
Professor Fennema en de Nederlandse politiek
Merijn Oudenampsen
Daniël Rovers
Over Van Thomas Jefferson tot Pim Fortuyn. Balans van democratie van Meindert Fennema
Spinhuis, Amsterdam, 2012,
ISBN 9789055893058 / 368p.
(32) reactie(s) - geplaatst op 03-04-2012
D: Meindert Fennema heeft een nieuw boek uit, een bewerking van een handboek politicologie, met extra hoofdstuk over de opkomst van het populisme. Jij hebt Fennema toch een tijdje terug ontmoet?
M: Klopt. Ik zat pas nog met hem aan tafel in een debat, waar hij losging op Dick Pels en wat hij de Anne Frank-maffia noemde. Dick Pels stelde voorzichtig dat Fennema zijn Geert Wilders-biografie wat al te vergoelijkend had geschreven. Waarop Fennema met rood aangelopen gezicht fuck you! schreeuwde.
D: Heftig, en toen?
M: Fennema beweerde met zoveel woorden dat mensen als Dick Pels en de Anne Frank Stichting een politiek correcte meningenmaffia vormen, die het vrije woord verstikt onder een deken van censuur. De boel werd gesust en we dronken na afloop nog een biertje bij café De Zwart, waar iedereen net deed alsof er niets was gebeurd.
D: Dat is toch wel frappant, als je Fennema’s eigen achtergrond op internet nagaat. Hij heeft tot halverwege de jaren negentig onderzoek naar racisme gedaan voor de Anne Frank Stichting. In die tijd omschreef hij politieke correctheid als een vorm van ‘discursieve lotsverbetering’ van minderheden.
M: Over draaien gesproken.
D: Het was de tijd dat hij dat hij duidelijk andere prioriteiten had. De BVD moest volgens hem worden ingezet tegen daders van racistisch geweld. Ik weet niet wanneer de omslag precies bij hem is gekomen, maar opmerkelijk is in elk geval een interview uit 2002 dat ik tegenkwam. In de Leeuwarder Courant op 11 mei 2002, vijf dagen na de moord op Fortuyn, lijkt er zich een metamorfose te hebben voorgedaan in de gewezen racismebestrijder. Fennema laat optekenen dat Fortuyn de mensen, ‘hun vrijheid’ heeft teruggegeven, dat ze eindelijk hun angst voor vluchtelingen en voor ‘Marokkanen met messen’ kunnen uiten, tegen de wensen van de ‘elite’ in.
M: Hij is klaarblijkelijk tot inkeer gekomen. Je vraagt je af hoe zo’n proces in zijn werk gaat. Fortuyn kende ook zijn momenten van bekering, begonnen als arbeideristisch marxist, later een nette sociaal-democraat en ten slotte fervent bepleiter van de vrije markt. Vreemd hoe mensen van het ene uiterste in het andere vervallen. Het geval Fennema is wat dat betreft een interessante spiegel van het Nederlandse debat. De belichaming van die plotselinge omslag waarbij een banvloek wordt uitgesproken over wat we in een recent verleden nog onbekommerd de multiculturele samenleving noemden.
D: De ironie is dat die omslag ergens wel iets religieus heeft. Niet in de zin van een geloof in God of zo, maar in een verlangen naar een zekere gemeenschap. Die critici van het multiculturalisme – en wie is dat niet tegenwoordig? – denken nog altijd van een minderheid deel uit te maken, en niet voor de eigen overtuiging uit te mogen komen. Terwijl ze ondertussen de opiniepagina’s van de kranten hebben gemonopoliseerd. Zie Theodor Holman, die zelfs zo ver gaat een terrorist als Breivik te verdedigen en vervolgens, als daar wat kritiek op komt, prompt zeven pagina’s in de Groene Amsterdammer krijgt toebedeeld – als was hij een martelaar van het vrije woord. Die Calimero-houding, waar slaat die eigenlijk op? Geef mij dan maar de jongere Fennema, die destijds wél als een van de weinigen meende dat een rechtszaak tegen de Centrumdemocraten de verkeerde methode was om xenofobische politici aan te pakken. Hans Janmaat, een oud studiegenoot van Fennema, werd in 1997 veroordeeld voor een uitspraak waar Angela Merkel een decennium later het applaus voor ontvangt.
M: Eerlijk gezegd begrijp ik Fennema’s huidige positie tot op bepaalde hoogte wel. Misschien is dat wel de grote fout geweest van de antiracismebeweging waar de jonge Fennema nog zo gedreven deel van uitmaakte: dat zij racisme tot taboe heeft verklaard. Zo ver kan ik nog wel meegaan in Fortuyns kritiek op het antidiscriminatiebeginsel; dat het een belemmering kan vormen om sociale problemen bespreekbaar te maken.
D: Jij ook al Fortuynist?
M: Je moet er wel een tegenovergestelde politieke invulling aan geven: de eerste stap in het bestrijden van racisme ligt in het bespreekbaar maken van het bestaan ervan. In de erkenning dat het maar al te menselijk is om op basis van groepsdenken te generaliseren en te discrimineren. Als je antiracisme organiseert als denk- en spreekverbod werkt dat contraproductief. Althans: dat is wat de Nederlandse ervaring ons leert. Je moet de bevolking niet willen vertellen dat zij bepaalde dingen niet mag denken. Dat is ook niet wat het klassieke antiracismewerk inhoudt. Dat draait eerder om het werken met lokale gemeenschappen aan sociale problematiek, om die zo los te koppelen van negatief groepsdenken. Goed, tegenwoordig is het een politieke plicht om te discrimineren en ben je als politicus niets waard als je de dingen niet ‘bij de naam’ durft te noemen. Samen met Fennema zijn we inmiddels doorgeschoten in een nieuwe politieke correctheid. Ironisch genoeg is daardoor opnieuw racisme onbespreekbaar geworden. Je hoeft alleen maar te kijken naar al die verkrampte reacties rond het debat over Zwarte Piet.
D: En ondertussen is het Fennema zelf die, nadat Fortuyn de ban had gebroken, zich heeft ontpopt als een van die vele religiecritici met focus op de islam. En die zich daarbij als de kritische redelijkheid zelve presenteert, omdat hij niet oproept tot deportatie van moslims en een ‘koopvoddentaks’. Onder de kop ‘elke religie bedreigt de rechtstaat’ stelde Fennema dat de staat het beste seculier zou zijn. Tadaa! Alsof de staat der Nederlanden niet allang seculier is. En: alsof elke gelovige van het type Kees van der Staaij is, kien op de theocratie. De onderliggende boodschap van het opiniestuk werd duidelijk in de volgende, tamelijk suggestieve vraag: ‘Is de islam een heel unieke en gewelddadige religie, of is zij één van de drie abrahamitische religies die naar hun aard botsen met de democratische rechtsstaat, omdat zij de morele autonomie van de mens ontkennen?’ Je zou maar mondeling tentamen hebben bij professor Fennema, en zo’n vraag te beantwoorden krijgen. En het wonderlijke is dat Fennema blijft vinden dat juist liberale politici nog niet genoeg kritiek leveren op religie. Een later opiniestuk richt hij bijvoorbeeld tegen Boris van der Ham, de man die het nota bene nodig vond via Twitter zijn ongenoegen te laten blijken over het feit dat een orthodoxe jood een boete kreeg kwijtgescholden omdat hij zijn paspoort niet bij zich had op de sabbat. Fennema waant zich kennelijk een spraakmakende en dappere eenpersoonsminderheid, zelfs in een periode dat het centrum van de macht, in de persoon van Maxime Verhagen, met volle mond laat weten dat hij toch echt liever een ‘kroketje’ eet dan ‘halal’. De guitige professor Meindert Fennema, met zijn schimpscheuten gericht aan het adres van de onmachtige politiek correcte elite, heeft zo wel iets weg van een belhamel, die belletje trekt bij een bejaarde die hem toch nooit zal achterhalen. Sterker nog: die bejaarde is niet meer thuis, want allang overleden.
M: Wilders wordt ook regelmatig met een belhamel vergeleken. Vooral door zijn gekunstelde mediahypes en pesterige interventies. Maar de kinderlijke onschuld van een Pietje Bell zijn we inmiddels toch wel voorbij. We moeten ergens een grens trekken. De vraag is hoe je dat doet. Niet via de juridische weg, lijkt me. Het was op zijn minst een tactische fout om Wilders voor de rechter te slepen. Het verschafte Wilders zijn felbegeerde podium en gaf de rechterlijke macht weer eens een gelegenheid om zichzelf voor schut te zetten. Nu doen we net alsof alles in orde is, omdat de rechter heeft besloten dat Wilders mag zeggen wat hij zegt. De legitimatie van Wilders’ vrijheid om te beledigen is de aan Voltaire toegeschreven formule:
Ik verafschuw wat u zegt, maar ik zal uw recht om het te zeggen tot mijn dood verdedigen.
D: Ah, Voltaire, ja, dat citaat ken ik. Wist je overigens dat de verlichte bedenker ervan er in zijn tijd alles aan heeft gedaan om zijn ideologische tegenstander Rousseau het zwijgen op te leggen? Het liefst zag hij hem op het schavot. En diezelfde liberale held Voltaire deinsde er niet voor terug om een anoniem smaadschriftje tegen Rousseau te publiceren, geheel in de stijl van een rechtlijnige calvinist. Het is dé tegeltjeswijsheid van onze tijd geworden. Laatst nog kwam ik het tegen in Martin Bosma’s De schijn-élite van de valse munters. Bosma beschreef, en we zullen hem hier maar geloven, hoe Diederik Samsom een voltairetje deed. Tijdens het debat over Wilders’ film Fitna zou Samsom Wilders een briefje hebben toegeschoven met de mededeling dat hij de film abject en onverdraagzaam vond, maar dat hij die desalniettemin wilde tolereren. Bosma noemt dat een schoolvoorbeeld van de morele superioriteit van de multiculti-elite. Ja, daar sta je dan met je Voltaire: ontmaskerd als ijdel vertoon van ruimdenkendheid. Het is als het pacifistische principe van iemand de andere wang toekeren. In theorie een mooi gebaar, in de praktijk word je als slapjanus gezien.
M: Het precieze probleem van deze formule, en hoe die nu gelezen wordt, is dat veel mensen denken dat het een vrijbrief is om wat dan ook te zeggen. Maar het juridische recht van Wilders om te beledigen ontslaat ons nog niet van de maatschappelijke plicht om wat hij zegt tegen te spreken en politiek te bestrijden. Dat is het grote probleem van de juridisering van de politiek in Nederland. Dat we inmiddels niet meer het onderscheid kunnen maken tussen wat juridisch en wat politiek acceptabel is. Een betere lezing van Voltaire zou zijn:
Ik verdedig uw recht om te zeggen wat u zegt, maar ik zal wat u zegt tot mijn dood bestrijden.
D: Maar dat is nu juist het problematische aan de figuur Fennema: dat je als lezer eigenlijk niet weet wat hij precies wil, hoogstens dat hij ergens heel erg tegen is, namelijk tegen wat in sommige kringen de Gutmensch heet. Zijn favoriete stijlfiguur is niet toevallig de stropop. En die pop, zijn vijandsbeeld, lijkt hij vooral te baseren op zijn jongere zelf: een hoofdstedelijke marxist die strijd levert tegen politiek incorrecte vooroordelen. Volgens Fennema bevolken ze de Tweede Kamer, de kranten, de debatcentra, en hij zal ze wel even een lesje leren, deze – in zijn woorden – ‘progressieve intellectuelen’ die het ‘oude anti-kapitalisme’ hebben vervangen door ‘postmoderne anti-globaliseringsretoriek’. Mocht er een psychologische term bestaan voor retrospectieve zelfhaat, dan heb je hier een mooie casus. Daarbij gebruikt Fennema genoeg politicologisch jargon om zijn opinismen de schijn van objectiviteit mee te geven. Hetzelfde doet hij eigenlijk in zijn Wilders-biografie, die hij publiceert als politicoloog, maar waarbij hij meteen al aangeeft gebruik te maken van een zogeheten ‘alwetende verteller’. Het is een werkwijze die de laatste jaren wel vaker wordt toegepast in nonfictie, zoals in De Prooi van Jeroen Smit, over ABN AMRO. Je verzamelt informatie door met een aantal betrokkenen te spreken, en uiteindelijk schrijf je alles in de indirecte rede op. Zo kun je het verslag rangschikken en kleuren, zonder daarvoor zelf verantwoording te hoeven afleggen. Als iemand je een lastige vraag stelt, dan ben je opeens een schrijver die gebruikmaakt van fictieve elementen. Of, in Fennema’s eigen woorden: ‘Het verschil tussen high culture en low culture is aan het vervagen en daarmee ook de identiteit van schrijver of hoogleraar.’ Dan is dus meteen alles toegestaan. En heb je een effectieve manier om zonder al te veel onderzoekswerk een mediageniek boek te schrijven. Zonder kans op weerlegging ook, want het is immers toch maar een ‘verhaal’.
M: Hoezo?
D: Een voorbeeld: Fennema schrijft in het boek over Halleh Gorashi dat ze een vertegenwoordiger van het multiculturalisme is, en dat ze waarschijnlijk op goede voet staat met het regime in Iran, een land dat ze ontvluchtte, want anders zou ze toch wel kritischer over de islam zijn. Een behoorlijk grove beschuldiging aan het adres van Gorashi. Voor de zekerheid voegt Fennema er daarom nog maar een ‘dacht Wilders’ aan toe. Ondertussen is de achterklap toch maar openbaar gemaakt. Maar goed, over dat boek en zijn onderwerp is al meer dan genoeg gezegd. Kustaw Bessems betichtte zowat een jaar na dato Fennema van verzinsels, waarna Geen Stijl Fennema kon wegzetten als – hoe ironisch alweer – de zoveelste prutsende linkse hoogleraar. Fuck you, zal Fennema ongetwijfeld hebben gedacht.
M: Ach ja, de sociale wetenschappen zijn nooit meer geweest dan onderbouwde meningen, soms met een sterke, soms met een zwakke fundering. Maar daar gaat het mij niet om, ik denk dat deze hele discussie uiteindelijk draait om tolerantie.
D: Tolerantie.
M: Ja, tolerantie. Een buitenlandse kennis vroeg mij eens hoe het toch kwam dat de tolerantie waar Nederland in grote delen van de wereld bekend om staat, opeens is omgeslagen in het tegendeel. Ik vertelde hem dat hij zich vergiste. Nederland is nog steeds een zeer tolerant land. Het probleem, zo probeerde ik uit te leggen, is juist een overmaat aan tolerantie. We zijn zo tolerant, dat we zelfs de intolerantie van Wilders en de zijnen menen te moeten tolereren. Daar gaan we heel erg ver in. Ook al weten we dat de dreigende ‘islamisering’ de grootst mogelijke onzin is, we tolereren Wilders’ fantasierijke anti-islamtraktaten op de opiniepagina’s van onze kwaliteitskranten. Ook al weten we dat er niets waar is van diens aanvallen op de PvdA en de zogenaamde linkse elite als hoofdschuldigen voor de ‘massa-immigratie’, we zijn wel zo toegeeflijk en tolerant dat we onze imaginaire schuld vergoelijkend accepteren. En als het erop aankomt trekken we zelfs publiekelijk het boetekleed aan om Wilders maar niet het gevoel te geven dat zijn intolerantie niet welkom zou zijn. Het is een paradoxaal gegeven: uit een misplaatst schuldgevoel over het tolereren van de intolerantie van de islam, tolereren we nu de intolerantie van Wilders. Deze masochistische tolerantie van de intolerantie neemt nergens zulke absurde vormen aan als bij GroenLinks, niet geheel ontoevallig de partij van Meindert Fennema.
D: Die zelf afkomstig is uit de CPN-tak van de partij. In 1995 waarschuwde hij zijn partij nog voor het akelig nationalisme dat hij bij PvdA-intellectuelen als Jos de Beus en Paul Scheffer ontwaarde. De tijden zijn veranderd.
M: GroenLinks heeft zich onder leiding van Femke Halsema ontpopt tot de meest fervente verdediger van het vrije woord. En dan bedoel ik natuurlijk het vrije woord van Wilders. Dezelfde vrijheid geldt vervolgens niet voor GroenLinks-leden die menen dat om Wilders’ standpunten een zweem van racisme hangt. Op een of andere manier is dat een discutabele en controversiële mening. Wat mij betreft is het eerder een vanzelfsprekendheid. Zoals gezegd, ik denk dat de keuze van GroenLinks-lid René Danen en ex-GroenLinkser Mohammed Rabbae om mee te doen aan de rechtszaak tegen Wilders niet de juiste was. Ze hadden Wilders beter via de politieke weg kunnen bestrijden. Maar je kan het Danen en Rabbae moeilijk kwalijk nemen dat ze uit arren moede de juridische weg hebben bewandeld, gezien de knuffelgrage tolerantie tegenover nieuwrechts op de burelen van de partij. De reactie op de rechtszaak was er ook naar. Tofik Dibi riep Danen op zijn lidmaatschap te overdenken. En Femke Halsema uitte twitterend haar ongemak over het feit dat iemand als Rabbae een oud-Kamerlid van GroenLinks is; dat straalt namelijk af op de partij. Daar is het niet bij gebleven. De verdwazing neemt inmiddels zulke bizarre vormen aan dat Dibi zich als een soort Sancho Panza heeft gemengd in het gevecht tegen de windmolens. Zo meldde Dibi enkele maanden geleden nog dat hij de strijd wil aanbinden met nota bene de fatwa’s – een flashback uit de tijd van Rushdie – en wel omdat ze moslims ‘reduceren tot machines zonder hart en ziel’. De vermeende arabist Hans Jansen zou hem vast een goedkeurend schouderklopje hebben gegeven.
D: Links spreekt inmiddels met de woorden van rechts. Zoals ook de elite de taal heeft leren spreken van het anti-elitisme. Is het niet fascinerend dat Fennema, een hoogleraar aan de UvA, woonachtig te Aerdenhout, een tijdje terug de lezers van de Groene Amsterdammer aldus vermanend toesprak: ‘We leven in een tijd waarin de meeste Telegraaf-lezers, SBS6- en RTL-kijkers zich niet meer straffeloos laten beledigen door mensen die zichzelf als elite beschouwen.’ Het is een strijd met stropoppen, deze democratisering van de belediging. Het is de huidige, soms echt hilarische poldervariant van de culturele revolutie.
32 reacties
Aanmelden
Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?


03-04-2012, om 3:46:45