Poëzie, Recensies

De klok die tikt

De koers van de eeuw

Charles Ducal

Laten we beginnen bij het begin. Dat doet Charles Ducal (1952) ook vaak. Verschillende van zijn werken openen met een terugblik op de prille jeugd; zo ook zijn nieuwe, negende en lijvige dichtbundel De koers van de eeuw (2021). In de openingsreeks ‘Een kleine hond’ – een imaginair vriendje van een doodsbang kind dat zijn leven lang een doodsbang kind zal blijven – wordt de wereld van de kindertijd geschetst. De ik-figuur groeide op op een boerderij waar zijn almachtige vader heer en meester was. De imposante figuur bood het kind de veiligheid die het verlangde, maar boezemde het tegelijk zelf angst in. Hij was zelfs bijna even angstaanjagend als die nog zoveel grotere Vader die het reilen en zeilen op de boerderij fundamenteel bepaalde. Het sterkste gedicht van de openingscyclus is

 

Kinderspel

 

Achter het zwarte blok van de stallen

sleept over een vijver van maanwit beton

het kreng. Hardvlak het lijf, een mespunt de tong

uit de muil. Het touw strakgespannen

 

over de rug van de man sleurt tweehonderd pond

dood door het beeld, dat zich nu grift

in het hoofd. Waarin een verzonnen kind

uit bed is ontsnapt, zich niet langer verschuilt,

 

maar tevoorschijn huppelt om het beest

op te jutten ju zwijntje ju tot de man stopt,

het purperen kreng roze wordt als van marsepein

en over het witte water terugloopt naar zijn hok,

 

waar het door tien kleine monden

spelenderwijs op wordt geslokt.

 

Dit gedicht toont hoe fijn deze poëzie is gemaakt. De eerste anderhalve strofe is bijzonder visueel. Bij het begin van het zevende vers, bij het woordgroepje ‘in het hoofd’, slaat er iets om. Daar begint het gedicht zich inderdaad in het hoofd af te spelen, wordt er van werkelijkheid overgestapt op verbeelding – de spanning tussen die twee polen is al sinds het begin een hoofdthema van Ducals werk. Terwijl het echte kind ongetwijfeld als aan de grond genageld staat tot vader en varken uit het zicht verdwenen zijn, durft het ‘verzonnen’ kind zich te tonen en slaagt dat kleine alter ego erin met zijn woorden – een uiterst bescheiden liedje – de dood in het leven om te toveren. Het magische wordt versterkt door bijgedachten aan Christus’ lopen over water en aan marsepeinen varkentjes die de Sint in een boerengezin van die tijd wellicht niét bracht, hoe braaf de kinderen ook waren. Het kind is een god, een dichter in het diepst van zijn gedachten.

Ik schreef al dat dat doodsbange kind zijn leven lang een doodsbang kind zou blijven. Volwassenheid is geen evidentie, blijkt uit gedichten over de ouders. In ‘Na de oogst’ uit de openingsreeks beschrijft de hoofdfiguur hoe hij zijn moeder eens hoorde zingen en deze zinnelijker kant van haar hem van de wijs bracht: ‘Ik was, ik weet het niet meer, zeven of acht, / en ben dat nog’. In de tweede reeks ‘Dodenhuis’ is de vader al jaren dood en begraven, en toch nog springlevend: ‘Hoop niet te dromen, daarin is hij / het meest nabij […]. Slaap ik // is hij vrij om wat daar ligt aan volwassen / niets [mijn cursivering, A.D.C.] zijn hand van ijs op de mond te leggen’.

Het gebrek aan volwassenheid van de hoofdfiguur blijkt ook uit het beeld dat de volgende generatie van hem heeft. Het openingsvers van ‘Zoon’ doet een belletje rinkelen; in 1994 was het al het openingsvers van ‘Begin’ uit Moedertaal: ‘Hoe werd ik begonnen die nacht?’. Besloot de ik zijn overpeinzingen daar met de hamvraag ‘Kwam ik uit liefde? // Of door een godsdienst bedacht?’, dan stelt de zoon zich in de nieuwe verzen weinig vragen. Hij eindigt zijn illusieloze, wat spottende portret van zijn vader met ‘Ze hield van hem. Waarom weet ik niet’. Het hoofdpersonage heeft als vader niet dezelfde indruk kunnen maken als zijn vader.

Dat de zoon zo genadeloos is voor de hoofdfiguur, heeft te maken met diens uit de hand gelopen hobby, het schrijven, en de impact die die had op zijn omgeving. In de eerste bundels van Ducal, die altijd al metapoëtisch heeft geschreven, was de poëzie het rijk van de verbeelding. Daar kon een mens zich wreken op de werkelijkheid waar zovele verwachtingen en verplichtingen heersten. In zijn poëzie herschiep het hoofdpersonage de realiteit, in zijn ivoren toren keek hij neer op het gewone leven en beminde hij de muze meer dan de echtgenote. Die afwezige aanwezigheid, aanwezige afwezigheid en de gevolgen ervan lijken centraal te staan in de reeks ‘Herkent iemand dit?’. De kroniek van een aangekondigde breuk begint met ‘De man die de vrouw schept’ en eindigt met ‘De man die zich uit de vrouw heeft bevrijd’. Tussenin wordt er een kind gemaakt:

 

De vrouw die zich uit de man heeft bevrijd

kneedt uit zijn aanwezigheid het nodige kind

om wat hen scheidt deelbaar te maken.

Zo legt men de wereld stil. Wie zich in hoogmoed

heeft afgezonderd en zingt, rent als het lek

dient hersteld over zichzelf de trap af

 

naar het leven. Een mens die zich opgeeft

heeft zoveel te geven. Is hij leeg, is het kind rijp.

Het stopt de vrouw in zijn zak en gaat

op stap om zich met de wereld te meten.

Eenmaal vergeten, kruipt zij uit de zak,

loopt hem tegemoet, zingend, onbevredigd.

 

In de hieraan voorafgaande reeks staat een andere liefde centraal. Daar liggen de machtsverhoudingen anders en is de vrouw de sterkste: ‘Je antwoordt niet als ik mij wil zien in je blik. // Je ziet niets, volstrekt niets, in het gedicht’. Alleen al uit de titel, die aan het verhaal van David en Goliath refereert, blijkt hoe de rollen verdeeld zijn. De man is slechts ‘[d]e kei in haar slinger’. Een ding. Een instrument. Iets dat men wegwerpt voor een hoger doel. Hoewel de liefde innig is, blijft zij in wezen steeds onzeker, wordt zij nooit een verworvenheid of evidentie.

In de liefde zijn er machtsverhoudingen. Daarbuiten ook. In de zevende reeks ‘Zo machtig voelde het’ worden verschillende machtsapparaten blootgelegd. De godsdienst. De pornografie – moderne slavernij, inclusief zweep. En vooral: de poëzie, die wanneer zij de wantoestanden niet aan de orde stelt, medeplichtig is aan het systeem; de poëzie waarmee de ik-figuur een haat-liefdeverhouding heeft. In zijn persoonlijke leven was Charles Ducal altijd al donkerrood geëngageerd. Maar lange tijd heeft hij geprobeerd zijn poëzie ‘zuiver’ te houden; lange tijd vreesde hij dat iemand die in een dichtbundel ten strijde trok tegen racisme en corruptie zich snel een beetje belachelijk maakte, zoals hij het uitdrukte in zijn essay ‘De belangrijkheid van de poëzie’ (1991). Die angst heeft Ducal mettertijd moeten laten varen. De maatschappij klopte te hard op het raam van zijn schrijfkamer; in zijn bundels kwam steeds meer buitenlucht. Deze evolutie, die eigenlijk al werd ingezet met de reeks ‘Door God gericht’ uit Moedertaal, werd versterkt door Ducals aanvaarding van het dichterschap des vaderlands en de sociale, geëngageerde manier waarop hij die opdracht invulde – Bewoond door iets groters (2015) is daar de neerslag van. Zijn vorige bundel was getiteld De buitendeur (2014); dat die deur openstond, bleek onder andere uit kritische verzen over ons koloniale verleden en het Palestijnse heden.

Het hart van De koers van de eeuw – Ducal is een bundelbouwer en zegt stilzwijgend veel door de loutere plaatsing van gedichten en cycli – bestaat uit drie reeksen maatschappijkritiek. Een paar gedichten zijn geschreven naar aanleiding van iets heel concreets, dat meegegeven wordt in een noot. De meeste zijn echter ‘Zonder naam, zonder gezicht’, zoals de titel van een van de kritische reeksen luidt. Ducal maakt geen foto’s, maar x-rays van een heel systeem. Deze gedichten zijn gedichten, geen nieuwsberichten. Dat wordt ook en vooral duidelijk op talig vlak. Ducal schrijft even scherp als fijnzinnig.

 

Nieuws

 

Een vrouw drukt haar aangezicht in een krant

en gooit die over het prikkeldraad, in de hoop

dat iemand ze opraapt, desnoods de wind.

Zij wil bericht worden, zichtbaar in inkt.

 

Zo ligt zij, in duizendvoud, in de lounge,

op de trein, bij het ontbijt. Ontwakende ogen

lezen haar warm, een korte tijd. Dan is zij oud

nieuws. Koud geworden zegt een gezicht niets.

 

Daarom drukt de leider elke dag zijn gezicht

in de krant, warm en koud, koud en warm.

Waar hij gaat gaat de inkt, en ook de wind,

die keren kan. Daar ligt de leider wakker van.

 

In de titelreeks wordt de leider ‘het opperhoofd’ genoemd , ‘uit zijn toverzak haalt hij het sprookjesboek’ – het boezemt de lezer misschien weinig vertrouwen in, maar de burger zal wel volgen wanneer de weg hem gewezen wordt: ‘Waarom / staan er Friese ruiters op de weg, denk je, / die naar de toekomst leidt’. In ‘De koers van de eeuw’ wordt ons tijdsgewricht op zijn waarde geschat en staat de ratrace centraal. Wij gaan op een vreemde manier om met de tijd en met andere kostbaarheden, zo blijkt:  ‘Komt er een kind, de kribbe is vooraf besteld’. Er wordt vooral veel tijd verspild, doordat de mens zijn kop in het zand steekt. No time to waste, schreef Greenpeace decennia geleden al op T-shirts. ‘Het duurt vast nog // een eeuwigheid, dit even even nog’, staat in het eerste gedicht, dat eindigt met ‘Soms schreeuwt / de straat, zelfs op het scherm, een bange hand / die aan de deuren rukt, maar ons huisje is gezellig / dicht. De haard die brandt, de klok die tikt’. Het egoïsme en het gebrek aan toekomstperspectief (of het gebrek aan daadkracht om er alsnog één te creëren) zijn opvallend: ‘Gezien onze ouderdom is het haast zeker / dat wij het einde niet halen. Komt het zwaard, / zijn wij vast tijdig ingeslapen’. Een apocalyptische sfeer domineert De koers van de eeuw. Ducal heeft zich van bij zijn debuut Het huwelijk (1987) een meester getoond in het manipuleren van Bijbelse beeldspraak.

Laten we eindigen met het einde. Dat doet Ducal ook vaak. Toegedekt met een liedje (2009) werd al afgesloten met de reeks ‘Zoveel as’ en een ‘Envoi’ voor een overleden vriend. Ook aan het eind van de nieuwe bundel komt de naderende dood centraal te staan. Het is tijd voor een inventaris. En alles blijkt niets, blijkt ijdelheid te zijn geweest. De slotreeks van de jongste bundel heet ‘Balkend naar af’. De dichter is een ezel? De dichter wil wat pret in het licht van de dood. Wat zelfspot.

 

Mijn voeten, weggelopen uit mijn schoenen,

ontsnapt uit het groot verzenboek,

 

waarin zij eeuwen ver hebben geschreden,

met doornenkroon en lendendoek,

 

zij zien nu pas, nu het is vastgesteld:

er wordt niks uitbetaald, geen dividend

 

per kilometer Sisyphus, hooguit wat handgeklap,

maar dat sterft weg zodra de ezel niet meer rent.

 

En waarom zou hij? De wortel hangt zo slap

dat hij er zelf om lachen moet. En ook:

 

daar is de terminus. Hoog tijd dus

voor wat vrolijkheid. Balkend naar af.

 

Als de poëzie een ezelskoers was, zette ik toch nog behoorlijk wat geld in op Ducal. Deze dichter slaagt erin een duidelijke ‘Boodschap’ te brengen en tegelijk het fundamenteel ongrijpbare van intrigerende, uitdagende poëzie te vrijwaren. Hij beheerst beeld en Bijbel en hij zit op vormtechnisch vlak – klank, ritme, strofebouw, spanningsboog – strak in het pak. De koers van de eeuw is een van zijn sterkste bundels.

 

Atlas Contact, Amsterdam, 2021
ISBN 9789025470562
107p.

Geplaatst op 13/09/2021

Tags: Charles Ducal, De koers van de eeuw, Maatschappijkritiek

Categorie: Poëzie, Recensies

Reacties

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.