cover big cover big

Profeten van de groei (2)

Daniël Rovers

Over De prooi van Jeroen Smit

Prometheus, Amsterdam, 2008,
ISBN 9789044616422 / 447p.

Over Nina van Eric Smit

Prometheus, Amsterdam, 2010,
ISBN 9789044614657 / 400p.

(4) reactie(s) - geplaatst op 26-10-2010

Bookmark and Share

Deel 2. Alwetende schrijvers

Vervolg van Deel 1 (‘Groen van de dollar’)

Van De prooi: blinde trots breekt ABN Amro (2008) werden zowat 250.000 exemplaren verkocht. Auteur Jeroen Smit, die debuteerde met Het drama Ahold, liet zien dat een biografie van bedrijfsfalen (BVB) een bestseller kan worden; hoe groter het bedrijf, hoe meer potentiële lezers.

Beter goed gestolen dan slecht verzonnen, moet Piet Depuydt (samen met zijn redacteur) hebben gedacht toen hij zijn boek over Fortis De kloof noemde. Dat is de titel van een hoofdstuk in het boek van Jeroen Smit over ABN Amro – een hoofdstuk in De kloof heet dan weer ‘De prooi’. De twee boeken hebben dezelfde vorm: in beide wordt de ondergang van een bankbedrijf gereconstrueerd vanuit de verschillende visies daarop van de betrokkenen; elk hoofdstuk bespreekt een bepaalde periode, die wordt samengevat in een pakkende, nominatieve titel (‘De blunder’, ‘Het onheil’). Zelfs de kaft van de twee boeken toont een opvallende overeenkomst. Een variant van het bedrijfslogo verbeeldt wat het bedrijf te wachten staat: een slang verslindt ABN-Amro, het Fortis-beeldmerk wordt uiteengereten door een kloof. Het resultaat is een generiek en gedegen product, gebotteld door de Coca-Cola Company onder de Nederlandse uitgevers, Prometheus.

Beide boeken heb ik gretig en met grote gulpen tot me genomen. Jeroen Smit en Piet Depuydt zijn intelligente onderzoekers die beschikken over – zoals dat in de journalistiek heet – een vlotte pen. Harde werkers bovendien. Depuydt laat in het voorwoord met West-Vlaamse bescheidenheid weten dat zijn initiële Word-document 652.000 woorden bevatte, een duizelingwekkend aantal. De grote moeilijkheid daarbij is de tekst een structuur te geven die boeit, met andere woorden: een verhaal te vinden. Beide auteurs doen dat door een centraal motief te introduceren. In het geval van De prooi is dat het allegorische beeld van de jagende bankier Rijkman Groenink, die op eendenjacht in de Wieringermeer per ongeluk zijn rechterarm aan flarden schiet, en in het ziekenhuis lang genoeg bij bewustzijn blijft om te eisen dat die arm niet zal worden geamputeerd. Hier is meteen het karakter van de bankier gegeven: een keiharde ondernemer, een vechter en volhouder, maar ook iemand die net iets te onvoorzichtig is. (Eenzelfde introductie krijgt Nina Storms in Nina van Eric Smit, waar de ‘schrille kreet’ die in de eerste zin weerklinkt, afkomstig is van een hoofdpersonage dat op de tennisbaan zo slecht tegen haar verlies kan, dat haar man haar af en toe laat winnen.)

In De kloof ligt het iets complexer. Het boek geeft in de titel en ondertitel – Hoe de breuk tussen Belgen en Nederlanders Fortis fataal werd – al aan waarom het gefuseerde bedrijf faalde, daarbij aansluitend op de bekende Belgisch-Nederlandse sentimenten. In de tekst zelf wordt het falen echter voor een groot deel toegeschreven aan de meest invloedrijke bestuurder van Fortis, graaf Maurice Lippens. Bij hem diagnosticeert Depuydt op de eerste pagina’s een impostor syndrome. Lippens zou zijn hele leven al hebben gevreesd dat eens ontdekt zal worden dat hij niet goed genoeg is voor het werk dat hij verricht. Dat verleent hem een zekere sympathie en ook tragiek, wat niet wegneemt dat Depuydt een hard oordeel velt over ‘de graaf’, zoals Lippens in het boek niet zonder affectie wordt genoemd. Want Lippens, die enorm veel macht had verworven bij de bank en verzekeraar, bleek inderdaad niet geschikt voor zijn taak. Hij had niet genoeg financiële kennis om in te zien dat Fortis op het moment van de overname van ABN-Amro eigenlijk al noodlijdend was.

Volgens Depuydt werd Lippens gedreven – en de auteur introduceert hiermee naast de cultuurkloof een tweede motief – door het verlangen om de macht en de invloed van de oude Belgische, Franstalige adel te behouden. De ratio daarachter ontdekt Depuydt in het lievelingsboek van Lippens, Il Gattopardo (De tijgerkat), waarin de edelman Tancredi gaat vechten aan de zijde van de revolutionairen om de macht van de oude adel in stand te houden. De ratio luidt: ‘Als we willen dat alles blijft zoals het is, moet alles anders worden.’ Volgens Depuydt wilde Lippens, eerst als bestuurder van de verzekeraar AG Groep, later als de grote man van Fortis,  die bedrijven aanpassen aan het mondiale kapitalisme, opdat de belangrijkste aandeelhouders, waaronder de familie Lippens en andere Belgische aristocraten, hun macht zouden behouden. Zo wordt het probleem van Fortis niet alleen een Belgisch-Nederlandse strijd, maar ook een gevecht binnen de (wankele) Belgische status quo. Wat opmerkelijk genoeg in de Vlaamse pers niet zoveel aandacht kreeg; daar constateerde men zuurtjes dat het boek vooral vanuit Nederlands oogpunt geschreven was. In Nederland had de pers dan weer vooral aandacht voor het falen van De Nederlandse Bank en zijn voorzitter Nout Wellink, wat prima paste in het populaire plaatje van de blunderende regent. (Uit De kloof echter blijkt dat de Fortis-bestuurders gebruik maakten van de binationale structuur om zich te onttrekken aan de strenge controle van de DNB. De vermaledijde ambtenaren werden door de multinational verhinderd hun werk goed te doen.)

Alwetendheid

In zijn inleiding schrijft Depuydt dat hij in navolging van Jeroen Smit het ‘perspectief van de alwetende schrijver’ heeft gebruikt. Dat berust op een misverstand: een schrijver kan niet alwetend zijn, dat kunnen alleen Goden of vertellers. In de narratologie, zeg maar de registeraccountancy van de literatuurwetenschap, werd het begrip ‘alwetende verteller’ gedefinieerd door Norman Friedman in de jaren vijftig van de vorige eeuw. Hij introduceerde de zogeheten ‘alwetende auctoriële verteller’, een verteller die boven het verhaal staat en expliciet commentaar op de gebeurtenissen geeft – type Victoriaanse roman. Zo’n verteller is zeker niet aan het woord in De prooi en De kloof, waar een zwakke variant van die alwetende verteller optreedt. De gebeurtenissen worden niet vanuit één punt (van bovenaf) verteld, maar vanuit meerdere personages (van binnenuit). Deze personages komen indirect, bemiddeld door een neutrale verteller, aan het woord. Zo wordt duidelijk wat ze doen én wat ze daarbij voelen en denken. Het verhaal en de waarheid die zo ontstaan, zijn voor een groot deel afhankelijk van de selectie en montage die de schrijver toepast.

Jeroen Smit koos er vooral voor om de onderlinge verdeeldheid van de directie te tonen. Hij laat zien dat de ene bestuursvoorzitter (Groenink) zijn voorganger verwijt ‘een uitgewoonde tent’ te hebben achtergelaten, terwijl die voorganger (Kalff) de nieuwe bestuursvoorzitter kwalijk neemt dat die alle collegialiteit in het bedrijf heeft vernietigd. Of hij toont dat de zakenbankier (Jiskoot) zijn baas Groenink verwijt alleen maar halfslachtige keuzes te maken, terwijl Groenink vindt dat die zakenbankier nooit echt levert wat hij steeds maar weer belooft, namelijk enorme winsten. Wie er nu gelijk heeft, blijft zo in het midden. Ook in zaken waar dat van direct belang is, zoals het vermeende bevel een kritisch rapport te vernietigen voordat de Amerikaanse toezichthouder dat onder ogen krijgt. Dit uitstellen van elk oordeel, dat tot de laatste bladzijde in De prooi wordt volgehouden, maakt uiteindelijk een wat slappe indruk. Iedereen krijgt een beetje gelijk; Frits Bolkestein zou van ‘postmodern relativisme’ spreken.

Depuydt trekt gelukkig in zijn slothoofdstuk wél een conclusie, die zoals gezegd hard uitvalt voor Maurice Lippens, ondanks alles de charmante held van het verhaal. Hier wordt de alwetende verteller alsnog een stem gegeven – die de lezer kan toetsen aan het vertelde verhaal.

Roman

Wat Lippens van De kloof vond weet ik niet, maar Rijkman Groenink was in ieder geval ontevreden over De prooi. Hij noemde het boek een ‘roman’, die vooral de waarheid van Jeroen Smit verbeeldde en bovendien vol met feitelijke onjuistheden stond. Dat lijkt ondankbaar, omdat Smit juist laat zien dat Groenink niet de grote graaier is waar het publiek hem voor houdt. De stelling is ook feitelijk onwaar, want een roman is De prooi zeker niet. De hoofdrolspelers in het boek – Jeroen Smit interviewde een kleine honderd betrokkenen – worden weliswaar gedachten en gevoelens toegeschreven, maar dat zijn de (functionele) sentimenten die ze tijdens de gesprekken met de journalist uitten, ongetwijfeld gekleurd door de eigen wil tot waarneming en herinnering.

Een roman is niet gebonden aan zulke ‘waargebeurde’ visies. Een romanschrijver kan juist met dit gegeven – laten we zeggen de ‘kloof’ tussen wat iemand denkt, doet en zegt – spelen. In een roman zou het mogelijk zijn Groenink te laten zeggen dat hij nooit een rapport heeft willen laten vernietigen, terwijl hij denkt dat het zonde is dat dat rapport uiteindelijk niet daadwerkelijk vernietigd is. Het is zelfs mogelijk Groenink te laten denken dat hij het rapport nooit heeft willen vernietigen, om vervolgens vanuit een andere waarnemer te laten zien dat hij wel degelijk opdracht gaf dat rapport te vernietigen. Juist die mogelijkheid om de gedachten en de waarneming van personages te tonen, los van die van een verteller, is de unique selling point van het romaneske. In de literatuurwetenschap wordt daarom de term van de alwetende verteller amper nog gebruikt – de aandacht binnen de narratologie is verschoven naar de manier waarop waarneming van de personages én de verteller wordt weergegeven. Dat wordt met een technische term ‘focalisatie’ genoemd.

Dit alles is natuurlijk geen verwijt aan de BVB’s – het zijn nu eenmaal geen romans. Wel problematisch is het echter dat deze alwetende vertellers/schrijvers vaak volledig samenvallen met de stemmen (de gedachten) van de beschreven personen. Die brengen namelijk nogal eens clichématige en eufemistische formuleringen te berde om hun eigen beslissingen te verdedigen. Als bij die formuleringen vervolgens geen commentaar wordt gegeven, als is het maar in de vorm van aanhalingstekens, dan zullen de meeste lezers geneigd zijn die mistige frases als feitelijke beschrijvingen op te vatten. Een goed voorbeeld daarvan is de beschrijving van het gedwongen ontslag van Jan Kalff als commissaris van ABN-Amro, omdat hij als president-commissaris van een ander bedrijf een krediet van de bank probeerde los te krijgen. Groenink vroeg Kalff toen om op te stappen, en die stemde daar na enige aarzeling mee in. Jeroen Smit schrijft hierover: ‘Kalff vindt het intellectueel helder en emotioneel moeilijk.’ Je hoort het de deftige bankier al zeggen; het klinkt heel integer. Maar wat is er nu precies ‘intellectueel helder’ aan het feit dat je je niet verzet als je wordt gewezen op een geval van belangenverstrengeling? En ‘emotioneel moeilijk’, natuurlijk, Kalff werkte zijn halve leven voor de bank, maar toch: doet dat er werkelijk toe? En zo ja, dan zou het toch ook interessant zijn welke emoties hij ervoer: haat jegens Groenink, of berouw over de eigen inschattingsfout?

Dergelijke ‘gedachten’, die in de vrije directe rede geciteerd worden, neigen naar betekenisloosheid – en soms moeten ze ook betekenisloos zijn; ze functioneren als moreel mistgordijn, in de eerste plaats voor de degene die ze heeft uitgesproken. Op de uiterste grens van dergelijk clichématig formuleren is het niet meer mogelijk de gedachte te achterhalen. Dit gebeurt bijvoorbeeld als Jeroen Smit verhaalt over de evaluatie van topman Groenink, uitgevoerd door een extern adviesbureau. Smit schrijft hierover: ‘Ze [de adviseurs] constateren dat hij heel signaalgevoelig is, maar er bewust niets mee doet omdat mensen bij hem puur functioneel zijn.’ Wellicht gebruikelijk consultantidioom, maar wat betekent precies ‘signaalgevoelig’, ‘ergens iets mee doen’ en ‘puur functioneel’? Aan de verteller, dus uiteindelijk de auteur, de opdracht dit soort gebakken lucht te vertalen of, als dat niet meer kan, gewoon weg te laten.

Sneeuwman

De moeilijkheid van het schrijven, stelde George Orwell eens, is ervoor te zorgen dat de betekenis het woord kan kiezen, en niet andersom. En dat is niet alleen een kwestie van het uiterlijk van de tekst, van de stijl. Wie zich al te gemakkelijk overgeeft aan de frasen die hem het eerst invallen, zal merken dat de inhoud van zijn betoog verschuift of verandert. Gemeenplaatsen dienen niet om gedachten uit te drukken, maar om ze te verhinderen. Orwell hanteerde daarom een aantal vuistregels, waarvan de belangrijkste luidde dat je nooit een metafoor, troop of staande uitdrukking zou moeten gebruiken die je reeds gelezen hebt. In de BVB’s is het aantal van dergelijke ‘versteende’ uitdrukkingen echter groot, naar mijn idee groter dan in een kwaliteitskrant het geval zou zijn, waar idealiter een strenge eindredactie over de teksten waakt. Bij lange lappen (inderdaad: een versteende uitdrukking) tekst wordt dat kennelijk moeilijker. Zo valt in De vastgoedfraude te lezen dat de hoofdverdachte op zijn vijftigste ‘piekt’, dat een andere verdachte ‘van de kaart raakt’ als zijn dochter overlijdt, en bedenken belastinginspecteurs dat ze ‘heel warm worden’ als ze een verdachte vastgoedbetaling ontdekken. In De kloof neemt de ene bestuurder van Fortis ‘als een robot’ een slok wijn bij een zakendiner, terwijl een andere bestuurder, slapeloos tijdens de grote overname, ‘als een robot’ aan de piano gaat zitten om Chopins Nocturne Opus 48 nummer 1 te spelen (de erudiete Lippens natuurlijk).

Het zijn misschien schoonheidsfoutjes, in het laatste geval weer goedgemaakt door het prachtige, want schijnbaar irrelevante Chopin-detail. Maar dat excuus geldt niet voor de passage waarin Depuydt tot twee keer toe het woord ‘wegsmelten’ – een natuurfenomeen – gebruikt om aan te geven dat er een paar miljard moet worden afgeschreven op de balans van Fortis bij de overname van ABN-Amro, om vervolgens te stellen dat het ‘wegsmeltende kapitaal’ wordt ‘aangezuiverd’ met een aandelenemmissie; elders is er ook nog sprake van ‘exponentieel wegsmelten’. Natuurlijk zijn woorden als ‘oplossen’, ‘verdwijnen’ of het simpele ‘afgeschreven worden’ evengoed gangbaar geworden metaforen. Maar alternatieven zouden hier andere inzichten hebben kunnen opleveren. Bijvoorbeeld een antwoord op de vraag wie het liet dooien, en waarom de grote sneeuwman aan het Brusselse Warandepark eigenlijk smeltbaar was.

Privé

In De Groene Amsterdammer schreef onderzoeksjournalist Marcel Metze – onder meer bekend van zijn Philips-BVB Let’s Make Things better – onlangs een kritische beschouwing over met name de boeken van Jeroen Smit en Eric Smit (geen familie). De laatste fungeerde als boksbal – sparring partner, zo men wil –, omdat zijn biografie teveel zou leunen op informatie uit de media.

Smit schreef een repliek, Metze reageerde. Onder meer het aanhalen van het weekblad Privé beschouwde Metze als een faux pas, hoewel Eric Smit dat toch vooral leek te hebben gedaan om te laten zien hoe deze zakenvrouw de populaire media gebruikte om haar imago te verbeteren. Metze was erg stellig. Hij vroeg een meer wetenschappelijke benadering, inclusief een onderzoekshypothese en professoraal begeleidingscomité, net als bij een proefschrift. Verwijzend naar zijn eigen doctorstitel, verkregen met een biografie over Anton Philips, deed hij zich voor als een nouveau riche onder de academici.

Interessanter was zijn kritiek op Jeroen Smit, in hetzelfde artikel. Metze verweet de schrijver van De prooi dat hij de lezers weliswaar meevoert van ruzie tot ruzie binnen de grootste bank van Nederland, maar daarmee geen enkel inzicht geeft in de ‘historische en structurele factoren achter de ontwikkelingen in het bankwezen en de verkoop van ABN-Amro’. En dat is inderdaad wat ik als lezer mis, zowel bij De prooi als, zij het in mindere mate, bij De kloof. En hetzelfde kan gezegd worden over Het drama Ahold, Nina en De vastgoedfraude. Het gaat dan niet zozeer om een keuze tussen wetenschap of journalistiek, maar een keuze voor een bepaalde vorm van onderzoeksjournalistiek. Die zou zich in meer dan alleen de loopgraven (‘embedded’, kun je Jeroen Smits aanpak wel noemen) kunnen verdiepen, bijvoorbeeld in de verschillende oorzaken van de oorlog. Verslaggeving aangevuld met analyse én oordeel.

Nu kan die informatie deels uit de verschillende BVB’s worden samengesteld. Hoe in de jaren tachtig en negentig de zogeheten aandeelhouderswaarde steeds belangrijker werd – tegenover bijvoorbeeld de waarde van tevreden klanten, de waarde van werknemers. Dat bonussen en premies van zowel leidinggevenden als degenen die de leidinggevenden moesten controleren werden gebaseerd op stijgende koersen. Dat waar een bedrijf geen maximaal rendement behaalde, de zogeheten activistische aandeelhouders, met name de hedge funds, aandrongen op verkoop of fusie. Dat zakenbanken enorme provisies opstreken bij dergelijke fusies, zodat ze vaak zelf aan bedrijven fusievoorstellen deden. Dat winstcijfers bij de banken stegen tot in de miljarden door het verhogen van het toegelaten risico, terwijl er steeds meer risicovolle kredieten werden verleend. Dat de rente kunstmatig laag werd gehouden, en particulieren en pensioenfondsen geneigd waren een steeds groter deel van hun vermogen te gaan beleggen. Dat hypotheken steeds makkelijker verstrekt werden, waardoor met name het Amerikaanse electoraat niet merkte dat het welvaartsniveau afnam. Dat er steeds minder geproduceerd werd, behalve in het lagelonenlanden (lagerechtenlanden). Dat het systeem in elkaar stortte, waardoor de banken zich tot de overheid moesten wenden, en de belastingbetaler borg stond voor de genomen risico’s.

Ik zou zo’n boek, waarin de achtergrond van al dat bedrijfsfalen wordt toegelicht, graag lezen. Als ik alvast een suggestie voor de titel mag doen, dan misschien Het kapitaal. Ach nee, die titel is al vergeven.

Bibliografie

Piet Depuydt, De kloof, Prometheus / NRC Boeken, Amsterdam, 2010, 360 blz.
Eric Smit, Nina, Prometheus, Amsterdam, 2010, 400 blz.
Vasco van der Boon & Gerben van der Marel, De vastgoedfraude, Nieuw Amsterdam, Amsterdam, 2009, 448 blz.
Jeroen Smit, De prooi, Prometheus, Amsterdam, 2008, 447 blz.
Jeroen Smit, Het drama Ahold, Balans, Amsterdam, 2006, 348 blz.

4 reacties

Groenink kreeg inderdaad héél veel geld toen de bank waar hij de baas was werd verkocht aan drie banken voor meer dan 70 miljard euro. Als ik het goed heb was dat deels een uitkooppremie (omdat hij niet meer nodig was), en deels (het grootste deel) omdat hij opties kon verzilveren die hem gegeven waren. Die verkoop aan de drie banken was tegen zijn zin, hij had, staat in het boek van Jeroen Smit geschreven, liever die enorme som niet gehad, en zijn bank laten fuseren met een andere bank, namelijk Barclays (volgens anderen was dat dan ook weer een overname). Vandaar dat ik stel dat het beeld van Groenink als grote profiteur (graaier) van het opbreken van zijn bank weerlegd wordt in ‘De prooi’. Daar kan ik hier nog toevoegen dat dit verlies inderdaad niet zo heel tragisch voor de directeur was, het ‘doekje voor het bloeden’ bedroeg zo’n 30 miljoen.
Maar wat ik ermee wilde zeggen is dat Groenink, en soortgelijke CEO’s als Votron en Van der Hoeven, gewoon gebruik maken van het systeem van beloningen dat is gecreëerd. En dat het niet zoveel zin lijkt te hebben bij ieder individu heel verontwaardigd ‘graaier’ te roepen, zoals in het Nederlandse parlement gebeurde, als dat individu krijgt wat hij volgens zijn contract verdient. Er zou gewoon structureel naar maatregelen gekeken moeten worden om dit soort beloningen in te perken. Hier helpt individueel gericht moralisme niet, is mijn pragmatische inschatting. Anderzijds is het wel zo dat ik ten slotte stel dat de ontwikkeling van enorme bonussen en premies de moraal verziekt - en dat ik dus toch de verontwaardiging over de uitzinnige bonussen kan begrijpen: hier schuilt dus zeker een aarzeling in de tekst. Vraag is wat politiek gezien de beste strategie is? Denkt u dat de steeds weer herhaalde verontwaardiging over individuele gevallen iets gaat veranderen?

  • Door Daniël Rovers
  • gepost op
    01-11-2010, om 12:10:54

Opnieuw veel dank voor uw reactie. Misschien moet ik het zo stellen: de morele verontwaardiging over individuele ‘graai’- en bonusgevallen zou wel eens het zicht kunnen belemmeren op maatregelen die ervoor moeten zorgen dat in de toekomst de belastingbetaler in ieder geval niet meer hoeft op te draaien voor de ongehoorde risico’s die banken hebben genomen om steeds maar meer winsten te maken. In die zin zou je dergelijke reacties conservatief kunnen noemen. Conservatieven grijpen immers graag excessen (misdaden evengoed als handelingen die in strijd worden geacht met de goede zeden)  aan om te klagen over de verloederde moraal, van de samenleving wordt gezegd, maar uiteindelijk van individuen; ‘normen en waarden’, dat verhaal. Naar structurele oorzaken, bijvoorbeeld het ontbreken van (goede) scholing, of voor mij part een efficiënt justitieel apparaat (reclassering e.d.), wordt dan niet meer gekeken.
Het zou natuurlijk kunnen dat het mensen mobiliseert, maar zelf raak ik eerder afgestompt als het teveel hoor: dat ‘graaien’. Eigenlijk net als het woord ‘neo-liberalisme’, dat Agnes Kant zo vaak in de mond nam toen ze nog partijleider van de SP was. Ik hoef ongetwijfeld deze partij niets te leren over hoe een (juist) standpunt te verkondigen, maar met socialist George Orwell denk ik dat het belangrijk is om steeds te blijven zoeken naar de woorden die een wervende kracht hebben - en dat hebben ze naar mijn idee alleen als ze betekenis blijven dragen. En als er dan inderdaad te weinig verontwaardiging is over de gang van zaken in de financiële sector, zoals u stelt, dan zou het ook belangrijk kunnen zijn na te gaan of die wel op een andere manier door middel van het publieke debat zou kunnen worden opgeroepen.

Overigens werd ik vorige week gewezen op een boek ‘Wat als de markt faalt?’ van John Cassidy - schijnbaar precies het boek dat ik aan het einde van de recensie zeg te willen lezen. Cassidy probeert - ik las in de gauwigheid de inleiding en conclusie - in de eerste plaats de ideologische blindheid aan te tonen van het idee dat de maatschappij het meest gediend is wanneer individuen hun eigenbelang najagen op de vrije markt (= neo-liberalisme). Ten slotte noemt hij verschillende maatregelen die zouden moeten worden genomen om de crisis van 2008 in de toekomst tegen te gaan: strengere regels m.b.t. wat een bank moet opvoeren op de balans, strengere regels voor hypotheekverstrekkers, strengere regels voor grote financiële ondernemingen als hedge funds; scheiding van zakenbanken en gewone, commerciële banken en een andere regeling voor bonussen, zodat bankiers over een langere termijn kunnen worden afgerekend (afschaffen van bonussen is volgens hem niet realistisch; niet alle banken zijn staatsbanken; wat me, nog meer terzijde, doet denken aan het bericht dat ABN-AMRO een beroep doet op de Europese Unie voor ontslagvergoedingen; u zult net als ik verontwaardigd hebben gegnuifd).

Veel van deze maatregelen zijn in de VS niet of slechts half door de regering Obama genomen, onder meer door de zware lobby van de banken. Cassidy verwacht daarom dat er een herhaling van de financiële crisis van 2008 zal plaatsvinden. De allergrootste bedrijven weten dat ze zullen kunnen rekenen op overheidssteun, omdat de overheid het zich niet kan permitteren dat ze ‘omvallen’.

  • Door Daniël Rovers
  • gepost op
    08-11-2010, om 9:50:56

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?