Creatief kromdenken

De teen van Heraclitus & het penseel van Teniers. Ondernemend denken over cultuur in Vlaanderen

Johan Swinnen

Afgezien van politiek dienstbetoon, is het een mysterie waarom uitgeverij Pelckmans het onsamenhangende en amper geredigeerde De teen van Heraclitus & het penseel van Teniers heeft uitgebracht. Dit boek gaat vooral over de persoon Johan Swinnen (1954), als hoofddocent hedendaagse kunstgeschiedenis verbonden aan de Vrije Universiteit Brussel, die de lezer ervan wil overtuigen dat hij een cultuurkenner en vriend van de kunstenaar is. Het vertrekt nergens vanuit een probleemstelling, een onderwerp dat onderzoek verdient, en biedt evenmin een reflectie die iets nieuws zou bijdragen. De enige noodzakelijkheid die te bespeuren valt, is de behoefte van de auteur om zijn politiek bochtenparcours van maoïst naar de sociaaldemocratische Sp.a en vervolgens N-VA te motiveren. Maar aangezien ook dat beperkt blijft tot een feitelijke vertelling, van de hak op de tak, zonder betoog, resteert alleen nog Swinnens eigen verantwoording: hij schreef het boek naar aanleiding van zijn zestigste verjaardag. Een terugblik op 45 jaar kunstonderwijs eigenlijk. We moeten er dan wel meteen bij vermelden dat zijn pedagogische advies excelleert in raadselachtige nietszeggendheid en schoolmeesterachtige betutteling, waarbij tautologieën en betwistbare stellingen elkaar in snel tempo afwisselen. Zo ‘wekte’ Swinnen ‘zijn studenten uit hun slaap’ en ‘waarschuwde’ hen dat ‘veel boeken […] die betrekking hebben op kunst of kunstenaars […] vol valse indrukken staan van echte kunstwerken’. (Welke boeken? Wat is hier vals en echt?) Of deze: ‘Als je lui bent, zal je kunst er ook zo uitzien. Als je hard werkt, zal je kunst ijver tonen’. En nog: ‘Om goed werk te verrichten moet de kunstenaar een voldragen en rechtschapen kunstenaar zijn.’

Als recensent sta je met dit boek voor een moeilijke opdracht. Niet alleen omdat het de zelfpromotie van een persoon als onderwerp heeft, maar vooral omdat je, zodra je daarop ingaat, meteen vatbaar bent voor de kritiek dat je een persoonlijke aanval uitvoert. De beste optie is het boek zelf te laten spreken, aan de hand van voorbeelden. Opmerkelijk is bijvoorbeeld dat vrijwel het enige substantiële gedeelte in dit boek een herneming is van een aantal interviews met HISK-laureaten uit het kunstmagazine H ART, stammend uit 2006 (!). Na een eigengereide interpretatie van deze gesprekken met de kunstenaars (David Claerbout, Koen van den Broek, Ives Maes, Peter De Cupere, Koen Broucke en Kris Vleeschouwer) volgt, in een tussentijds nawoord, prompt een verdediging van een geprivatiseerd cultuurbeleid, zogezegd in het belang van deze en andere kunstenaars: crowdfunding, taxshelter, fiscale aftrekbaarheid, verlaagd btw-tarief voor ‘cultuurproducten’, het passeert allemaal de revue. Hoewel uit de interviews blijkt dat deze kunstenaars veel te danken hebben aan publieke ondersteuning en gemeenschapsinstituten, ziet Swinnen er toch geen gelegenheid in om het belang van een publiek cultuurbeleid te verdedigen. Integendeel: ‘onderzoek zou uitwijzen’ dat subsidies zullen verdwijnen – dit behoeft volgens de auteur geen discussie noch strijd meer. Over welk onderzoek het gaat, is een raadsel. Het is gewoon een aanname van de auteur, die vervolgens ‘rebels’ oproept om mee enthousiast te zijn over zoiets als een ‘ondernemend denken over cultuur in Vlaanderen’, zonder dat evenwel uit te werken. Bij die oproep blijft het, want de arbitraire, versnipperde en vage gedachten spreken elkaar dusdanig tegen dat je er bezwaarlijk een aanzet tot een cultuurpolitieke visie in kan lezen. Het boek zelf, los van de extra’s, eindigt als volgt: ‘de conclusie is duidelijk, een te ontwikkelen visie moet gebaseerd zijn op flexibiliteit, op netwerken, sociaal weefsel en dynamisme.’ De nadruk ligt op ‘een te ontwikkelen visie’ die meedrijft op de stroom, de visie zelf is nergens te bespeuren.

Voorlopig gemeenschap

Nadat Swinnen in de eerste hoofdstukken uitvoerig ingaat op zijn Limburgse jeugd en zijn engagement bij de marxistische partij Amada, lezen we vanaf hoofdstuk 4 (met de onwaarschijnlijke titel ‘Nationalisme, en de internationale zal heersen op aard…’ ) plots een uitzonderlijk retorische verdedigingsrede voor het nationalisme. ‘Wat heeft dat arme nationalisme toch misdaan?’, zo steekt Swinnen van wal. Conform de partijlijn van de N-VA worden we hier verzocht nationalisme op te vatten als een zaak van ‘verbeelde gemeenschap’. Wij zijn allemaal Vlaming, vertelt Swinnen in navolging van partijideoloog Siegfried Bracke, gewoon omdat we samen naar VTM en VRT kijken en dezelfde Vlaamse kranten lezen. Simpel, toch? Dat nationalisme op oorlog kan uitdraaien, dat zou een onterecht verwijt zijn van ‘kosmopolitische strekkingen’, want de nationalistische oorlogen zijn volgens Swinnen steeds ‘bevrijdingsoorlogen’. De twee wereldoorlogen horen daar volgens hem niet bij, want die verdienen dan weer het etiket ‘imperialistisch’. Was het nationaalsocialisme dan geen ‘nationalisme’? Kan nationalisme dan geen ideale kruiwagen van de heersende klasse zijn om imperialistische oorlogen te voeren? Veelzeggend toch dat Swinnen deze vragen zelf niet stelt.

Swinnen stelt ook dat solidariteit alleen mogelijk is binnen een natie. Maar was het hoofdargument van het pragmatisch-flamingante kamp niet precies dat onafhankelijkheid noodzakelijk is om de geldtrafiek (lees: de solidariteit) richting Wallonië te stoppen? Dienen nationalistisch sentiment en ressentiment niet juist om de bestaande solidariteit af te bouwen? Het huidige kapitalisme heeft het natiebedrijf nodig om binnen de EU de concurrentie tussen de lidstaten op te drijven met het oog op de aantrekkelijkste verzorgingsstaat voor banken en bedrijven.

Swinnen voert de propaganda tot in het lachwekkende door: ‘dat er zoiets als de Vlaamse natie bestaat, ontkent niemand meer, ook niet haar tegenstanders.’ Bestaat die Vlaamse natie dan al? Is België al afgeschaft? Volgens Swinnen wel: ‘alleen nostalgici hebben het nog over een Belgische natie’. Tja, die Rode Duivels tijdens het WK op het moment dat dit boek verscheen; was het alleen uit nostalgie dat zowel Walen, Brusselaars als Vlamingen toen voor dezelfde ploeg supporterden? Uiteindelijk blijkt Swinnen te beseffen dat ‘het niet eenvoudig is het nationalisme, ondanks al deze goede argumenten [sic], op korte termijn te redden of acceptabel te maken’. Waarbij hij niet alleen onverbloemd de intentie van zijn schrijverij toegeeft, maar ook nog eens voorstelt om in afwachting van betere tijden voorlopig gewoon een andere terminologie te hanteren: spreek niet over natie, maar over Vlaamse ‘gemeenschap’. Dat is een constante in dit boek: kies die woorden en ideeën die het best in je kraam passen, plak ze aan elkaar, ook al botsen de betekenissen, het wekt de indruk van een onbevangen, constructieve geest.

Kunst voor Vlaanderen

En dan komt het: Swinnen drukt ons op het hart dat het cultuurbeleid volgens hem bij uitstek het domein van de natievorming is: ‘het doel is immers vorm te geven aan Vlaanderen. Kunst en cultuur, in hun meest uiteenlopende vormen en uitingen, zijn bij uitstek de instrumenten waarmee dit narratief vormt krijgt (naast massamedia en overheidsinstrumenten)’. Kan de instrumentalisering van kunst en cultuur voor een nationalistische Kulturkampf nog duidelijker benadrukt worden? Dat is nog niet alles. Want het Vlaanderen waarover Swinnen het heeft, is niet dat van die onderdrukte identiteit waar de Vlaamse Bewegers nu nog altijd over jammeren, maar voluit dat van het ‘ondernemende Vlaanderen’. Hij geeft dat ook onomwonden toe, want volgens zijn visie moet het cultuurbeleid vooral inzetten op ‘cultureel ondernemerschap’: ‘een breed offensief is nodig om de aandacht van de consument te winnen’, met wat hij als ‘marketingdoel’ omschrijft: ‘Flanders Unique Selling Point’ en ‘Flanders Corporate Identity’!

Een ex-maoïst die vandaag een barricadestrijder van het neoliberale flamingantisme is geworden, drukt het blijkbaar zo uit: ‘Laat duizend bloemen van kunst en cultuur bloeien met een inzet voor een cultuuromslag naar creatieve economie en cultureel ondernemerschap.’ Om die omslag te realiseren, wil Swinnen voor de cultuursubsidies zelfs een evaluerende ‘cultuurindex’ invoeren, waarbij economische criteria allesbepalend zijn. In een opeenstapeling van clichématig taalgebruik en belegen beeldspraak, een stijlfiguur die in dit boek voortdurend te onpas wordt gebruikt, zegt hij het zo: ‘Kortom: ik ga voor cultuur in hogere versnelling want cultuur moet uit de kast komen. Cultuur is een venster op een betere wereld daarom de ambitie: Vlaanderen kunst- en cultuurland.’ Alles moet natuurlijk draaien om de ‘internationale positionering’ van Vlaanderen, alle cultuurhuizen moeten worden beoordeeld op de mate waarin ze bijdragen aan ‘de aantrekkelijkheid van Vlaanderen’, ze moeten zich ‘verantwoordelijk voelen voor de toekomst van Vlaanderen, in al haar facetten’. Het kromme doel is dat ‘het intussen algemeen als bewezen beschouwd’ zou moeten zijn dat Vlaanderen belangrijk is voor de Vlaming, maar vooral ook voor de kapitaalkrachtige toerist, ‘zodat bedrijven en kansrijke groepen zich hier komen vestigen’.

Op het einde van het boek voegt Swinnen een hoofdstuk in met de allicht onbedoeld toepasselijke titel: ‘Exit: over de waarde van kunst’. Het gaat om een aandoenlijk stukje narcistisch proza in de vorm van een brief aan een vriend, waarin Swinnen de lezer bij wijze van afsluiter een ‘geniaal’ idee cadeau wil doen:

Na het gesprek met de confraters aan een lekkere tafel reed ik alleen naar huis. Het was de avond van een koude winterdag en ik reed op een landelijke weg die kronkelend de straatverlichting reflecteerde. Het is toen dat ik het idee kreeg dat wij ook de erfenis van de Franstalige Vlaamse auteurs zoals Emile Verhaeren, Maurice Maeterlinck, Georges Rodenbach, Guy Vaes… moeten claimen. Dat past in een open visie op cultuur, die ook lokaal kan worden geïmplementeerd. Zo wordt meteen de kritiek gesmoord dat zelfs een kritische vraag over hoe het verder moet met het cultuurbeleid in Vlaanderen betekent dat men zich ‘eng Vlaams’ opstelt.

Swinnen stelt de Vlaams-nationalisten dus voor dat ‘zij’ het oeuvre van deze auteurs botweg ‘claimen’. Niet om de waarde ervan, maar omdat het een retorisch voordeel biedt in partijpolitieke discussies, om zo ‘een open visie’ te kunnen veinzen. Maar is dit ‘claimen’ niet juist een prachtig maar pijnlijk voorbeeld van dat ‘eng Vlaamse’? Is het niet net deze bekrompenheid, deze altijd terugkerende recuperatie, die zoveel auteurs, kunstenaars en cultuurliefhebbers in Vlaanderen op een afstand willen houden?

Johan Swinnen toont zich in dit boek vooral een ‘realist’ die een grote vatbaarheid voor het aanbod aan opportuniteiten paart aan een hoogontwikkeld talent om daar telkens een creatieve semantische draai aan te geven. Het ‘onmogelijke’ als horizon van de verbeelding doet daarbij dienst als pretext om revoltant gedrag als iets revolterends voor te stellen. Iets nieuws en gedurfds, zijn tijd ver vooruit. Vol gretigheid en vertrouwen. Heel frappant is dat een Vlaams-nationalistisch pamflet als dit kan eindigen met de woorden: ‘Ik sluit graag af als soixante-huitard met waar het voor mij in 1968 mee begon: “soyons réalistes, demandons l’impossible”’. Van mei ’68 naar ‘voor mij in ’68’ – wat 45 jaar Vlaams kunstonderwijs toch allemaal kan voortbrengen.

Pelckmans, Kalmthout, 2014
ISBN 9789028974364
128p.

Geplaatst op 28/08/2014

Deel:

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.