cover big

Signalement: Olijven moet je leren lezen – Ellen Deckwitz

Erik De Smedt

Over Olijven moet je leren lezen. Een cursus genieten van poëzie van Ellen Deckwitz

Atlas Contact, Amsterdam, 2016,
ISBN 9789045031347 / 159p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 01-08-2016

Bookmark and Share

Er zit logica in de volgorde waarin dichteres en pleitbezorgster van de poëzie Ellen Deckwitz (1982) haar even toegankelijke als leerzame boeken over het genre publiceert. In 2015 verscheen Zo word je een geweldige dichter, nu is er Olijven moet je leren lezen. Een cursus genieten van poëzie. Logisch, want terwijl een miljoen Nederlanders en Vlamingen af en toe gedichten schrijven, blijkt poëzie lezen (steeds meer?) de zaak van een kleine minderheid.

Het succes van poëziefestivals en poetry slams en zelfs de aanwezigheid van poëzie in de media en het straatbeeld lijken daar weinig aan te veranderen. De hoofdoorzaak is volgens Deckwitz dat de jonge generatie op school nog nauwelijks met poëzie in aanraking komt. Lessen Nederlands worden gevuld met praktische lees-, schrijf- en spreekvaardigheid. Maar wie geen poëzie heeft leren lezen, zal er ook geen smaak in vinden. Deckwitz probeert er wat aan te doen: ze geeft (op scholen!) vele tientallen workshops poëzie lezen per jaar. Voor het publiek van twintigers en dertigers van nrc.next schreef ze een reeks columns waarin ze antwoorden formuleert op vaak gestelde vragen van wie zelden of nooit poëzie leest.

Olijven moet je leren lezen is de uitgebreide versie ervan. Vlot, soms wat jolig geschreven (niemand afschrikken, iedereen bij de les houden!), laagdrempelig zonder te veel water bij de wijn te doen. Hier en daar haalt ze strijdbaar vooroordelen onderuit. Ze beklemtoont dat een gedicht niet zomaar alles kan betekenen wat je wil, dat niet alle poëzie mooi is en dat podiumpoëzie behoorlijk verschilt van gedichten op papier.

Elk van de drieëntwintig hoofdstukjes opent met een gedicht, bijna allemaal uit de hedendaagse poëzie, van bekende (Paul Snoek, Tomas Tranströmer, Tonnus Oosterhoff) en minder bekende dichters (zoals Florence Tonk, Alexis de Roode en Harkaitz Cano). Vervolgens komt de uit het leven gegrepen vraag die, soms na een lange aanloop, keurig wordt beantwoord. Enkele kernachtige karakteriseringen worden in een inzetje herhaald. De fantasierijke zwart-wittekeningen van Jenna Arts dompelen de lezer onder in de sfeer van het gedicht. Tot besluit van elk hoofdstuk zijn er leestips: verwijzingen naar dichters, bundels, bloemlezingen, secundaire literatuur. Eén keer gaat het fout: ‘Wie geprikkeld is door Anne Sexton: haar verzen zijn helaas niet in het Nederlands uitgegeven’. In 2001 is onder de titel Kreupel hart een stevige bloemlezing, samengesteld en vertaald door Katelijne De Vuyst, verschenen bij Wagner & Van Santen.

De behandelde kwesties zijn relevant en revelerend. ‘Waarom zeg je [de dichter] niet gewoon wat je bedoelt?’ (de dichter zegt precies wat hij bedoelt, maar gaat daarin verder dan de oppervlakkige communicatie), ‘Hoe moet ik wegwijs worden in vage poëzie?’ (de Seinfeld-methode: bereid zijn niet alles te hoeven snappen, net als bij de komische televisieserie), ‘Waarom zit er zoveel wit in gedichten?’ (‘Een gedicht draait juist vaak om wat er niet wordt gezegd’), ‘Wie was de John Lennon van de poëzie?’ (een enthousiasmerend hoofdstuk over Emily Dickinson), ‘Waarom rijmen er tegenwoordig zo weinig gedichten?’ (‘Rijm dwingt je bepaalde dingen niet, of juist wel, te zeggen. Daardoor kan de inhoud van een rijmend gedicht soms ook onoprecht overkomen. Het rijmt soms té goed om waar te zijn!’)

Er wordt afgerekend met starre verwachtingspatronen als zou poëzie enkel over emoties gaan: ‘er [verschijnen] tegenwoordig ook gedichten over bijvoorbeeld de bio-industrie, het gevangeniswezen of topdrukte in de H&M’. Of met de dooddoener dat poëzie geen nut heeft: ‘[…] het is soms even zoeken, puzzelen en inleven voor er contouren zichtbaar worden. Daarvoor kan poëzie je oefenen in het buiten de box denken’.

Mooi is dat Deckwitz in haar eigen cursus demonstreert wat ze over poëzie beweert, bijvoorbeeld hoe en waarom metaforen en vergelijkingen werken: ‘Enjambementen zijn een soort cliffhangers.’ En over ‘de Picasso of Debussy van de moderne dichtkunst’: ‘Dickinsons poëzie lezen is als een plons in ijskoud maar kraakhelder water. De wereld lijkt na afloop te zijn vernieuwd.’

Soms plaatst ze met een enkele opmerking de lectuur van een gedicht in een nieuw daglicht: ‘Als je ervan uitgaat dat het gedicht “Kraai valt” niet door Hughes maar door bijvoorbeeld Toon Tellegen is geschreven, staat er iets heel anders.’ Het door haar besproken titelloze gedicht van Vicky Francken, dat begint met de regels ‘een gebroken hert hebben / de hoefjes zoenen // kijken of het lijf / te lijmen is’ krijgt met de slotopmerking een bijkomend perspectief: ‘En zeg nou zelf, hoe briljant is het om het over een gebroken hert te hebben in plaats van over een gebroken hart?’

Natuurlijk is dit boek vooral een opstapje. Deckwitz verwijst onder meer naar De glanzende kiemcel (1950) van Simon Vestdijk. Het is – gezien haar focus op hedendaagse gedichten in vrije verzen – volgens mij een noodzakelijke aanvulling voor wie de traditionele, vormvaste poëzie wil leren begrijpen. Ze raadt ook aan recensies en interpretaties te lezen. Het onlangs verschenen Dichters van het nieuwe millennium (Vantilt) kon Deckwitz’ leestips nog niet halen, maar is uitstekend geschikt als ‘vervolgcursus’. En voor dit najaar is Hallo Gedicht!, de neerslag van Anne Vegters leestrip samen met andere dichters, aangekondigd. Tijd voor de zelf dichtende Vlamingen en Nederlanders om ook andermans (m/v) poëzie te leren lezen en waarderen.

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?