cover big

... of uw eigen kleine oorlog zin heeft

Erik Spinoy

Over De verzwegen Boon van Pol Hoste

Hommage aan Louis Paul Boon

Het Balanseer, Aalst, 2010,
ISBN 978 90 79202 08 9 / 162p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 30-12-2010

Bookmark and Share

Het is de avond van 10 mei 2009, de dertigste verjaardag van Boons overlijden. Ik-verteller Pol (‘Paul Gustaaf’) maakt zijn opwachting in Aalst. Daar moet hij op uitnodiging van Willem Roggeman, de voorzitter van het Boongenootschap, een toespraak houden ter herdenking van de wellicht invloedrijkste Vlaamse romancier van na de Tweede Wereldoorlog. Op een receptie in het Belfort van Aalst raakt hij in gesprek met een aantal aanwezigen, levenden en doden door elkaar.

Deze situatie vormt het vertrekpunt van een 162 pagina’s tellende stroom van gesprekken, herinneringen en bedenkingen die voortkabbelt tot het krieken van de dag, waarna het gezelschap zich naar het kerkhof begeeft en de toespraken beginnen. Die van ‘Paul Gustaaf’ krijgt echter geen officiële status: hij komt niet aan het woord, zodat hij zijn toespraak maar tot zichzelf richt.

Tot de gesprekspartners op de receptie behoren onder meer Jeanneke Boon, heel even (de bijzonder zwijgzame) Boon zelf, de dichter Malve en ook ene Verlichtegeest. Samen fungeren die personages als klankborden voor en afsplitsingen van de ik-verteller. Daarnaast worden ook diens gesprekken en discussies weergegeven met personages die figureren in recente en minder recente herinneringen, zoals de communiste Rosa Michaut, de ‘lieve grootmoeder’, de aantrekkelijke schoenenverkoopster Vanessa, de Spinoza-specialiste prof.dr. A. Verreweg, de literaire bobo meneer Hemelmans, meneer Arthur van de Provincie en de gefortuneerde zakenman meneer Dirk.

Motieven en identificatiefiguren

De dertien hoofdstukken van De verzwegen Boon komen doorgaans op een bijzonder associatieve wijze tot stand. De redeneringen van de ik-verteller en de dialogen waar hij in betrokken is, springen van de hak op de tak. Dat maakt van dit boek nog geen doelloze chaos. Dat komt vooral doordat er zich de nodige motieven aftekenen, en ook omdat een aantal van de hoger genoemde figuren geregeld terugkeren en na verloop van tijd scherpere contouren aannemen.

Dat geldt vooral voor enkele figuren uit de jeugd van de verteller: de communiste Rosa Michaut, bewonderaarster van Boon en een even bescheiden en taaie als illusieloze idealiste, en de ongeletterde grootmoeder, die niettemin van een scherp inzicht getuigt in mens en samenleving én blijk geeft van een virtuoze omgang met haar Lokerse volkstaal. Beide vrouwen worden door Hoste opgevoerd als de enigszins onwaarschijnlijke schutsengelen van zijn beginnende schrijverschap. In beide gevallen gaat het om (allicht niet toevallig vrouwelijke) figuren die in de patriarchale orde van het naoorlogse Vlaanderen geen stem krijgen, maar toch koppig blijven spreken. De spreker ziet er er een prefiguratie in van zijn eigen positie – die van een schrijver die geen sant in eigen land is, maar zich evenmin de mond laat snoeren. Negatieve identificatiefiguren zijn daarentegen de beide ouders, die opgevoerd worden als ‘norse en zeurderige communisten… voor wie er in de wereld niets bestond dat deugde’.

Zo bespiegelt Pol Hoste over de ontwikkeling van de Vlaams-Belgische en westerse samenleving sinds zijn vroege jeugd en over zijn (en onze) plaats daarin, vanuit de overtuiging dat ‘duizend onuitgesproken verledens (meervoud) in duizend onuitgesproken hedens (meervoud) door ons allen worden meegedragen’. Het is de taak van de schrijver om dat onuitgesprokene, ‘alles wat men voor elkaar verzwijgt’, toch uit te spreken.

Naar de geschiedenis kijken kan men alleen maar door scheel te zien, door te loensen. Er is geen perspectief dat niet vervormt, geen geprivilegieerde toegang tot de waarheid. Ook Hoste heeft dus zijn eigen toegang tot de universaliteit – en het is een, voor Vlaamse verhoudingen, vrij ongewone.  Terwijl de meeste Vlamingen van zijn generatie – geboren in de eerste jaren na de oorlog – zich hebben moeten ontworstelen aan de erfenis van het Alles-Voor-Vlaanderen / Vlaanderen-Voor-Kristus, met alles wat daarbij hoorde aan benepen katholicisme en fascistisch nationalisme, groeide Hoste op in een atheïstisch-communistisch milieu. Het portret dat hij hier (en in eerder werk) van dat milieu ophangt is buitengewoon deprimerend. Het is al dogmatisme, ‘afgunst en nijd’ wat er de klok slaat. Individuele verzuchtingen moeten wijken voor de directieven van de Partij. Dat vindt de verteller trouwens ook terug in de memoires van Boons vriend, de communistische en vervolgens socialistische politicus Bert van Hoorick, waar ruim aandacht aan wordt besteed.

Terwijl een groot aantal Vlamingen van Hostes generatie het collaboratieverleden van hun ouders met zich meedraagt, moet ‘Paul Gustaaf’ zien klaar te komen met de vermoedelijk bijzonder onplezierige rol die zijn vader, als plaatselijk leider van het communistisch verzet, heeft gespeeld in de repressie van de eerste weken na de oorlog. Terwijl zijn ouders het rechts-katholieke Vlaams-nationalisme officieel en met kracht afwezen, bleven ze er toch nauw mee verbonden – door hun kind te laten dopen, door te hopen op een communistische republiek Vlaanderen, door gepassioneerd de boeken te lezen van de collaborateur De Pillecijn. En terwijl de ouders reikhalzend uitkeken naar de naderende verwezenlijking van de Utopie, onthielden ze – in het beeld dat De verzwegen Boon van hen ophangt – hun eigen kind een huiselijke omgeving van liefde en tederheid.

Anti-communist en socialist

Het resultaat is een buitengewoon problematische verhouding tot de ouders, zozeer zelfs dat ze in Hostes voorstelling verschijnen als een Vlaams echtpaar Ceaucescu. En niet minder dan de kinderen van nazi’s en collaborateurs rekent het vertellende hoofdpersonage zichzelf tot een ‘zwaar belaste generatie’ – de generatie geboren in het midden van de eeuw van het fascisme en het communisme. In De verzwegen Boon blijkt de precieze scheidslijn tussen beide meer dan eens te vervloeien.

Dit omkijken in boosheid naar een communistische jeugd belet echter niet dat de spreker in deze roman zich blijft afvragen hoe men zich vandaag de dag als mens en als schrijver nog werkelijk progressief, en meer bepaald socialistisch, kan engageren:

Voor mij is het socialisme een wereldopvatting, een mensbeeld, een tijdsvisie. Maar het is tegelijk ook een literatuuropvatting, een cultuurpolitiek, een algemeen streven naar een betere mens. ... Het gaat om alle mensen. Niet om het experiment van de artiest. Maar om de verdrukten in de wereld. Omdat het socialisme voor mij nog zijn waarde heeft. Het betekent solidariteit. ... Cultuur moet samengaan met sociale strijd.

Het communisme is failliet, en Hoste wenst het op geen enkele wijze te rehabiliteren. Maar het is niet omdat het reëel bestaande socialisme een horreur was, dat de idealen ervan op de brandstapel van de geschiedenis moeten belanden: ‘Moet de partituur in het vuur worden gegooid omdat de uitvoering niet om aan te horen is?’ Bijgevolg: ‘Toch blijven wij socialisten ... uit een soort dwaze hoop’. Omdat die hoop niet echt spoort met het huidige tijdsgewricht, moet de ik leven met ‘zeer veel verdriet’, en ook met veel twijfels, omdat hij zich voortdurend afvraagt ‘wat Ondine zich afvraagt: of uw eigen kleine oorlog zin heeft.’

De verzwegen Boon is dan ook een moeizame poging om de eigen positie te bepalen ten aanzien van de gedesillusioneerde ex-communist Boon, die voor meerdere progressieve Vlaamse auteurs van Hostes generatie bij het begin van hun schrijverschap een belangrijk richtpunt is geweest. Wie dit boek leest in de hoop meer te weten te komen over ‘wie Louis Paul Boon werkelijk was’, komt bedrogen uit. Dit boek gaat in de eerste plaats over Hoste zelf: ‘Uw eigen geschiedenis herdenken is het enige waartoe ge in staat zijt om Boon te herdenken. Dichter komen bij hem dan bij diegene die ge zelf zijt kunt ge niet.’

Op onze – alle financiële crisissen ten spijt – nog zeer neoliberale dagen kunnen Hostes blijken van aanhankelijkheid aan het socialisme anachronistisch klinken. Dat bewijst op zich niets, behalve dan hoezeer het hegemonische discours – het spreken dat zo overheersend is geworden dat het alle andere vormen van spreken als ‘onrealistisch’ of ‘extremistisch’ van de hand kan doen – ons denken koloniseert. Dat laatste vormt wellicht ook een van de verklaringen waarom de ‘niet met zijn tijd meegegane’ Hoste de laatste jaren door de mainstream van de Vlaamse literatuur brutaal opzij is geschoven. En revanche wordt Hoste dan wel door een kleine groep ‘radicale’ schrijvers en lezers als een van hun vaandeldragers in de lucht gestoken. Het is ook niet ontypisch dat Hoste met ingang van dit boek bij de kleine, onafhankelijke Aalsterse uitgeverij Het Balanseer publiceert, waar ook werk van andere ‘dwarsliggers’ als Willy Roggeman en Claude Krijgelmans verschijnt.

Polyfonie

Zoals eerder aangegeven gaat de roman vooruit met soms bliksemsnelle associatieve sprongen – tussen scènes, maar soms ook van korte zin naar korte zin. De verzwegen Boon schiet hierdoor vaak ‘verschillende richtingen tegelijk’ uit, zonder dat de verteller zelf ‘op voorhand weet’ waar hij zal uitkomen. Dat levert bij wijlen bijzonder knappe of geestige flitsen op, maar zorgt er ook voor dat het niet altijd even gemakkelijk is om de auteur in zijn hinkelspel te volgen – en soms is het resultaat ook wel eens ronduit flauw.

Dit kan de lezer gefrustreerde opmerkingen ontlokken – waar Hoste overigens zelf op anticipeert, doordat hij die kritiek in de mond legt van de gesprekspartners waar de ik-verteller zich mee onderhoudt. Het is een procédé dat we kennen van de Boon van De Kapellekensbaan. Ook De verzwegen Boon is bijgevolg, naar het voorbeeld van de Aalsterse meester, een meerstemmige roman, zij het dan van een aanzienlijk bescheidener envergure dan die van Boons magnum opus.

Dit polyfone karakter laat Hoste ook toe om duidelijk te maken dat de ik-verteller het vaak allemaal zelf niet meer goed weet, en dus al tastend zijn positie probeert te bepalen. Dat lukt trouwens niet altijd. Niet zelden werpt de verteller de ene vraag na de andere op – zonder dat daar een antwoord op komt. De verzwegen Boon is een boek waarin heel veel wordt gezocht – inclusief, suggereert Hoste zelf, naar de criteria waar het mee beoordeeld moet worden. Dit zou het dan, als we de immer scherpzinnige Lyotard mogen geloven, bij uitstek tot een postmodern boek maken.

Iets anders wat Hoste met Boon verbindt, is het consequente gebruik van een levende, vaak sprankelende spreektaal – in zijn geval een Vlaams Nederlands, vaak zelfs vermengd met Oost-Vlaams (Lokers) dialect. Met onmiskenbaar plezier maar ook met ideologiekritische intenties importeert hij clichés, modieuze wendingen en staande uitdrukkingen in zijn eigen vertoog – wat hij overigens herhaaldelijk markeert door er expliciet ‘gelijk wij zeggen’ aan toe te voegen. Ook dit laten binnensluipen van citaten uit het dagelijkse proza versterkt natuurlijk de polyfonie van de roman.

Hoste erkent in dezen overigens nadrukkelijk zijn schatplichtigheid aan Boon: ‘Wat ik in ieder geval met hem deel is de verbinding met de orale traditie van de roman zoals die zich voordoet in de dagelijkse omgangstaal… meerzinnigheid zoals ze in de spreektaal leeft’.

De verzwegen Boon maakt deel uit van Hostes project van kritische reflectie op de politieke, sociale en ideologische ontwikkelingen in het naoorlogse Vlaanderen en de westerse wereld, en op zijn eigen plaats daarin. Die reflectie is op dit moment weinig modieus, en ik weet niet of ze dat ooit weer zal worden. De manier waarop ze de lezer wordt aangeboden, maakt het de lezer ook niet altijd gemakkelijk – de kwaliteiten van het boek ontsluiten zich pas na herhaalde lectuur. Natuurlijk maakt dat die reflectie daarom niet minder waardevol.

 

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?