cover big

Zwart-wit Europa

Femke Kaulingfreks

Over Kritiek van de zwarte rede van Achille Mbembe (vert. Jeanne Holierhoek & Katrien Vandenberghe)

Uitgeverij Boom, Amsterdam, 2015,
ISBN 9789089536068 / 288p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 05-07-2016

Bookmark and Share

De Kameroense filosoof en politicoloog Achille Mbembe (1957) reist de hele wereld over om te doceren aan toonaangevende universiteiten, van Zuid-Afrika tot de Verenigde Staten. Hij schreef een veelgeprezen boek en meerdere artikelen over het postkoloniale Afrika, dat in de Westerse verbeelding vaak wordt gereduceerd tot clichés, zoals dat van een arm en uitgeput continent. Zijn werk is echter kritisch op meerdere gebieden. Mbembe beschrijft ook hoe complex de machtsverhoudingen zijn in samenlevingen die zich hebben bevrijd van kolonisatie. Hij analyseert niet alleen de Westerse waanbeelden van dit continent, maar evenzeer postkoloniale ideeën die volgens hem achterhaald zijn, bijvoorbeeld dat van de kolonist als enige vijand tegen wie de inheemse bevolking zich moet verzetten.

In Europa was zijn werk tot voor kort minder bekend. Wellicht is dit te wijten aan de grote distantie waarmee Europa haar eigen koloniale verleden beschouwt. In de Verenigde Staten en Afrika vond de confrontatie met slavernij en uitbuiting binnen de eigen landsgrenzen plaats, terwijl men in Europa het geweld van kolonisatie kon beschouwen als iets wat ver weg gebeurde, op een ander grondgebied, aan de andere kant van de oceaan. Die afstandelijke blik maakt het vandaag de dag nog steeds mogelijk om weg te kijken. De moderne, liberale Europese burger voelt zich ver verwijderd van praktijken van dehumanisering. Het kolonialisme wordt doorgaans gezien als een ongemakkelijke historische periode die achter ons ligt en dus voor de verhoudingen binnen het huidige Europa niet langer bepalend is.

In zijn nieuwe boek, Kritiek van de zwarte rede, richt Mbembe zich juist op de huidige staat van ongelijkheid binnen Europa. Het is een belangrijk en actueel werk, dat lezers uitnodigt om kritisch te kijken naar bepaalde denkstructuren waarmee onderscheid wordt gemaakt tussen mensen die meetellen en mensen die afgedankt zijn. Die patronen hangen nauw samen met het mondiale kapitalisme, maar zijn een Europese uitvinding.

Mbembe ontmaskert het zelfbeeld van Europa als het tolerante, verlichte en beschaafde centrum van de wereld en toont de logica van verdeel en heers, uitsluiting en uitbuiting, die aan deze verbeelding ten grondslag ligt. Door van oudsher anderen te vernederen en ondergeschikt te maken, heeft de Europeaan zichzelf op een voetstuk kunnen plaatsen. Nu Europa door globalisering niet langer het vanzelfsprekende mondiale middelpunt is, wordt steeds pijnlijker duidelijk dat een fundamentele tweedeling van de wereld schuilt onder het Westerse, liberale ideaal van universalisme. Juist dankzij haar voorgenomen kleurenblindheid ziet Europa zichzelf en de rest van de wereld alleen in zwart-wit. Mbembe legt het contrast tussen zwart en wit genadeloos bloot en toont hoe lang racisme al onderdeel uitmaakt van het Europese denken. Wit is geen kleur, het is de standaard die het goede en eigene bepaalt. Zwart is de kleur die we niet willen zien, de kleur van duisternis, de kleur van de bedreigende ander. De figuur van de Neger personifieert deze voorstelling van de wereld in zwart-wit.

De Neger is een mens die zijn menselijkheid wordt ontzegd; hij werd als slaaf verhandeld, omdat zijn lichaam als werktuig kon worden gebruikt en economische waarde had. Al sinds de vijftiende en zestiende eeuw, toen Europa begon aan haar imperialistische project van verovering en kolonisatie, staat de Neger als bruikbaar object tegenover het menselijk subject. Aan de figuur van de Neger werden allerlei dierlijke, en dus verachtelijke eigenschappen toegeschreven, van onstuitbare seksuele drift tot agressie en irrationele overgave aan emoties. Hij droeg de groeiende rijkdom van het Westen op zijn ‘sterke schouders’, terwijl zijn verstandelijke vermogens stelselmatig werden ontkend, en zijn eigenwaarde en identiteit werden vernietigd. Zijn ras bestaat niet: er valt geen biologisch verschil aan te wijzen tussen een witte en een zwarte soort mens, met fundamenteel andere fysiologische eigenschappen.

Mbembe verwijst hier terecht naar het boek Racecraft. The Soul of Inequality in American Life (2012) van Karen E. Fields en Barbara J. Fields , dat overtuigend laat zien hoe het geloof in ras eigenlijk net zo werkt als hekserij. Er wordt aan sommige mensen om politieke of gevoelsmatige redenen een stigma opgelegd waarvan de echtheid vervolgens via allerlei pseudowetenschappelijke trucs moet worden aangetoond. De naam Neger duidt daarom niet op een biologisch verschil, maar bovenal op een relatie van onderworpenheid aan een meester, die de Neger maakt tot wat hij is. De Neger bestaat niet op zichzelf, maar alleen in een toestand van toe-eigening, die nauw verbonden is met het vroege kapitalisme. Deze toestand creëert reële, ongelijke machtsverhoudingen. De Neger en zijn zwarte ras zijn allebei een uitvinding van het Europese denken. De Neger werd als on-mens geconstrueerd en deze uitvinding kon als excuus worden gebruikt om kolonisatie en exploitatie voor eigengewin te legitimeren. Iemand die geen echt mens is kun je zijn menselijkheid niet afnemen, dus kon het project van kolonialisme niet inhumaan zijn. Mbembe bekritiseert dit ‘onderwerpingsparadigma’ dat hij de zwarte rede noemt.

Mbembe waakt er echter voor om te vervallen in een simpele analyse van daders en slachtoffers. De kolonisatie van overzeese gebieden kon niet alleen een succes worden omdat de inheemse bevolking werd onderworpen aan nieuwe Westerse meesters, maar ook omdat ze toegaf aan haar eigen begeerte naar nieuwe, Westerse handelswaar. Het waren daarom niet alleen de koloniale machthebbers die een systeem van uitbuiting op basis van hebzucht in stand hielden, maar ook lokale leiders.

Volgens Mbembe is het hedendaagse kapitalisme nog steeds nauw met racisme verbonden. Het gebruiken van mensen voor economisch gewin, zoals ten tijde van de slavenhandel, gebeurt nog steeds. De logica van de markt stelt handelswaarde boven andere vormen van nut en menselijke waarde. Om vrijelijk winstmaximalisatie na te kunnen streven worden de rechten en bewegingsruimte van niet-marktwaardige groepen beknot. Karl Marx waarschuwde al dat het kapitalisme zou leiden tot vervreemding, omdat in een productieproces arbeiders verworden tot inwisselbare schakels. Alleen een kleine, rijke bovenklasse profiteert.

Volgens Mbembe leven we in een tijd waarin de ontmenselijking nog een stap verder gaat. We hebben zowel te maken met precarisering van de arbeidsmarkt als met een groeiend deel van de wereldbevolking dat überhaupt niet meer aan het arbeidsproces kan deelnemen en als zodanig als geheel nutteloos en overbodig wordt beschouwd. Deze ‘overbodige’ massa wordt niet alleen uitgebuit, maar volledig aan haar lot overgelaten, zonder enige sociale zekerheid. Ook de logica van kolonisatie, die zich uit in het inperken van de vrijheid van etnische groepen die als ‘anders’ en dus gevaarlijk worden gezien, is nog springlevend. De liberale democratie in het Westen, die zoveel mogelijk vrijheid voor iedereen zou moeten garanderen, wordt ‘beschermd’ met verregaande veiligheidsmaatregelen, die restricties opleggen aan allerlei risicogroepen. Mbembe:

Vooral de dreiging die aan bepaalde rassen werd toegeschreven, vormde van meet af aan een hoeksteen van de angstcultuur die inherent is aan de liberale democratie.

Tegenwoordig zijn het niet langer alleen mensen van Afrikaanse origine die als gebruiksvoorwerp worden beschouwd of worden geobjectiveerd als bedreiging van de Westerse beschaving. Mbembe spreekt dan ook van ‘de vernegering van de wereld’. Racisme in de eenentwintigste eeuw is niet langer alleen gebaseerd op de idee van ras, maar uit zich ook in onderscheid op basis van cultuur of religie. Een tweedeling tussen goede, beschaafde burgers en degenen die als ongewenst of overbodig worden bestempeld kenmerkt het huidige Europa.

Voorbeelden zijn er genoeg. Groeiende inkomensongelijkheid, steeds verdere precarisering van de arbeidsmarkt, de continue surveillance van mensen die vanwege hun religie of huidskleur in een zogeheten risicoprofiel passen, en de eindeloze stroom vluchtelingen die vanuit het zuiden en oosten Europa bereikt, tonen aan dat we nog steeds in een zwart-witte wereld leven.

Paradoxaal genoeg maakt deze dichotomie het onmogelijk om daadwerkelijke verschillen, en daarmee de veelzijdigheid van de wereld, onder ogen te zien. Mbembe stelt dat we alleen kunnen toewerken naar ‘een gemeenschappelijke wereld gebouwd op basis van gelijkbedeeldheid en de fundamentele eenheid van de menselijke soort’, als een meervoudigheid van radicale verschillen wordt erkend zonder die in te delen in een hiërarchische machtsorde. Er is maar één wereld en maar één mensheid met ontelbare gezichten, unieke behoeften en idealen, met alle hun waarde. De menselijkheid van diegenen die puur als gebruiksobjecten worden beschouwd zal moeten worden hersteld. Bijvoorbeeld door hun bijzondere eigenheid en autonomie te erkennen en de universele verbondenheid van de mensheid in zijn geheel. Dit herstel hangt af van een proces van erkenning, maar ook, of juist, van een daad van zelfbeschikking van mensen die als Neger worden aangemerkt.

Mbembes kritiek van de zwarte rede bestaat daarom niet alleen uit een analyse van wat hij ‘het westerse bewustzijn van de Neger’ noemt, maar ook uit een analyse van verschillende vormen van zelfbewustzijn. Mbembe laat zien hoe diegenen die onderworpen worden aan uitbuiting, slavernij en kolonisatie van oudsher hun menselijkheid hebben benadrukt en hun eigen subjectiviteit hebben gevormd in verzet tegen hun reductie tot ‘ding’. In hun eigen denken en schrijven definiëren mensen die als Neger worden gepercipieerd hun identiteit, en eigenen zich daarbij soms expliciet de naam Neger toe, zoals in het ideologische discours van négritude, een filosofische en literaire stroming die ontstond in de jaren dertig en zich expliciet afzette tegen het kolonialisme en het bijbehorende inferioriteitsdenken over Zwarte mensen. De négritude denkers putten juist trots en kracht uit een gedeelde Zwarte identiteit en vormden daarmee een inspiratiebron voor latere bewegingen, zoals de Black Power-beweging in de Verenigde Staten.

Mbembe benadrukt de noodzaak van emancipatie en zelfbeschikking, maar uit ook kritiek. Juist door te benadrukken dat de Neger óók menselijk is, wordt de mogelijkheid om hieraan te twijfelen constant in herinnering geroepen. Nog erger, emancipatoire ideologieën zoals het panafrikanisme – die gebaseerd zijn op een terugkeer naar de Afrikaanse roots, identiteit en saamhorigheid – houden het gedachtenconstruct van het ras als noodzakelijke categorie in stand. Zo wordt volgens Mbembe ook een vicieuze cirkel behouden van witte machthebbers die op basis van hun ras Negers kleineren, en zwarte slachtoffers die op basis van hun ras zich uit deze onderdrukte positie proberen te bevrijden. Een menselijke gemeenschap die daadwerkelijk is gefundeerd op gelijkwaardigheid kan alleen ontstaan als ras als grondbegrip wordt losgelaten. In zo’n gemeenschap worden fundamentele verschillen erkend zonder ze in een zwart-witte dichotomie onder te brengen.

Mbembes boek laat zien waarom slavernij en kolonialisme nog steeds hun stempel drukken op hedendaagse sociale en economische ongelijkheden, en niet gezien moeten worden als een allang afgesloten hoofdstuk. Die boodschap gaat niet alleen over de ongelijke verhouding tussen Fort Europa en de buitenwereld, maar ook over ongelijkheid binnen onze eigen landsgrenzen. Of het nu gaat om etnisch profileren door de politie, discriminatie op de arbeidsmarkt, het huisvesten van vluchtelingen, of de discussie over Zwarte Piet, in het Nederlandse racismedebat worden regelmatig argumenten gebruikt die blijk geven van de ontmenselijkingslogica die Mbembe bekritiseert. Dit zijn niet alleen openlijke, directe uitingen van racisme – ‘zwarte anti-Piet activisten moeten met de eerste bananenboot terug naar Afrika’ –, maar vaak ook zogenaamd goedbedoelde argumenten die verwijzen naar de in essentie ‘vreemde’ eigenschappen van diegenen die men nu geen Neger meer durft te noemen. Een ‘wij’ van witte Hollanders wordt zo geplaatst tegenover een ‘zij’, ‘vreemdelingen’, ‘mensen met een kleurtje’. Omdat zij zo fundamenteel ‘anders’ zijn in hun instincten en ‘culturele DNA’ moeten wij ze helpen zich aan te passen aan de witte standaard, zo luidt een van deze redenaties.

In de nasleep van de Keulse nieuwjaarsnacht wordt met regelmaat onderstreept dat ‘onze vrouwen’ moeten worden beschermd tegen op seks beluste Zwarte en Arabische nieuwkomers, die hun driften niet de baas zijn en onze moderne normen en waarden niet begrijpen. Tegelijkertijd moeten Zwarte en Arabische vrouwen juist seksueel worden bevrijd, op eigen benen leren staan en worden ingewijd in onze goeddeels seculiere manier van leven. De ‘anderen’ worden pas volwaardige, gelijkwaardige mensen als ze hun ‘traditionele’, ‘irrationele’ of ‘extreme’ gewoonten hebben losgelaten en als beschaafde burgers zijn geassimileerd. Asielzoekerskinderen kunnen rekenen op compassie en mogen in Nederland blijven mits ze ‘gewoon, typisch Nederlands’ zijn geworden.

Het superioriteitsdenken in dergelijke argumenten wordt verpakt als een humanitaire onderneming, aldus Mbembe. De blanken houden zich voor dat het hun taak is de kleurlingen te helpen en te beschermen tegen hun eigen achtergesteldheid. Het gebruik van de menselijke rede wordt hierbij impliciet voorgesteld als een witte Westerse, of in ons geval, autochtoon Nederlandse verworvenheid. Een eigen, constructief handelingsperspectief mist daar waar de rede ontbreekt. Degenen die zich uitspreken tegen racisme moeten bijvoorbeeld ‘niet zo boos of emotioneel zijn, maar eens leren om de zaken nuchter te benaderen’. Of ‘ze moeten niet zo klagen, eens uit die slachtofferrol komen, en iets van hun leven maken net zoals alle gewone Nederlanders’.

Ook in argumenten die als complimenterend en ondersteunend worden opgevat schuilt vaak een vorm van exotisme en essentialisme dat impliciet de primitieve aard en een beperking van de menselijke rede bij een ‘apart’ soort mens bevestigt. Te denken valt aan bewondering voor de ‘speciale’ fysieke talenten en de gepassioneerdheid van sommige zwarte mensen voor sport, dans, jazz en hiphop. Zulke stereotypen leiden gemakkelijk tot een koppeling van ras aan een wilder temperament en een lagere intelligentie. ‘Zij hebben nu eenmaal andere talenten dan wij’ kan zo een argument worden om aan allerlei vormen van ongelijkheid, bijvoorbeeld in het onderwijs en op de arbeidsmarkt, een zogenaamd positieve draai te geven.

Als het eigen, beredeneerde en kritische handelingsperspectief van Nederlanders van kleur niet langer te negeren valt, gaat men alsnog tot het uiterste om de kritiek als onredelijk af te doen. Dit werd eens te meer zichtbaar toen Sylvana Simons recentelijk aankondigde zich aan te sluiten bij de nieuwe politieke partij DENK. De intrede van een zwarte vrouw in de Nederlandse politiek, die ook nog eens een krachtige stem heeft in het antiracisme debat, leidde tot een stortvloed van bedreigingen en paniekerige reacties in de media. Het Parool sprak over een ‘veenbrand van allochtoon onbehagen’ die had geleid tot het ontstaan van een nieuwe politieke partij die het vooral van een strategie van provocatie moet hebben. de Volkskrant maakte ruimte voor een column waarin werd gewaarschuwd voor het gevaar van boze zwarte militanten zoals Simons, en een andere column waarin werd gesteld dat Simons een ‘dwaalgeest’ is omdat ze heeft meegewerkt aan een tijdschrift over paranormale zaken. In de nationale kwaliteitsmedia bleek er alle ruimte te zijn om Simons’ deelname aan de Nederlandse politiek als over-emotioneel en ondoordacht te diskwalificeren, maar naar de inhoud van haar politieke programma werd nauwelijks gevraagd.

Ondanks de in hoofdletters geschreven naam van de partij waarvan Simons lid werd, wordt Nederlanders van kleur nauwelijks een podium geboden om kritisch na te denken over de ongelijke verhoudingen in Nederland. Het racisme in Nederland rijkt verder dan directe, openlijke beledigingen en zit ingebakken in zowel culturele als politieke structuren. Wie niet voldoet aan de witte standaard, ondervindt aan den lijve dat er op meerdere vlakken met twee maten wordt gemeten. Achter het ideaal van het tolerante en progressieve Nederland ligt een hiërarchisch onderscheid tussen witte en gekleurde Nederlanders besloten dat zowel bewust als onbewust in stand wordt gehouden. Gelijke behandeling door de politie op straat, gelijke toegang tot de institutionele politiek en gelijke kansen in het onderwijs, het is allemaal nog geen realiteit. En als het aankomt op het aankaarten van institutioneel racisme, blijkt wegkijken nog steeds de makkelijkste strategie te zijn.

In al deze voorbeelden wordt ras steeds onderbewust of impliciet aangehaald als een bepalende factor die de verschillen tussen mensen met en zonder privileges als natuurlijk doet voorkomen. Het is hoog tijd om dit racisme te ontmaskeren, en een einde te maken aan het indelen van de wereld in aparte domeinen voor aparte soorten mensen. Mbembes boek biedt een dosis intellectuele munitie voor de antiracismebeweging die zeer waardevol is.

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?