cover big

Nachtmerriestad

Siebe Bluijs

Over Narcopolis van Jeet Thayil (vert. Anniek Kool)

Leesmagazijn, sine loco, 2017,
ISBN 9789491717383 / 298p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 06-09-2017

Bookmark and Share

Jeet Thayil (1959) is een schrijver uit India die in het Engels schrijft. Hij bracht eerder vier dichtbundels uit (voor zover ik weet geen van alle in het Nederlands vertaald). Op de binnenflap van Narcopolis staat dat Thayil ruim twintig jaar lang verslaafd was aan opiaten. Die ervaring goot hij in een fragmentarische roman, die in 2013 in het Engels verscheen en nu door Leesmagazijn in een Nederlandse vertaling is gepubliceerd.

De roman volgt de vaste bezoekers van de khana (het opiumkot) van Rashid in de Shuklaji Street in Bombay, tegen de achtergrond van het veranderende India van de jaren zeventig tot aan 2004. Naast de vrome moslim Rashid, de uitbater van de khana, is er bijvoorbeeld Dimple, een hijra (een Zuid-Aziatische term voor een transgender persoon; ik houd de vrouwelijke vorm aan die ook in de roman wordt gebruikt). Zij werd op haar achtste verkocht en gecastreerd om voor een tai (een soort pooier) te gaan werken. In de khana maakt zij de opiumpijpen klaar. Ook maken we kennis met Rumi, een gewelddadige gebruiker en opschepper, en met Dom Ullis, vaste klant en vertrouweling van Dimple en de verteller van het verhaal.

Opium van het volk

Naast een keur aan andere personages speelt ook de stad waarin de khana zich bevindt een belangrijke rol. ‘Bombay, een stad die haar eigen geschiedenis heeft uitgewist door zichzelf een nieuwe naam te geven en operatief van gedaante te wisselen, is de heldin of ‘la héroïne’ van dit verhaal…’, zo luidt de opening van Narcopolis. De naamsverandering en de gedaanteverwisseling van de stad vonden plaats in de jaren negentig. In 1991 werd een beleid van economische liberalisering ingevoerd met grote gevolgen voor de sociale structuur.

Deze verandering vormt de voornaamste achtergrond van het levensverhaal van haar inwoners. In 1996 is de naam van de stad door de regering officieel veranderd in ‘Mumbai’, de oorspronkelijke Indiase naam volgens de autoriteiten. In de roman wordt de stad echter consequent als Bombay aangeduid. (De Taalunie adviseert overigens de benaming ‘Bombay’ voor Nederlandstalige teksten.) De dubbele naam van de stad en haar metamorfose sluiten aan bij de centrale thematiek van meervoudige identiteiten. In deze roman zijn mensen zowel vrome moslims als opiumkotuitbaters, zowel man als vrouw, en de mysterieuze figuur die Pathar Maar heet, is tegelijkertijd sluipmoordenaar en verlosser.

Bombay is nog op een andere manier dubbelzinnig: de metropool wordt omschreven alsof zij (ook de stad wordt consequent als vrouwelijk aangeduid) zelf een drug is: ‘ik [vond] Bombay en opium, de drug en de stad, de stad van de opium en de drug Bombay’.

Ook de status van de verteller is meerduidig. De proloog bestaat uit een zin die meer dan zeven pagina’s voortwoekert. Daarin wordt beschreven dat het verhaal twee ik-vertellers heeft:

…misschien is de O het ik en is dat ik onbetrouwbaar, is mijn geheugen net vloeipapier, mijn gaterige, poreuze, versnipperde non-geheugen, waarin details van dertig jaar geleden zijn opgeslagen maar van deze ochtend niets meer over is, en als het zo is dat geheugen = pijn = mens-zijn, dan ben ik geen mens, dan ben ik een pijp vol O die dit verhaal vertelt in de loop van één nacht en dat is het enige wat ik doe, de andere ik dus, de ik die dit opschrijft uit de eerste hand van de pijp…

Naast de ene ‘ik’ genaamd Dom Ullis, die de levenswandel van zijn medeverslaafden beschrijft, wordt de vertelling toegeschreven aan de opiumpijp, die de personages tot zich en tot elkaar verbindt – zoals ook de stad hen verenigt. Doms verhaal is verbonden met dat van de andere gebruikers, totdat hun verhaal ook zijn verhaal wordt: ‘[I]k had iedereen kunnen zijn, ik verloor mezelf, dat is de reden dat mensen zoals ik in de eerste plaats aan de drugs gaan.’ De taal van de roman is om die reden ook meervoudig. Het gebruik van Indiase, Chinese en Pakistaanse woorden (overigens zonder toelichting) geeft uitdrukking aan de smeltkroes van verhalen en mensen die elkaar in een stad als Bombay kruisen.

De versmelting van elementen wordt het duidelijkst geïllustreerd aan de hand van een ander belangrijk thema in de roman: religie. In het op elkaar gepakte Bombay lopen geloofsculturen en -overtuigingen door elkaar. Dimple belichaamt dit idee van syncretisme het sterkst (ook door haar meervoudige genderidentiteit). De openingszin indachtig is Dimple op te vatten als de personificatie van de stad. Als ze bij Rashid gaat inwonen krijgt ze ‘een nieuwe naam, Zeenat, en een boerka.’ Vanaf dat moment is haar geloofsidentiteit fluïde: ‘Ze bleef sari’s dragen. Afhankelijk van wie ze wilde zijn, veranderde ze haar kostuum. Dimple of Zeenat. Hindoe of moslim.’

In deze vermenging van identiteiten is de drugscultuur voor de personages een wezenlijk onderdeel van hun religieuze beleving. De ceremonie van het klaarmaken van de pijp beschrijft Thayil haast als een heilig ritueel. Meerdere keren worden drugs en het goddelijke zelfs gelijkgesteld. In de khana vertelt Rumi aan Dimple:

dat hij de duizend-en-een namen van god kende en de duizend-en-een namen voor heroïne en [dat] hij ze soms door elkaar haalde, als hij tijdens een aarti-ritueel bijvoorbeeld Satyam, Sharam, Sundaram zei – waarheid is heroïne is schoonheid […]. [H]ij vroeg zich af: wie had die woorden in zijn hoofd gestopt? Hoe kwamen die zinnen daar terecht, zo volledig dat het leek alsof een goddelijke stem ze had uitgesproken?

De gebruikers verhouden zich tot hun verslaving met een religieuze toewijding. Karl Marx’ bekende vergelijking tussen religie en opium wordt hier op zijn kop gezet: opium is de religie van het volk.

Heroïne en kapitalisme

Aan de syncretische mix van verschillende religies en drugs wordt echter een ingrediënt toegevoegd, waardoor de pan overkookt. In de wereld van de khana is dit nieuwe element de introductie van heroïne. Rashid is aanvankelijk tegen deze drug uit Pakistan. Heroïne is veel sterker en verslavender dan de opiaten die gangbaar zijn in de khana. Hij vindt het daarom moeilijk(er) de verkoop ervan in overstemming te brengen met zijn geloof. Maar uiteindelijk ziet hij zich genoodzaakt het middel in zijn assortiment op te nemen om competitief te blijven.

De komst van heroïne valt samen met het verval van de stad. Er worden meldingen gemaakt van geweldplegingen en rellen, een politiebureau wordt in brand gestoken, taxi’s staan in lichterlaaie, onderling religieus geweld neemt toe, dieren lijken uit het straatbeeld te zijn verdwenen en er zijn nauwelijks meer middelen te verkrijgen op de voedselmarkt. Deze gebeurtenissen spiegelen de historische realiteit. In december 1992 en januari 1993 vonden in Bombay verschillende gewelddadige incidenten plaats tussen hindoes en moslims en kort erna werden er meerdere bomaanslagen gepleegd.

Salim, een van de leveranciers van Rashids khana, licht de ontwikkelingen toe aan Dimple:

Leg eens uit waarom je overal aan Chemical kunt komen, maar je op de markt geen tomaten vindt. Dat komt, lieve Dimple, omdat de stad van de politici en de criminelen is. […] [I]n deze handel gaan tientallen miljoenen om en in Bumbai is geld het enige geloof.

Dimple reageert daarop met een direct citaat van haar Chinese leermeester, meneer Lee, die haar het prepareren van de opiumpijpen heeft bijgebracht, en die in de jaren veertig naar India vluchtte voor de willekeur van het communistische regime: ‘Het is gedaan met de wereld, zei ze, er kan iedereen van alles overkomen, op ieder moment.’ Dimples evocatie van meneer Lees woorden impliceert dat de nieuwe orde even meedogenloos en willekeurig is als het systeem waarvan Lee en zijn familie slachtoffer zijn geworden.

Het nieuwe systeem van liberalisering, gesymboliseerd door heroïne in zijn kortetermijndenken en verwoestende effecten op de gemeenschap, lijkt in eerste instantie niet zozeer vijandig als wel onverschillig tegenover religies. Van een syncretische versmelting is geen sprake, zoals Rashids houding tegenover de drugs duidelijk maakt. Waar Rashid zijn drugshandel eerder niet in tegenspraak zag met zijn geloof, en bijvoorbeeld ook zijn verhouding tot Dimple geen probleem vormde, is de verkoop van heroïne een stuk problematischer. Hij vraagt zich af:

wat voor soort overheid zou heroïne niet als vergif beschouwen? Welke god zou zo’n drug toejuichen? De goden van de hindoes niet, en zelfs de god van de christenen niet. Dus wat had het te betekenen dat de Pakistanen, die dezelfde God als hij aanbaden, garad naar India stuurden? Het betekende dat de politiek, of de economie, al het andere ter wereld te niet deed.

De politiek of de economie – hier gelijkgeschakeld als een politieke vorm van economie – worden als een religie beschouwd. De enige god die heroïne toejuicht, is de god van het geld.

In zijn essay ‘Kapitalismus als Religion’, geschreven in 1921, werkt Walter Benjamin de these van Max Weber uit dat het kapitalisme een secularisering is van een geloofsideologie (in Webers analyse is dit geloof het protestantisme). Volgens Benjamin is het kapitalisme te vergelijken met religie, zij het zonder theologie en volledig bestaande uit een opeenvolging van rituelen, waarbij arbeid samenvalt met de viering van het ritueel. Deze opeenvolging van rituelen echoot met de wijze waarop het verkrijgen, de bereiding en de consumptie van drugs beschreven wordt in de roman. Het opiumroken wordt consequent als een ritueel omschreven. Thayil vergelijkt de khana met een gebedsruimte.

In een interview zegt Thayil dat verslaving te vergelijken is met een voltijdse baan. De junk is constant bezig met zijn of haar volgende shot. Thayil betoogt dat dit gegeven een vorm van bevrijding betekent, omdat de toewijding van de verslaafde hem of haar ontslaat van existentiële twijfels en andere preoccupaties. In de afkickkliniek geeft Dimple een soortgelijke beschouwing. Er zijn ‘zoveel goede redenen’ om drugs te gebruiken, volgens haar.

[E]n niemand die het daar over heeft, en mensen hebben het vooral niet over de troost die het biedt, hoe goed het voelt om ergens verslaafd aan te zijn, de regelmaat en de gewoonte van een verslaving, over het feit dat het een middel tegen eenzaamheid is en over de manier waarop het je familie wordt, hoe het je moederliefde, bescherming en veiligheid biedt.

Dimple spreekt over drugs zoals iemand over haar geloofsovertuiging spreekt. Het is echter een geloof dat volledig in teken staat van consumptie. Al het andere ter wereld wordt erdoor teniet gedaan.

(Zelf)destructie

De samenkomst van economie, geloof en drugs wordt geïllustreerd door een lezing in de verslavingskliniek door de goeroe Soporo waarin het verhaal van Blade Runner (1982) wordt naverteld. In die film roepen machines met een menselijk bewustzijn hun maker ter verantwoording. De ontwerper van de machines legt uit dat het idee van sterfelijkheid is ingebouwd in het ontwerp van de androïden, waarna een van hen hun god vermoordt. Het idee van ‘geplande veroudering’ koppelt Soporo aan het kapitalisme:

het idee is dat bedrijven producten ontwerpen met een beperkte levensduur, zoals die mooie computers die ik tegenwoordig overal zie, met die blinkende logo’s, het Bijbelse half opgegeten stuk fruit, enzovoorts, mooie voorwerpen die zo worden gemaakt dat ze zichzelf vernietigen.

Door de context van een verslavingskliniek wordt de betekenis van deze terzijde duidelijk. De drugs waarvoor de verslaafden opgenomen zijn, worden in verband gebracht met producten waaraan een fundamenteel principe van vernietiging ten grondslag ligt. De verwijzing naar het bekende Applelogo brengt het idee van religieuze toewijding verder in verband met deze (zelf)destructieve neiging.

Het vertellende personage Dom Ullis neemt uiteindelijk afstand van het drugsleven door de stad, die hij in korte tijd ingrijpend heeft zien veranderen, te ontvluchten:

op die laatste dag, bij vertrek, bleek de stad het ware beeld van mijn vernietigde zelf: een object onderworpen aan verval, niets waard dan medelijden, op alle mogelijke manieren afgesloten van de wereld.

In het laatste deel keert Dom Ullis terug. De khana is inmiddels een troosteloze kantoorruimte, bestierd door Rashids zoon Jamal. De zoon verkoopt cocaïne aan schimmige Russen in hippe clubs. De andere verslaafden zijn inmiddels dood. Bombay is ten onder gegaan aan haar eigen vernietigende verslaving aan het grote geld, haar inwoners in haar val meesleurend.

Thayil weet deze geschiedenis invoelbaar te maken aan de hand van personages die de stad belichamen en door de stad op zo’n manier te beschrijven dat zij zelf een personage wordt. Dit levert een roman op als een opiumdroom waarin religie, economie en verslaving door elkaar lopen en die uiteindelijk afglijdt in een nachtmerrie.

 

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?