Deel Facebook Twitter / X LinkedIn
Vijf jaar na het verschijnen van Nederland in stukken (2020) volgt de nieuwe dichtbundel van Maarten van der Graaff (1987) onder de curieuze titel Huishoudboekje van de verborgen dingen. Ik schreef over de eerstgenoemde bundel voor De Reactor, sprak mijn bewondering uit over de kritiek die daaruit naar voren komt, gericht op onze neoliberale maatschappij waarin het nietsontziend kapitalistisch draait om geld en macht, maar verbaasde me tevens over de afwezigheid van enige vorm van verweer of een mogelijke ontsnapping daaraan. Het neoliberale kapitalisme is in deze bundel zo dominant aanwezig dat mogelijke alternatieven totaal uit zicht zijn geraakt. Filosofie, religie noch kunst boden de dichter enig soelaas.
Maatschappijkritiek
Nederland in stukken toont de lezer de invloed van een politiek en economisch model dat niet alleen onze maatschappij ontwricht, maar ook onze leefwereld is binnengedrongen. Filosoof Jürgen Habermas (1929) zou zich geen betere verwoording van de impact van zijn denken hebben kunnen wensen dan deze bundel. Het systeem van staat en markt is, in zijn woorden, de leefwereld binnengedrongen. Die botsing van de twee werelden klinkt ook door in de nieuwe bundel van Van der Graaff. Lees het over twee bladzijden verspreide zinnetje ‘Het inlichtingenbureau // in het diepst van je affecten’ en huiver; iets eerder las ik ook al: ‘Medewerkers in de migratieketen // schrijven in je dagboek.’ Hoe ontluisterend en weerzinwekkend klinkt niet het citaat dat ik als titel aan deze beschouwing heb meegegeven waarin het gevolg van de ongewenste beïnvloeding zichtbaar is: ‘Het slijm van structuren op je kussen’. In de vorige bundel is er van verweer geen sprake, Van der Graaff schildert Nederland daarin af als een onttakeld land dat volkomen is dood gerationaliseerd. Habermas komt met een mogelijk tegengif tegen het systemische geweld door ‘het communicatieve handelen’ in stelling te brengen (zijn hoofdwerk uit 1981 heet Theorie des kommunikativen Handelns). In de jaren tachtig werd ik als student filosofie al met dit denken geconfronteerd en al bij de eerste indruk had ik mijn twijfels over de werkzaamheid en effectiviteit van het door hem zo hoog aangeschreven vermogen van de mens om in redelijkheid gesprekken te voeren, enkel op basis van argumenten en zonder misplaatste machtsverhoudingen in een kennelijk gedeelde leefwereld en uiteindelijk ook gedeelde waarheid. Het postmodernisme, dat ook in de jaren tachtig opkwam, heeft een fragmentatie van de gezamenlijke wereld teweeggebracht, zodat er van een gedeelde voedingsbodem voor communicatie niet veel overbleef. De nawerkingen van dit denken oefenen tot in onze tijd hun invloed uit, vooral op het politieke toneel, waardoor de polarisatie tussen groepen van mensen alleen maar groter is geworden en wereldleiders aan de macht zijn gekomen die communicatie vooral zien als last. In de eenentwintigste eeuw is het denken van Habermas tot een goedbedoelde theorie uit het verleden gereduceerd. De bundel Nederland in stukken laat schrijnend de teloorgang van het communicatieve handelen zien: de taal is in deze bundel gefragmenteerd geraakt, de mensen zijn er zo goed als monddood gemaakt, vermorzeld door de structuren van het systeem. De bundel sluit af met een lang gedicht waarin een moeder op zoek gaat naar een dochter die zich in een ver land heeft teruggetrokken in ‘zelfgebouwde spelonken’. De dochter zelf krijg je nooit in beeld, wel de ontmoedigende opmerkingen van de moeder die in 555 genummerde fragmenten verslag doet van haar zoektocht onder de veelzeggende titel ‘Residuen’. Residuen zijn in deze bundel de mensen die onderworpen zijn aan het systeem dat ze overheerst, maar ook de fragmenten zelf, die zich als restanten van een gemarginaliseerd leven tonen.
In het openingsgedicht van de nieuwe bundel lijkt de dichter voort te borduren op dat laatste gedicht uit de vorige, maar nu met een nieuwe missie: hij wil de mens bevrijden van een ondergronds en teruggetrokken leven, want ‘het uitzicht zit vol ingestorte gangen’. In dit gedicht zoekt een boos transparant oog over de rand van het huishoudboekje naar ‘de waarheid van de materie’ en die waarheid is per definitie niet materieel. De dichter wil meer dan alleen de kosten bijhouden voor de instandhouding van het dagelijkse leven, hij wil het slapende, het onbeduidende en het onheldere doen ontwaken om aan het systeem te ontkomen. Het gevolg van deze kleine revolutie in het denken is dat de toon van de nieuwe bundel minder somber en hopeloos is dan die van Nederland in stukken. Van der Graaff wil niet zozeer financieel over grenzen heen bewegen, maar gevoelsmatig of geestelijk, misschien zelfs op het spirituele vlak. Dat is nieuw in dit poëtische oeuvre; in het openingsgedicht is krachtig de toon gezet voor een nieuwe geesteshouding over de grenzen van het rationele heen. En die is nodig ook voor wie het stedelijke als een organisatie van gevoelens is gaan zien, zoals blijkt uit het gedicht ‘Occulte wandeling’. Er is hoop, want ‘Over de hele wereld verouderen infrastructuren’, aldus de dichter met een nieuwe agenda. Enerzijds maakt hij melding van ‘staatsherinneringen’ en beschouwt hij geluk als een ‘sombere tuin’, anderzijds maakt hij melding van ‘speculatieve onrust’ en een ‘vage verknochtheid’. Aan wat, zal nog blijken. In ieder geval is het duidelijk dat hij het ‘apocrief piekeren en bleu tegen de doofpot aanlopen’ zat is:
we moeten als ganzen over de oude namen vliegen
we moeten als varkens naar de nieuwe wroeten
Het gewemel
Met een sneer naar de voormalige Nederlandse minister van Asiel en Migratie, Marjolein Faber, die bekend zal blijven om haar verbluffende uitspraak ‘Ik ben beleid’, schrijft Van der Graaff, als toppunt van een verziekt rationalisme dat de leefwereld is binnengedrongen: ‘Bestuur is de autobiografie van de bestuurders.’ Gelukkig is er een verzachting van de gevoelswereld mogelijk in zijn nieuwe bundel. Zo kan er op een frisse ochtend in het inlichtingenbureau wel degelijk sprake zijn van ‘postglaciaal verschuivende gevoelens’. Een ik moedigt zijn vrienden aan om te ‘verbrossen, in zich te beknotten wat beknotten wil’. In dat gedicht is het februari. ‘Buiten zijn brokkelige schimmels, uitvloeisels, uitwasemingen.’ De starheid en hardheid van de structuren die deel zijn gaan uitmaken van ons innerlijk, verliezen iets van hun invloed. ‘Gewemel’ is een woord dat in de bundel opduikt om de kwalijke gevolgen van de structuren te ondermijnen. Gewemel is een tegenkracht waarin je kunt opgaan, waarin je je kunt onderdompelen, blijkt uit het gedicht ‘Oude groei’: ‘Gewemel is ervaringsstof’. Gewemel staat voor vitaliteit en beweeglijkheid. Sterren wemelen aan de hemel, bladeren aan bomen en zonlicht op de golven van water. Elders is sprake van een vergelijkbare tegenkracht: ‘niets anders laten ontkateren dan de privacy van de liefde.’
Hoe verrassend duikt deze boodschap op in de poëzie van deze dichter, die toch vooral bekendstond om zijn pikzwarte wereldbeeld waarin de verstikkende dominantie van het kapitalisme zichtbaar was. Het gewemel en de privacy van de liefde behoren in aanleg tot het geheimzinnige, het verborgene van de wereld. Wat mij in Nederland in stukken naar adem deed happen, het gebrek aan aanknopingspunten voor een ontsnapping aan een verstikkend pessimisme, wordt hier ruimschoots gecompenseerd door de verborgen dingen aan hun privacy te onttrekken. Een meer openbare magische omgang met de wereld blijkt de inzet te zijn van deze bundel. Aan hun privacy onttrokken zijn de verborgen dingen zeker niet illusoir, ze zijn aanwezig en zichtbaar voor wie er oog voor heeft, juist in en door het alledaagse:
het realisme van het verborgene trekt een spoor door de bermen
aan de autoboulevard in overvecht schrijf ik teksten over die sporen
In Huishoudboekje van de verborgen dingen worden enkele van die sporen genoemd, die niet alleen van realisme getuigen, maar ook van een poëtische inslag. Geen verstarring hier, maar verruiming van de context en bevrijdende beweging:
planetaire administratie ondode
democratieën stemmingswisselingen
vertaald door zand en wind
Onprofessionele hulp
Om het gewemel te bewerkstelligen moet worden gebroken met de oude systemen en machthebbers die ons gevangen houden in onderdrukkende structuren: ‘vaders houden de toekomst bezet ze staan in de tuin / staatkundig leven schiet wortel onder hun voeten’ staat te lezen in het gedicht ‘Terrein’. De dichter roept zelfs de hulp in van de gereformeerde theoloog en staatsman Abraham Kuyper (1837-1920) om ongewenste invloeden op de eigen leefwereld te bestrijden, zoals in onderstaand fragment op die van het volk:
spreek van soevereiniteit contract social rechtsbetrekking of
absolute machtssfeer en enkelen onder de geleerden
mogen u volgen kunnen maar de grote massa
van de kinderen uws volks houdt op te luisteren
laat ge die abstracte ideeën varen om het concrete huisgezin
op den voorgrond te stellen gevoelt ieder dat ge hem
op zijn eigen terrein terugbrengt
Waar Van der Graaff naar zoekt is, grappig genoeg, niet professionele, maar onprofessionele hulp en die wordt gezocht buiten de bestaande structuren en systemen: ‘onprofessionele hulp kent geen derden’. Het is vanuit het gewemel, bijvoorbeeld in de poëzie, dat die hulp zich openbaart. Ietsje verderop in het gedicht komt ook de communistische dichter Herman Gorter (1864-1927) ter sprake als wegbereider in het doorbreken van systemen en het opeisen van het eigen terrein:
de lamp schijnt, de kamer is open –
buiten hoor ik de wind loopen
[…]
de nacht is heel opengegaan
als sluizen –
De wind, die in dit geval ‘loopt’, kwam naast zand al ter sprake als het verborgene dat sporen trekt in bermen waarover de dichter wil schrijven. Dat verborgene is hier ook nog eens verbonden met de nacht, die als een sluis is opengegaan om dat verborgene te ontsluiten. En het is de bedoeling dat het verborgene niet alleen maar ten goede komt aan het individu: ‘ik wil alles wat teder is niet verder privatiseren’, aldus Van der Graaff. In het verruimen van de tederheid, tot buiten de grenzen van de eigen leefwereld, stuit hij echter wel op een cruciale opgave: ‘je wil tederheid niet privatiseren ok / maar waarom schrijf je dan / zonder tederheid dat is een probleem’.
Occult wandelen
Om het verborgene op het spoor te komen kwam de wind al ter sprake. Enerzijds blijkt de wind te lopen (zie het Gorter-citaat), anderzijds blijkt hij sporen na te laten in de berm, sporen van het verborgene. Het derde gedicht uit de bundel blijkt beide aspecten van de wind te verenigen in het ter sprake brengen van een drive-thru. Dat is, naar Amerikaans voorbeeld, zo’n loket van een grote voedselketen langs de weg waar je zittend in een auto een bestelling kunt plaatsen. Voor Van der Graaff krijgt deze locatie een meerwaarde als er niet doorheen wordt gereden maar gewandeld. Deze ongebruikelijke manier van passeren doet de belevingswereld veranderen: ‘Door een drive-thru lopen is occult wandelen’. En dan vindt plaats wat eerder al ter sprake kwam: dat het realisme van het verborgene een spoor trekt door de bermen, waarover de dichter vervolgens zou kunnen schrijven, want occult wandelen ‘is een werkdefinitie van poëzie’.
Dat occulte deed me wel even schrikken. Is de dichter op zoek naar esoterische inzichten die maar voor een kleine schare ingewijden zijn bestemd? Dat lijkt mij niet in overeenstemming met zijn streven naar bevrijding van het systeemdenken dat ons allen aangaat. Snel al stelt hij mij gerust door te spreken over het realisme van de verborgen dingen, wat hij mede concretiseert door de alledaagse plekken te benoemen waar dat verborgene zich mogelijk toont: in bermen, aan de rand van een bedrijventerrein, in de nabijheid van straatmeubilair en parkeergarages, afzettingen en invoegstroken. Die plekken zijn van existentieel belang: ‘aan de randen van je leven / is de waarheid over je leven’. Het ontdekken daarvan kan nog dichter bij huis:
begin de occulte wandeling bij jou in de buurt
bij voorkeur op de vleesafdeling van de supermarkt
In het gedicht ‘Drive-thru walk-in’ (een neologisme) stelt de dichter dat een gewone wandeling een occulte wandeling kan worden als je, bijvoorbeeld, langs een pannenkoeken-drive-thru loopt waar je niet lopend in durft. Wel doen dus, is het advies van Van der Graaff. En meer nog dan alledaags, zelfs platvloers, is de constatering ‘om te blijven bij het feit / de slechte adem van het feit’.
bij het feit blijven is
wat verbrost nooit
ferm wordt
wat broeit in oude groei
zich ophoest
Slechte adem ophoesten verhindert, lijkt mij, afdoende dat er een hogere, esoterische waarheid uit het occulte voortkomt die zich heeft losgezongen van het alledaagse, zeker niet na de constatering: ‘laten we het materialistisch houden’. Ook vanuit de filosofie benadrukt de dichter de aardse voedingsbodem van het occulte: ‘God knows dat ik geen hegeliaan ben […], maar het was de Wereldgeest die ik op straat zag staan. Aan de rand van iets. Op de rand’. Aan of op de rand van de alledaagse belevingswereld, in de bermen ervan, kan het occulte opbloeien, een door en door aardse vorm van een metafysisch, misschien wel mystiek ervaren.
Samenscholen
Mystiek drukt binnen het religieuze denken en ervaren het aspect van verbondenheid uit, met de ander en mogelijk zelfs met de gehele realiteit. In feite is mystiek de meest verregaande ervaringsmogelijkheid om je geest te bevrijden van de structuren van het systeem. De eerder genoemde fascinatie voor het gewemel is, wat mij betreft, een eerste aanwijzing voor een mystiek levensgevoel. In het gewemel beweegt alles door elkaar heen, afzonderlijke elementen worden onderdeel van een groter geheel en de dingen beginnen hun starre identiteit te verliezen. Ook het verbrossen en verkruimelen dat her en der in de bundel ter sprake komt lees ik in dit kader. Het woord dat het mystieke streven het meest vertegenwoordigt is in mijn ogen ‘samenscholen’, dat in de laatste reeks gedichten zo nadrukkelijk aanwezig is en in onderstaand citaat als de voltooiing van een alchemistisch proces wordt beschreven:
nu nog de samenscholing als politieke en poëticale alchemie beschrijven
en dan zit dit werk erop
er is meestal sprake van samenscholen
tijdens een min of meer toevallige ontmoeting
Een interessant experiment dat Van der Graaff uitvoert om alles met alles te verbinden is een gedicht dat zich als één doorlopende regel van bladzijde 1 tot en met 130 voortzet aan de onderzijde van iedere pagina, soms zelfs door andere gedichten heen. Die beweging past ook helemaal in zijn denken, hij schrijft in een van de gedichten dat elke verplaatsing voor hem occult is. In dit gedicht vindt een merkwaardig gesprek plaats tussen de dichter Maarten van der Graaff, de fabriek van Tata Steel in IJmuiden en kunstmatige intelligentie (AI). Het volgende fragment uit de bundel dat zinspeelt op dat eenregelige vers is in mijn ogen onmiskenbaar een uiting van mystiek ervaren:
door aan één lange regel te denken
die door alle individuele gedichten loopt
probeer ik een occulte wandeling te lopen
een wandeling die mij inhaalt
een wandeling die door mij heen loopt
De laatste regel roept zelfs het boeddhistische begrip ‘wederzijdse doordringing’ op, de geestestoestand waarin de grens tussen het denkende ik en de wereld om hem heen en de grens tussen de dingen in de wereld onderling begint op te lossen als het begin van verlichting. In het over de hele bundel uitdijende eenregelige gedicht is er sprake van ‘de diepe verstrengeling van nieuwe technologie en oude industrie met het menselijk leven’.
Het lijkt erop dat Van der Graaff het mystieke samenscholen nastreeft in dit gedicht, maar of dat lukt is de vraag. Eerder al bleek dat hij de tederheid wil uitbreiden tot buiten de grenzen van de eigen leefwereld, maar in zijn eigen werk constateert de dichter een gebrek aan tederheid. Is het echec ook in dit gedicht aanwezig? Vooral de inbreng van AI als gesprekspartner lijkt in toenemende mate een stoorzender te zijn op het occulte pad. AI maakt gebruik van gevonden of gestolen taal en ontbeert iedere vorm van authenticiteit. De dichter komt tot de conclusie dat AI niet eens in staat is om geloofwaardige imitaties te spuwen. Waarmee AI het meest door de mand valt is het gegeven dat de behoefte aan vragen meteen wordt bevredigd, ‘door een god die altijd antwoordt en altijd teleurstelt’. Kunstmatige intelligentie kent geen verborgenheid of rafelranden, het occulte is haar volkomen vreemd.
Toch concretiseert Van der Graaff in de laatste reeks van de bundel wel zijn ideeën over het samenscholen en die lijken me heel wat kansrijker te zijn dan een gesprek met Tata Steel en AI:
wil je samenscholen met wezens
dan proef je hun afwezigheid
denk je te weten wat je met hen leren wil
tast je het schamele van je leerstof af
wat iedereen te berde brengt
alleen al door hoe men binnen komt stommelen
maakt dat de zinsbouw meteen bedrukkend is
wil je samenscholen moet je op
de daadkracht van de onhandigheid wachten
Het schamele, het stommelen en de onhandigheid ondergraven de structuren van het systeem. En net als in het boeddhisme lijkt het begrip afwezigheid in dit citaat geen negatief begrip te zijn, het is er eerder de voedingsbodem voor het gewenste samenscholen:
ik krijg steeds sterker het idee aan een tafel te werken
waar anderen aan hebben gezeten
De dichter voelt zich verbonden met allen die op de stoelen hebben gezeten die om de tafel staan, de levenden en de doden, en hij vraagt ze hem aan te raken. Bijna als in een seance roept hij niet meer de demon van het middaguur aan, maar die van het ‘afwachtend zwemmen / onhandig laverend langs afzettingen en invoegstroken’. Deze reeks over het samenscholen is bedoeld om ‘alles nu nu mogelijk te maken / en in jullie middenriffen trillingen te worden’. Aan het einde van de bundel is de dichter bijna een occulte magiër:
op de plek waar de demon van het afwachtend zwemmen
ieder moment kan verschijnen is vooralsnog niets bijzonders aan de hand
ik vraag jullie om nu aan de rand van die plek te gaan staan
en de geheime naam van de demon geluidloos uit te spreken
Hier, aan het einde van de onmiskenbaar spirituele zoektocht die deze bundel is geworden, ben ik wat teleurgesteld. Het ging de dichter er toch niet om een verborgen demon te vinden, maar om een ander d-woord, dat van (de) dingen, aan de verborgenheid te onttrekken? Misschien heeft het met de verleiding van het occulte te maken dat hij hier een knieval maakt voor het hogere, het transcendente, nog wel gepersonifieerd in een bovennatuurlijk wezen, een demon. Hij lijkt zich hier aan de regels van zijn eigen huishoudboekje te onttrekken in zijn verlangen om de verborgen maar volkomen aardse dingen ervaarbaar te maken die ons van het slijm van de structuren op onze kussens moeten vrijwaren. Het zij hem vergeven, zijn zoektocht is prijzenswaardig als een noodzakelijke poging om onze maatschappelijke verhouding tot het systeem te corrigeren en ons psychisch welbevinden te vergroten.
Reacties
Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.