cover big

Tijdloos en ontijdig

Carl De Strycker

Over Ezelskaaksbeen van Peter Ghyssaert

Atlas, Amsterdam, 2011,
ISBN 9789045018744 / 64p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 11-07-2011

Bookmark and Share

Monomanie

Romantisch, decadent, esthetiserend, muzikaal. Dat zijn de stereotypen waarmee de poëzie van Peter Ghyssaert al zes bundels lang wordt gekarakteriseerd. Ook in de beschouwingen over zijn nieuwe bundel, Ezelskaakbeen, wordt weer kwistig met deze termen gestrooid. Nu klopt het wel dat Ghyssaert een monomaan dichter is. Wie zijn oeuvre vanaf het debuut Honingtuin (1991) tot nu doorleest, stoot telkens weer op dezelfde thema’s en motieven. Ghyssaert zelf daarover in een interview met Poëziekrant: ‘ik denk dat het als dichter niet verkeerd is monomaan te zijn, zeker als het gaat om iets dat gedurende jaren organisch in jou is gegroeid. Dan moet je dat niet gaan omgooien omdat ergens iemand zegt dat we dat nu al wel eens eerder hebben gezien… Als dichter kun je op een waardevolle manier herhalen.’ Elke bundel van Ghyssaert is dus meer van hetzelfde!

Als je dat eenmaal gelooft, gaan de gemeenplaatsen over deze poëzie functioneren als leeskaders: je vindt inderdaad romantische kenmerken, uit de verzen spreekt zeer zeker een obsessie met verval, dit zijn ontegensprekelijk gedichten waarin de lelijkheid in schoonheid wordt omgezet en ja hoor: het klinkt allemaal bijzonder fraai – in clichés zit ook altijd iets van waarheid. Maar die gemeenplaatsen werken ook als oogkleppen en zorgen zo voor een monomane lectuur: elke nieuwe bundel van Ghyssaert wordt al gauw gereduceerd tot die paar termen. Dat leidt tot enerzijds tot fixaties en zorgt er anderzijds voor dat bepaalde elementen aan de aandacht ontsnappen.

Music maestro?

Een hardnekkige misverstand lijkt mij dat deze poëzie bijzonder muzikaal zou zijn. Dat idee wordt ingegeven door de professionele achtergrond van Ghyssaert: behalve dichter is hij namelijk ook beroepsmuzikant. Deze wat ik zou willen noemen ‘professional fallacy’ speelt ook een dichteres als Esther Jansma parten. Zij onderzoekt aan de hand van de jaarringen in het hout hoe oud een bepaald object is en dus moet je over haar poëzie altijd maar lezen dat die over de tijd gaat. Nu zijn er wel degelijk bovengemiddeld veel referenties aan muziek in Ezelskaakbeen: het openingsgedicht beschrijft de geschiedenis van een strijkstok, er is een gedicht gewijd aan het voortdurende piepen dat Smetana hoorde, ‘In het licht van wildvreemd huilen’ is geschreven bij de tweede beweging uit Beethovens zevende symfonie, ‘Meisjesrivierend’ noemt Ghyssaert een ‘Schubertiade’ en een gedicht over de avond heet ‘Nocturne’. Maar het is niet omdat muziek als thema of motief opduikt dat dit muzikale poëzie is. Ghyssaert gebruikt alliteraties (‘weefsels wevend met de wind’), assonanties (Godot / dood) en andere klankrapprochementen, maar niet buitenmatig vaak. De la musique avant toute chose is dit zeker niet, daarvoor zijn er te veel mislukte verzen die dissonant klinken. Veelal betreft dat knullige slotstrofes, zoals in ‘In het licht van wildvreemd huilen’. Na drie mooie suggestieve strofes volgt deze al te expliciete terzine: ‘Alles huilt zich kaal en stil; / in regengeur worden de mieren weer / beschaving die niets om jou geef.’ Of de larmoyante laatste regel van ‘Weefsels’: ‘en het barnsteen van zijn jongste tranen.’ In die zin onderscheidt Ezelskaakbeen zich van de vorige bundels die op dat gebied veel sterker doorgecomponeerd waren. In deze bundel maakt Ghyssaert naar mijn gevoel vooral gebruik van een parlando schrijfstijl en ligt de charme van de gedichten niet in hun welluidendheid, maar in het bijzondere beeldgebruik.

Dat blijkt bijvoorbeeld uit de reeks prozagedichten ‘Onze-lieve-heer van dementie’, waarin de geestelijke aftakeling van een vader wordt beschreven. In plaats van te kiezen voor een vorm en een stijl waarin de afbrokkeling en de verwarring tot uiting komen, schrijft Ghyssaert proza in een haast alledaagse taal. Daar schieten echter voortdurend vervreemdende beelden doorheen die de illusie ontmaskeren die het taalgebruik en de vorm suggereren: namelijk dat alles onder controle is. Niet het formele, maar het discursieve niveau ontspoort en daarmee wordt op originele wijze de boodschap onderstreept: wie dementeert, ziet er weliswaar normaal uit, maar is binnen in zijn hoofd volledig ontregeld. De gedichten beschrijven de ziekte via kleine ontsporingen in de waarneming, via fantastische beelden en uiteindelijk als een voortijdige dood. De ik-figuur vraagt de vader: ‘Loop even uit je dood weg, naar me toe, dat is een kleine wandeling; niemand zal je tegenhouden.’ De zoon hoopt op een moment waarin er alsnog contact gemaakt kan worden – op een teken van leven. De angel zit ’m in dat ‘niemand’. Uiteraard zou niemand willen verhinderen dat de vader, al was het maar even, bij bewustzijn komt, maar het is precies doordat de vader een niemand geworden is, dat dit onmogelijk is.

Het prozagedicht is een genre dat Ghyssaert, nadat hij er voor het eerst mee experimenteerde in zijn vorige bundel, goed lijkt te liggen. De specifieke kenmerken van het prozagedicht duiken ook op in zijn lyrische gedichten. Behalve de reeds gesignaleerde spreektalige stijl valt ook het bijzonder hoge narratieve karakter van de gedichten op. Ghyssaerts verzen zijn bijna allemaal verhaaltjes met een plot, al zijn het dan voornamelijk bizarre vertellinkjes: over dieven die in de tuin de bloemen belichten met hun zaklamp (‘Boterbloemen’), over iemand die slaapt ‘tussen het opkomend getij en de vloedlijn’ (‘De slaper’) of ‘Van de loper die per ongeluk in een baan om de zon terechtkwam’. Wat daarbij in het oog springt, is de tekening van de setting, waardoor alvast een bijzondere, vaak surrealistische sfeer wordt opgeroepen. Zo bestaat ‘Groene sik’ bijvoorbeeld uit niets anders dan sfeerschepping via het decor:

Wind vlagt in nachtportalen,
dan wordt het stil en stijgt de temperatuur;
de zachte, groene sik van de maan
hangt voor de vrederamen.
Alles is in fijne lijnen uitgetekend,
de huizenblokken de trottoirs,
lagunes van eerste ochtendklaarten.

Daarop volgt in drie regels waar het gedicht eigenlijk om draait: ‘Waarom dan niet jouw schaduw die / vanaf de straat tot in mijn schoot / onrustig slaapt?’ De uitgebreide observatie van het schemerige, broeierige buiten reflecteert de situatie binnen: de afwezigheid van de geliefde van wie zelfs de schaduw onbereikbaar is.

Hopeloos romantisch

En daarmee zijn we dus toch bij de romantiek aanbeland. Want hoe fel je ook je best doet om Ghyssaert vanuit een ander perspectief te lezen en hoe fantastisch sommige beschrijvingen ook zijn – in een van de prozagedichten is een kobold aan het woord; in ‘Meisjesrivierend’ dobberen de hoofden van mooie freules op het water en spreken de bomen; de dieven in ‘Boterbloemen’ ontroven niets, maar laten licht vallen op de bloemen, waardoor die ook ’s nachts hun schoonheid tonen – Ezelskaakbeen is alles bij elkaar toch een hopeloos romantische bundel. ‘Meisjesrivierend’ is daarvan het beste bewijs. Dit gedicht, geschreven in de trant van een Schubert-lied, is zowel naar vorm als naar inhoud romantisch. Het gedicht heeft een absurd uitgangsgegeven – ‘Onder het lommer van de bomen, buiten / de moorddadige golven van warmte gehouden, / dansen de meisjesgezichten als dobbers / en jouw mooie meisje is erbij.’ –, maar bestaat verder uit knittelverzen, een dialoogje met de bomen en uiteindelijk is het de natuur die het meisje voor zich houdt ten koste van de verliefde jongeling. Het romantische oerthema van de onbereikbare vrouw duikt ook op in het grappige ‘Mermaphilia’, waar het verlangen voorgesteld wordt als een soort pathologische obsessie. De moot kabeljauw die hij in het viskraam ziet, is voor de verteller van dit gedicht niets meer of niets minder dan de staart van een zeemeermin. In de slotstrofe luidt het: ‘Er was vandaag die mogelijkheid / die niet te koop is / nooit te koop.’ Of die conclusie opgevat moet worden als een vingerwijzing van de ratio dan wel als een uiting van spijt is niet meteen duidelijk, al valt het laatste te vrezen van een zo onironisch dichter als Ghyssaert.

Behalve in dit soort verzen die variaties zijn op het klassieke thema van de belle dame sans merci bevat de bundel ook minder clichématige gedichten over de liefde. De gedichten in de afdeling ‘Miljoenen dochtertjes van zon’ openen allemaal met het vers: ‘Over de liefde wil ik je nog zeggen:’, waarop vervolgens telkens prachtige suggestieve beelden volgen. Dit is ongetwijfeld de sterkste reeks van de bundel omdat de metaforiek hier niet louter tot sfeerschepping dient, maar verzelfstandigd is, zoals in dit voorlaatste gedicht:

Over de liefde wil ik je nog zeggen:
de volgeschonken uren
staan te stralen in het landschap;
hun sap loopt tastend langs je pols
tot waar de varen zich ontvouwt
en proeft, met vederlichte tong.

Daarnaast gaan heel veel gedichten over gevoelens die zich laten beschrijven via woorden met het voorvoegsel ‘ver-‘: verdriet, verlies, vergeten, verleden, verlangen, verglijden, verlaten, verleden, vervloeien, … Ghyssaert is duidelijk behept met een groot vergankelijkheidsbesef. De avond wordt in zijn perceptie bijvoorbeeld een ‘jonggestorven dag’. Het enige wat blijft, is dat er niets blijft: ‘De koningstabel’ bevat een lijstje van namen van ooit roemruchte koningen met daarbij telkens de regeerperiode – ondertussen allemaal vergeten. ‘Het vulkaanhuis’ gaat over een van mensen verlaten woning aan de voet van een vuurspuwende berg: het bestendige van de stenen, het vergankelijke van de mens. In ‘Bolvormig water’ heerst dan weer het besef dat alles – ook de aarde, ook het lichaam – van water is en dus, naar het woord van Heraclitus, stroomt en dus voorbijgaat. Er wordt afscheid genomen, er wordt gestorven. Tijdelijkheid is het centrale gegeven in Ezelskaakbeen.

Ghyssaert bespeelt duidelijk een tijdloze, herkenbare thematiek. Dat maakt dat zijn gedichten in de smaak vallen – niet voor niets wordt deze dichter sinds zijn debuut bijna doodgeknuffeld door de poëziekritiek – maar doordat hij zo consequent ernstig is, soms op het pathetische af, heeft zijn werk ook iets ontijdigs.

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?