – gezien de populariteit van dat gedicht – een nuttig en bovendien plezierig opgeschreven lesje.

Wat is dan wél goede poëzie? Ducal is niet te beroerd om verderop in zijn essay met een definitie te komen, paradoxaal als die mag zijn. Zijn punt valt in twee stellingen samen te vatten: goede poëzie is begrijpelijk, ook als ze onbegrijpelijk is en de tegenhanger goede poëzie is onbegrijpelijk, ook als ze begrijpelijk is. De eerste bewering kan in stelling gebracht worden bij gedichten waarin geen woord op een ander lijkt aan te sluiten, waarin de verbanden alleen associatief zijn en die op het eerste gezicht onzinnig kunnen lijken. Ducal noemt Lucebert, over wie hij jarenlang lesgeeft, aanvankelijk om te laten zien dat er grenzen zijn aan onbegrijpelijkheid. Totdat hij ging merken dat hij juist het voorbeeld dat moest illustreren dat het een keer ophoudt, mooier en mooier begon te vinden. Want als het goed is – en dat hoeft zeker niet altijd zo te zijn – gaat zo’n gedicht bij herlezing (en bij voorlezing) wel degelijk wat betekenen, op de manier dat instrumentale muziek ook niet samen te vatten valt maar wel degelijk begrijpelijk kan zijn. Bij Lucebert, het hoeft ons niet verbazen, gaat het goed.

De tweede stelling is voor gedichten die glashelder lijken: gedichten in klare taal, waarin juist precies lijkt te staan wat er staat. Die worden goed als er een klein tikje tegen wordt gegeven, een verrassend woord, een beeld dat net niet klopt. Nijhoff, om maar eens iemand te noemen, of Herman de Coninck, die een realistische situatie door middel van het juiste woord interessant weet te houden: nieuws dat nieuws blijft.

Om deze twee definities te demonstreren heeft Ducal zijn twee scholieren in het leven geroepen. ‘Kijk, daar is Klaartje’, is de eerste zin van het essay. Ze zingt een nonsensrijmpje waarop gedanst wordt (‘pappelouw die beerooroo’) en illustreert zo dat poëzie, zang, klank, dans samen kunnen gaan in een ervaring. Klaartje danst op rijmpjes, zingzegt haar klanken die nergens over gaan maar die een man met ‘een notitieboekje en een pen’ toch doen opkijken en vragen wat ze precies zingt. Blijkbaar valt er toch wat te begrijpen aan die onbegrijpelijke klanken.

Ondertussen staat in de klas een gedicht op het bord waarin die speelse component duidelijk aanwezig is, maar waar we ook betekenis in kunnen vinden, die overigens sterk samenhangt met rituelen: ‘Vader / tik! / geeft me ‘en kruisken, als ’t u blieft!’ In die klas zit Eugène, het jongetje dat in Ducals verhaal de techniek vertegenwoordigt. Hij geniet wanneer de poëzie aan bod komt tijdens de les. Wanneer Eugène later zelf aan het dichten slaat, zal hij aanvankelijk wel proberen via drank en écriture automatique zijn brein spontaan te laten overvloeien maar dankzij Neeltje Maria Min wordt hij bekeerd tot zorgvuldigheid: de begrijpelijke gedichten die bij nadere beschouwing tóch onbegrijpelijke gedichten zijn. Als je ze maar net zo goed en grondig leest als je Lucebert moet lezen om bij diens begrijpelijkheid in de buurt te komen. Een mooi eerbetoon is het feit dat Guido Gezelle precies in het midden staat. Van hem worden gedichten in uiteenlopende contexten behendig ten tonele gevoerd.

Dat is het dus, in eerste instantie: een stoomcursus Poëzie voor Scholieren. In het hoofdstuk voor (en over, en met) ‘kenners’ gaat Ducal toch wat verder. Hij probeert iets te verklaren over canon en consensus: ‘al kunnen traditie en gewenning een grote rol spelen in de canonvorming, niemand die thuis is in hun werk zal ontkennen dat Bredero in ‘Snachts rusten meest de dieren’ of Hooft in ‘Geswinde Grijsart’ in hun beste doen waren’. Geen cultuurrelativisme waarbij alles even goed is: klassiekers zijn dat niet voor niets geworden.

Ook krijgen we een beknopt staaltje Bourdieu: over institutionele factoren die maken dat de rol van poëzie zo groot is ondanks de kwantitatief geringe prestaties van het genre. Ducal legt uit hoe belangrijk de rol van onderwijs is – een verantwoording achteraf voor het instructieve eerste deel van zijn essay: wie iets moois en moeilijks op waarde wil schatten, zal dat moeten leren.

Eugène is inmiddels dichter geworden, en Ducal introduceert diverse lezers om aan te geven hoe relatief de rol van Eugène in het literaire landschap is. ‘Marietje’, een van die lezers, maakt bezwaar tegen de strenge hiërarchie die docenten geneigd zijn aan te brengen. Met definities over goede, begrijpelijke en onbegrijpelijke poëzie lijkt de ‘persoonlijke smaak’ geen rol meer te spelen en juist die is haar leidraad. Ze ‘stuurt haar oud-leraar een boze mail.’ En zo belandden we in het slothoofdstuk.

Ducal geeft Marietje geduldig antwoord, of beter, dat doet ‘F.’ – dat staat onder de mail die ‘Lieve boze Marietje’ van haar oud-docent mag ontvangen. Het geeft aan hoe groot de persoonlijke inzet is waarmee dit essay is geschreven, want wie zal F. anders zijn dan Frans Dumortier, de echte naam van Ducal. Aan Marietje legt hij uit – F., dus: de leraar, niet de dichter – dat persoonlijke smaak een goed uitgangspunt is, maar nooit het einde van het verhaal kan zijn. Je kunt geraakt worden door emoties, maar smaak is wel degelijk een kwestie van kwaliteit. Het is een stiekem, ouderwets standpunt: je moet veel lezen en weten om poëzie te kunnen waarderen. ‘Het oor heeft onderwijs nodig’ en niet alles is even goed. En ‘Voor een dag van morgen’ is níet goed, herhaalt F. nog maar eens. Alle ontroering ten spijt. Met die ontroering is niets mis (‘ik hoor daar niet om te lachen,’ immers) maar geduldig legt de leraar uit dat, als je dóórleest, je gaat begrijpen dat wat Andreus doet eerder effectbejag dan dichten is te noemen.

Bij die conclusie hoeft niet iedereen uit te komen. Ducal vermoedt dat twee procent van de potentiële lezers in staat moeten zijn om uit te stijgen boven het niveau van emotie en herkenning bij het lezen van gedichten. Misschien is dat optimistisch, in elk geval zie ik geen empirische basis, maar met het streven om meer lezers van poëzie goed te laten lezen, is niets mis. Gedichtendag is een mooie aanleiding – het Gedichtendagessay probeert de kans te benutten. Als Ducal niet zou geloven dat het serieuze publiek voor poëzie te vergroten is, had hij de opdracht vast niet aangenomen. Voor de duur van dit essay geloven we dus dat ‘Marietje’ in staat is verder te komen dan ‘Ik voel je zachte adem / strelend op mijn huid’ (anoniem) – en uiteindelijk in staat zal zijn om ook ‘En ik weet niet, hoe thans dit hart, zo zwak, / Dat al zo moe is, altijd luider slaat’ (Kloos) op waarde te schatten. In Alle poëzie dateert van vandaag legt Ducal op geestige, intelligente en toegankelijke manier uit hoe je meer kunt halen uit het lezen van gedichten. We zullen zien wie er zijn voordeel mee gaat doen.

1 reacties

Een kleine bedenking. Of Charles Ducal een optimist is, valt toch niet echt afleiden uit het hier besproken essay. Daarin vermoedt Ducal bijvoorbeeld niet eens met zoveel woorden ‘dat twee procent van de potentiële lezers in staat zouden moeten zijn om uit te stijgen boven het niveau van emotie en herkenning bij het lezen’, zoals Bertram Mourits stelt.
Ducal vermoedt wél dat niet meer dan twee procent van alle leerlingen na de middelbare school überhaupt nog gedichten zullen lezen. En dat vindt hij niet eens erg, ‘want het is onvermijdelijk’ (p. 52).
Ducal lijkt in het onderwijs vooral willen te redden wat er nog te redden valt: ‘ook al leest maar twee procent van de leerlingen later nog gedichten, iedereen moet de kans krijgen bij die twee procent te horen.’ En ook: ‘Erg is iets anders. Namelijk als dat uitgangspunt wordt opgegeven en poëzie wordt herleid tot wat past binnen het spontaan leesbereik of wat herkenbaar is binnen de belevings- en gevoelswereld van jongeren en het grote publiek.’
Ducal staat met andere woorden nogal kritisch tegenover bepaalde ‘leuke activiteiten op Gedichtendag’ (p. 15). Hij schreef wel het Gedichtendagessay, maar het is nog maar de vraag of hij een initiatief als Gedichtendag wel zo’n mooie aanleiding vindt om meer lezers van poëzie *goed* te laten lezen. Een bekwame middelbare schooldocent biedt dan meer garantie dan een jaarlijks in diverse vlotte mediaformats gegoten poëziefestijn.

  • Door Piet Joostens
  • gepost op
    05-02-2010, om 7:09:47

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?