De messen gewet

De bloedplek

Paul Demets

Paul Demets is vooral bekend als poëzierecensent voor onder andere De Morgen en Cobra. Verder schrijft hij aan een uitgebreide biografie van Paul Snoek en is hij zelf actief als dichter. Demets debuteerde in 1999 en publiceerde de bundels De papegaaienziekte en Vrees voor het bloemstuk. Nu verschijnt De bloedplek: een bundel die des te interessanter is in de wetenschap dat Demets zijn ideeën over poëzie bijna wekelijks in diverse media publiceert.

Demets is een bijzondere recensent, in die zin dat de stukken die van zijn hand verschijnen in eerste instantie vaak kritiekloos lijken. Demets vindt het blijkbaar onnodig zijn ongenoegen over bepaalde dichters of bundels te uiten, maar schrijft daarentegen voornamelijk korte stukjes die overwegend lovend of neutraal van aard zijn over hetgeen hem wel boeit.

Dat is op twee vlakken een verdienste. Ten eerste weet Paul Demets de zeer schaarse ruimte die er in de media voor poëzierecensies aanwezig is te gebruiken om duidelijk te maken welke bundels volgens hem interessant zijn. Op subtiele wijze formuleert hij op die manier toch een poëticale visie. Ten tweede valt het telkens weer op hoe Demets er in slaagt in deze korte stukjes de essentie van een bundel te raken, de heel eigen stem van de dichter voor een groot publiek te doen klinken.

We kunnen ons afvragen of we in deze tijd, waarin poëzie een marginaal genre begint te worden, nood hebben aan recensenten die vanuit een rigoureuze poëtica op andere dichters inhakken. We kunnen ons afvragen of het het grote publiek waarvoor Demets tenslotte schrijft niet eerder nood heeft aan een recensent die hen enthousiasmeert voor een bundel of, bij uitbreiding, de poëzie in zijn geheel. We kunnen ons afvragen of de kritische recensie zijn plaats niet moet vinden op een ander, gespecialiseerder platform.

Recensies over de recensent

Als de recensent gaat dichten, dan worden de messen echter gewet. Nog voor De bloedplek verscheen, stond als bij verrassing een stuk over deze bundel op De Contrabas. Koenraad Goudeseune vond hier de close reading van één gedicht, ‘Lavoir’, weliswaar Demets’ lievelingsgedicht uit de bundel, voldoende om meteen zijn hele dichterschap met de grond gelijk te maken. Er is geen deontologie voor recensenten geschreven, maar als iemand daar ooit werk van maakt, dan draag ik met veel liefde de eerste regel aan: gij zult niet ongehinderd door enige kennis van zaken recensies schrijven. Een dichter steekt altijd veel meer tijd in zijn bundel dan de recensent in zijn vernietigende recensie. Die dichter verdient daarom mijns inziens op zijn minst een aandachtige lectuur.

Goed, als de recensent gaat dichten, worden er plots ook grote schrijvers uit de kast gehaald om zijn plaats in te nemen. ‘Een bundel die staat als een huis’ zo schrijft Erwin Mortier op de plaats waar Demets anders zelf zou recenseren. Regel 2: een recensie is geen reclametekst. Als we Paul Demets lezen met de toewijding en het respect waarmee hij ons leest, dan verdient de poëzie van Demets op zijn beurt een genuanceerde, aandachtige recensie.

Een bestudeerde bundel

De bloedplek komt in eerste instantie over als een erg bestudeerde bundel. Demets geeft zelf aan dat deze bundel handelt over de plaats die de mens inneemt in de wereld. Twee grote vragen staan daarbij centraal. In de eerste plaats is er de kwestie in hoeverre men zich door zijn persoonlijke omgeving laat bepalen. Daarnaast speelt de vraag in hoeverre die persoonlijke ruimte wordt beïnvloed door de moderne wereld waarin wij allen leven. Welke plaats heeft de plek, kortom, en andersom. Die thema’s werkt Demets uit in vier delen, ‘Perimeter‘, ‘Lounge’, ‘De broedplaats’ en ‘Horst’.

In ‘Perimeter’ beschrijft Demets een mannelijk personage en de verhouding die dat personage inneemt tegenover zichzelf en de wereld. Demets tast hier de grenzen af tussen het ik en de omgeving. In deel 2, ‘Lounge’, hebben de gedichten titels. Deze titels verwijzen naar objecten in de persoonlijke leefwereld en hebben vaak na lezing van het gedicht een dubbelzinnige betekenis. Een tikkeltje kort door de bocht geformuleerd, wordt in dit deel de materiële omgeving en het effect van die omgeving op het subject geschetst. In het deel ‘De broedplaats’, ook bestaande uit getitelde gedichten, doet de geliefde haar intrede. In ‘Horst‘, het laatste deel, met wederom titelloze gedichten, ligt de nadruk op de (erotische) relatie, gestoffeerd met een overvloed aan organische natuurbeelden.

De indeling van de bundel is overzichtelijk. Demets heeft een plan uitgezet waarin hij zijn gedichten past, met als resultaat een goed gecomponeerde bundel. Er is een duidelijke, zinvolle, erg logische structurering. Bij elke afdeling staat een intelligent motto, elke titel en elk vers is zorgvuldig afgewogen. Niets tegen een gecomponeerde bundel uiteraard, maar in De bloedplek lijkt het soms alsof Demets te slim heeft willen zijn.

Bij de eerste lezing moest ik denken aan een soort glazen stolp, waaronder allerlei moois verborgen zit. Moois dat zich toont, maar toch niet raakt. Teveel moois ook. Of te mooi, zodat het soms bijna kitsch wordt. Ik zag de woorden als op een zilveren schaaltje, maar de bundel in zijn geheel kwam als te gewild modieus op mij over, met titels als ‘Lounge’, ‘Fitness’ of ‘Wellness’. Demets gebruikt vaak ‘slimme’ verwijzingen, zoals het woord sparagmos dat dan uit de tragedie blijkt te komen, of woorden met een niet nederlandstalige oorsprong. Hij heeft het bijvoorbeeld over ‘polyglot gekras’, ‘warmte’ die ‘vacant wordt’ of ‘als voor een fall-out verpakt’. Ook zijn er erg gewild poëtische formuleringen te lezen, zoals ‘ ingekuild wacht de kamer’ of ‘vruchttbegin’ dat zwelt. Om de titels van de hoofdstukken in zijn bundel te begrijpen, is bovendien een uitstap naar het woordenboek (of wikipedia) noodzakelijk.

Ook lijden de gedichten vaak aan een overladenheid van beelden, die vervolgens in hun overladenheid vrijwel betekenisloos werden. Sommige beelden, zoals ‘ze zadelt haar paardenstaart’ of ‘wat hij draagt, grijpt ons bij de kraag’ zijn ronduit ongelukkig en gekunsteld. Of wat te denken van: ‘het toetsenbord transpireert’, of: ‘kriepende dactylen’ die ‘in schilfers’ liggen.

Misschien is het de val van de recensent dat hij na verloop van tijd de mechanismes te zeer gaat beheersen, zodat hij terecht komt in een te gewild poëtische taal. Demets schrijft ergens bijvoorbeeld ‘Ze is weg. Ze is er weer’ en verwijst daarmee naar Freud. Dit vers heeft echter die uitleg nodig om het zijn waarde te geven. Zo zitten de meeste gedichten vol intertekstuele constructies die voor een groot gedeelte gewoon verdampen. Als Demets ‘om te beginnen ben je’ schrijft, is de lezer op zijn hoede omdat hij zich moet afvragen wat de dubbele boodschap is, maar die draagt niet echt bij tot het gedicht. Ook is elke titel een boodschap. Zo staat er ‘Repro’ en is er na lezing van het gedicht onvrede als niet direct duidelijk wordt welke tweede betekenis dit schept. Of is de betekenis flauw, zoals bij ‘Doka’, een gedicht over een vakantiekiekje.

Demets’ poëtische taal voelt dus vaak erg gezocht aan. Bovendien is er in Demets’ poëzie veel impasse. Trage, weldoordachte formuleringen cirkelen rondom scènes waarin weinig of niets gebeurt. ‘Zeg mij bij het ravijn van je hand / op de rand van de tafel kruimelend / hoe je me ziet. En leg je vingers opzij, / het lijnen uit tot de kat iets vermoedt.‘ Kortom, alle beproefde strategieën worden bovengehaald om er een indrukwekkende, mooie bundel van te maken. Een bundel waar niets op af te dingen valt, een bundel ‘die staat als een huis’.

Soms echter kan iets zo gaaf zijn dat het niets meer doet. Dat het zijn plaats krijgt in de boekenkast, maar niet in de gedachten. Of soms neigen bestudeerde beelden naar kunstmatigheid. ‘ De dag vloeit uit de arm / die ik til tot hij mijn schouders te binnen / valt, mijn lijf de benen neemt, op een stoel / de huid loslaat, mij de mond voorbijpraat.’ Soms kunnen de strategieën wel volstaan om er een goede bundel van te maken, maar ontbreekt het risico om net die stap te zetten die de bundel van de middelmaat onderscheidt.

De herlezing

Vaak laat een bundel zich echter niet bij eerste lezing vatten. Dat is ook zo bij De bloedplek. Dus moet men herlezen, en merken dat men bij herlezing toch aan bepaalde verzen blijft hangen. ‘Zwemmen kan het uit zichzelf, zegt men / maar zwemmen doet het niet’. De laatste afdeling, ‘Horst’, bijvoorbeeld, bevat meer van zulke verzen, die je toch bij de kraag grijpen. Na herlezing werd mij duidelijk dat ik hier en daar iets gemist had, dat ik te hard was in mijn eerste oordeel.

Het rooft ons, verdooft ons, ligt plat
op zijn buik ons als onraad te ruiken
en schrikt van zijn schaduw, likt zijn gif
en vervelt gevangen in zijn linnen, nestelt

zich in onze blik en ruikt naar appels, ratelt
klanken en krijst een kuil in de nacht
bijeen, (…)

Ik merkte dat Demets in deze meer organische cyclus beelden bij elkaar zet die een soort magie oproepen, dat er aan het eind van de bundel, waar de dichter zijn rigide plan begint te verlaten, toch hier en daar iets sprankelt. En al blijf ik erbij dat Demets het risico teveel schuwt in zijn gedichten, ik begon de bundel te smaken.

Je adem slaat tegen de ramen. Wit wief
dat beweegt in je terp. Beweeg je dan blootsvoets

Door de kamer. Maak je los uit de lijst
van stoel en tafel. En been jouw huid
achterna, (…)

Gaandeweg merkte ik dat het niet alleen mogelijk is deze bundel aan de hand van één gedicht tot de grond af te breken, maar dat er in deze bundel ook gedichten staan die een bijzonder flatterend beeld van Demets’ poëzie kunnen geven.

Boven het warme water glijden druppels,
niet weg te wassen. Het verzinkt met jou
in bad, alsof het jaren onder water heeft
gewacht. Dan richt het zich op. Iemand


zingt zich het heden in. Er groeit wier
over je schouders; je hals kleedt
zich om tot schacht van klanken
uit een ver theater. Het steelt jouw stem,


sneeuwblind word je door het licht
dat jouw ogen likt. Het maakt iets smerigs
van je huid. Het schikt zich naar jouw
plooien. Naar mispels smaken je lippen.

Daar vaart het op rimpeling, op naar adem
happen, met zoutsmaak in de mond
verzinkend en zoekt het zich een weg langs
je benen omhoog. Het havent jou.

Als het aanmeert, lig je droog.

En het is waar, soms wordt er teveel uitgelegd (‘Het verzinkt met jou / in bad’) of staan er beelden die uit een ander register komen dan de rest van het gedicht (‘een ver theater’). Soms is Demets omslachtiger dan nodig is (‘Het maakt iets smerigs / van je huid’). Maar er is dat objectiverende het als vertelinstantie, dat slotbeeld van het dubbel geïnterpreteerde havent en het aanmeren en de vele onderwaterbeelden tussenin. Dit alles luchtte mij op. Ik was blij dat ik de bundel niet meteen had weggelegd. Dat ik hem niet had geklasseerd, maar dat ik Demets had herlezen, met zorg en zin voor nuance. Ik weet dat hij dat zelf ook zou doen.

Links

De Bezige Bij, Amsterdam, 2011
ISBN 9789023465294
64p.

Geplaatst op 09/11/2011

Reacties

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.