Het grote niets

De stilte van het licht. Schoonheid en onbehagen in de kunst

Joost Zwagerman

Zou niet tegelijkertijd met het verschijnen van De stilte van het licht de auteur van deze verzameling beschouwingen over beeldende kunst zelf zijn verdwenen, dan was ik de bespreking van dat boek begonnen met erop te wijzen welke opmerkelijke wending Joost Zwagerman had gemaakt sinds hij als dichter met leeftijdsgenoten en geestverwanten als ‘Maximaal’ het Nederlandse poëziewereldje binnenkwam en dat wilde veroveren. Zwagerman tekende eind 1987 in de Volkskrant protest aan tegen de, in zijn ogen, dominantie van een soort poëzie ‘waarin het “wit”, de “leegte” en “verdwijning” de scepter’ zwaaiden, een dichtkunst die ‘gebukt’ ging ‘onder het juk van het grote Niets’. Ik zou erop hebben gewezen dat Zwagerman zijn essays in de bundel met die met ‘het grote Niets’ flirtende titel, vooraf laat gaan door ‘ik ontvang meer / ik word leger’, een citaat van Gerrit Kouwenaar, wiens bundel totaal witte kamer (2002) verderop nog een rol van betekenis vervult. Ik zou erop hebben gewezen dat de eerste afdeling van deze essayverzameling ‘Stilte’ heet en de vierde en laatste ‘Verdwijnen’, met als slothoofdstuk ‘Het eindeloze wit’. En dat die wending er dus een van honderdtachtig graden lijkt te zijn geweest.

Dat doe ik hierbij dus alsnog, maar nu zonder verder stil te willen blijven staan bij dat onder de noemer Maximalen opgeklopte gehink in een destijds al sleets geworden avantgardistische traditie. Ik ben blij dat Zwagerman zich daarvan heeft afgekeerd. En toch voel ik me er ook op milde wijze gegijzeld, beklemd en melancholisch door. Dat heeft alles te maken met de wetenschap dat de schrijver van De stilte van het licht zich precies bij het verschijnen van het boek het leven heeft benomen. En dat ik daar als lezer niet meer omheen kan, dat ik dit boek dus niet anders kan lezen dan als van iemand die er zelf in of achter is verdwenen.

In het stuk over Jeff Koons – wel de minst in zichzelf gekeerde en de meest marktgerichte kunstenaar die in zijn boek figureert – heeft Zwagerman het over de ‘licht wanhopig’ makende ‘patstelling’ waar Koons hem in plaatst: ‘zelfs al je er je schouders over ophaalt en je je van zijn werk afwendt omdat je er eenvoudig niets mee te maken wilt hebben, maak je tegen wil en dank deel uit van die wereld van feilloos geënsceneerde hersendode uitzinnigheid.’ Het enige wat je met Zwagermans boek zou kunnen doen wanneer je met zijn zelfmoord niets te maken wilt hebben, is het ongelezen laten, maar zelfs dan ben je al te laat.

Ook de lezer of niet-lezer van Zwagermans kunstessays ervaart een patstelling. Zwagerman heeft zichzelf geen ‘erna’ meer toegestaan. De stilte van het licht eindigt letterlijk met de woorden ‘ontbrekende punt’, maar zonder dat leesteken zelf: nadat zijn punt gemaakt was, moest die blijkbaar buiten het boek daad-werkelijk worden gezet. Het boek werd daarmee opmaat voor die ultieme daad. En het heeft er erg veel van weg dat het ook zo bedoeld, dat wil zeggen, gecomponeerd is. Maar eerst even, alsof alleen maar mijn neus bloedt, iets algemeens over Zwagermans manier van schrijven over beeldende kunst.

Wie het drama dat zich in dit boek volgens mij willens en wetens én wellicht ook tegen wil en dank ontwikkelt, niet wenst te volgen of bang is er mismoedig van te worden of er anderszins geïnfecteerd door te raken, kan het beste in willekeurige volgorde dagelijks een of twee essays eruit lezen en daarmee de structuur van het geheel vooralsnog terzijde schuiven. Dan komt er een gedreven, energieke kunstbeschouwer aan het woord, erudiet, open, onbevangen, iemand die heel goed kan schrijven, eloquent, bij wijze van spreken licht in de heupen. Iemand die je laat meekijken, zichzelf en jou op zaken wijst en ook echt het een en ander toont. Aangename, rijke lectuur. Geen enkele tekst die verveelt. Niets geen dorre of vage praat, zoals die maar al te vaak door gebrevetteerde kunstgeleerden wordt afgeleverd. In zijn essay over Jeff Wall schiet Zwagerman even uit zijn slof over ‘kunstscribenten in hun geharnaste vakjargon’, met hun ‘orakeltaal’. Een paar jaar geleden heb ik de diverse teksten over het werk van Giorgio Morandi in een kloek boek bij de Morandi-tentoonstelling in het Brusselse BOZAR eens bekeken en met elkaar vergeleken: Zwagerman was dé verademing. Ter zake en helder, tot het einde toe, bijna.

En Zwagerman kan met evenveel elan schrijven over een schilder uit de barok, een performancekunstenaar, een fijnschilder, een fotograaf, een abstract expressionist als over een suprematist of popart-artiest. Hij gebruikt kunstenaars nooit om ze tegen elkaar uit te spelen en via hen te polemiseren; iedereen die hij bespreekt wordt met respect bejegend. Iets wat ongetwijfeld ook te maken zal hebben met het feit dat hijzelf hun vak niet beoefent en dus geen jalousie de métier hoeft te hebben. Daarbij wekt hij bijna altijd de indruk de werken die hij bespreekt, zoals het hoort live te hebben gezien in plaats van te volstaan met reproducties. Hij beseft dat reproducties, hoe goed ook van kwaliteit, altijd misleidend blijven. In zijn stuk over Edward Hopper doet hij er verslag van hoe zijn eerdere indruk van een bepaald schilderij ‘redelijk misplaatst’ bleek toen hij uiteindelijk voor ‘het feitelijke kunstwerk’ stond. Ik heb hem slechts één keer kunnen betrappen op een misser die je oog in oog met het werk beslist niet kunt maken: Jean-Paul Marat stierf dertig jaar te vroeg voor de kroontjespen die Zwagerman hem op het bekende schilderij van Jacques-Louis David in plaats van een ganzenveer in de hand ziet houden. En zo draaft hij ook maar een enkele keer blind door uit behoefte aan een symbolische duiding: over een klok op een zelfportret van Léon Spilliaert. ‘Wie plaatst er nou een glazen stolp om een klok?’ vraagt hij zich bijna verbijsterd af: ‘Het moet een vingerwijzing zijn.’ Vingerwijzing of niet, stolpklokken waren in Spilliaerts tijd vrij normaal en zijn zelfs gewoon nog steeds in de handel.

Had ik het bij deze lovende kwalificaties kunnen laten, mogelijk aangevuld met wat voorbeelden uit dit of dat essay, wanneer Zwagerman (1963-2015) nog in leven zou zijn geweest? Het is moeilijk te zeggen, maar ik geloof van niet. Daarvoor spitst dit boek, waarin hij zijn essays heeft losgemaakt uit hun ontstaanschronologie en ze opnieuw heeft geschikt, zich te veel toe op het wit, op het minimale en het verdwijnen in of tot het Niets, zowel van het kunstwerk als van zijn kunstenaar, als een eindeloos weidse, maar onherroepelijk doodlopende steeg, om het paradoxaal uit te drukken. Waarschijnlijk had ik mijn bespreking afgesloten met de als verzuchting uitgesproken hoop op nu maar weer eens wat meer oog voor het maximale, voor de straat of voor zulke ongeneeslijke kijkwereldrijkdomverslaafden als David – ‘There is a fabulous lot to look at’ – Hockney. Maar mijn vraag is een foutieve. Hoewel alle vragen hier vrij zinloos zijn, dient ze te worden vervangen door: zou Joost Zwagerman nog in leven hebben kunnen zijn na dit boek? Laat zijn er-niet-meer-zijn er ook maar het antwoord op geven.

Tien jaar geleden bundelde Zwagerman onder de titel Door eigen hand beschouwingen en gesprekken over ‘zelfmoord en de nabestaanden’. Veelbetekenend. Maar het is wellicht meer verhelderend om andere ervaringsdeskundigen te raadplegen, zoals de Oostenrijkse schrijver Jean Améry (1912-1978, suïcide) en de Zwitserse auteur Hermann Burger (1942-1989, suïcide). Améry publiceerde twee jaar voor zijn dood Hand an sich legen. Diskurs über den Freitod (1976). Améry gaat uit van het alleen-zijn van de mens. ‘Ik ben alleen,’ zegt hij, ‘ook zonder “socially isolated” te zijn. De eenzaamheid is niet, is in elk geval niet principieel en overal verlatenheid.’ We herinneren ons Zwagermans zichtbaarheid, zijn televisiegenieke, enthousiaste optredens bij populaire programma’s als DWDD, we weten dat hij veel mensen kende, in brede sociale kringen verkeerde. Maar, zegt Améry ook, ‘wat vaudeville is en wat tragedie beslist de auteur.’ Ik wil voorkomen in de val van de (koude grond-)psychologie te trappen (‘Ik geloof serieus dat het discours over de vrijwillige dood pas daar begint waar de psychologie ophoudt.’ – Améry), maar kijken naar kunst heeft Zwagerman altijd volkomen alleen gedaan. In geen van de 45 essays wordt ook maar gerept van het met iemand samen iets bekijken. Meteen in het eerste essay, over zijn bezoek aan de zaal met werk van Francisco de Zurbarán in het Museo de Bellas Artes van Sevilla, schrijft hij dat hij er helemaal alleen is: ‘Misschien heerste onder de museumbezoekers in Sevilla de onuitgesproken afspraak dat het geen pas geeft om met meer dan één tegelijk dit werk onder ogen te komen. Dat kan.’ Gefascineerd is hij dan ook door een performance van Marina Abramović – hij komt daar meerdere keren op terug –, waarbij ze zo’n drie maanden lang in het MOMA te New York zat, dag in dag uit, ‘louter stil op een stoel, achter een grote, lange tafel’, als een aanwezige afwezige, terwijl je tegenover haar mocht plaatsnemen – wat hijzelf toen niet durfde – om eveneens zo’n aanwezige afwezige te kunnen worden, om een ‘sensatie van verdwijning’ te ervaren zoals dat, lees ik bij Zwagerman, met de protagoniste in de roman De consequenties (2014) van Niña Weijers gebeurt. (Heeft zo’n performance dan niet iets volstrekt liefdeloos?) ‘Zelfafschaffing,’ zou Améry het hebben genoemd. Levende verdwenene zijn. Zwagermans De stilte van het licht is doortrokken van het toenemende verlangen ernaar. ‘Zijn verlangen,’ zegt Herman Burger in zijn Tractatus logico-suicidalis. Über die Selbsttötung (1988) over de suïcidant, ‘is het om op te lossen, in het niets te verdwijnen’, alleen het feit ‘dat hij voor zijn doel nog actief moet doden, weerhoudt menigeen […] van de daad.’ En elders merkt hij dit op: ‘Levenskunst, dat zou het vermogen zijn om geen enkel moment je waarnemer te zijn.’

Als je er eenmaal oog voor hebt, valt het thema van het verlangen naar zelfvergetelheid bij Zwagerman voortdurend op. Kijken naar kunst, althans naar de kunst waar hij graag naar blijkt te kijken, betekent voor hem momenten van verdwijning meemaken. Opgaan in. Dat blijkt natuurlijk altijd pas achteraf een ervaring te zijn, zo gauw je weer jezelf begint waar te nemen. Zwagerman haalt ergens Johannes van het Kruis (1542-1591) aan: ‘Zo bleef ik en vergat mijzelf, […], de wereld verdween.’ Maar zelfs deze Spaanse mysticus, die het geloof van bovenaf leek te kunnen overschouwen, kon voor het constateren van zijn ervaring niet buiten de ver(g)leden tijd. Op het einde van zijn beschouwing over het werk van Morandi zegt Zwagerman: ‘Iedere verschijning is een incident.’ En meteen daarna: ‘Iedere verdwijning is telkens weer definitief, telkens weer voor eeuwig.’ Wat hij zoekt in de beeldende kunst, in het kijken naar een kunstwerk, is de mogelijkheid om dat verschijnen en verdwijnen te laten samenvallen, en dit liefst zo lang mogelijk. Bijgevolg wordt hij meer en meer aangezogen door kunst die zelf de onthechting al tot thema heeft gemaakt, ja, die niet eens meer die onthechting wil representeren, maar ze zelf wil zijn, in de hoop daar langer bij te kunnen ‘ontkomen aan jezelf’. Niet voor niets figureert Mark Rothko (1903-1970, suïcide) op maar liefst veertig bladzijden met naam en werk in het boek, terwijl verder niemand tot zelfs maar de helft van dat aantal komt. En de allerlaatste beschouwing in De stilte van het licht gaat over de schilder herman de vries (zonder kapitalen) en diens ‘laatste, beslissende stap’ die ertoe leidt dat het schilderij zelf overbodig wordt. ‘Wat we ook denken en zeggen,’ zo besluit Zwagerman, ‘– we zijn uitgepraat. Want wat valt er nog te zeggen als bij de vries het ultieme kunstwerk géén kunstwerk is? Als het witte en niet-bestaande kunstwerk alles kan en mag zijn, betekent het niets. Alles is niets.’

Ik voel verontwaardiging en zelfs kwaadheid in me opkomen, niet tegenover Zwagerman die met open ogen en gericht uit het leven is gestapt, maar tegenover de schijn, het zelfbedrog van al dat van de concrete wereld, van het alledaagse leven, van het straatrumoer afgewende, zich subliem wanende of naar het sublieme strevende abstracte en conceptuele. Geef mij maar het trompe l’oeil in plaats van het trompe l’esprit! Liever waanvoorstellingen als kunst dan waanideeën. Ik voel weerzin tegen fundamentalistische en absolute zwarte en witte vierkanten, conceptkunsten, installaties en performances, weerstand tegen dat kijkplezier dovende geloof in het alles verlichtende heil van het grote Niets.

Ik zeg dat zonder de minste schamperheid, want met alle respect voor Zwagerman, wie ben ik immers om over zijn laatste besluit te oordelen? Alleen al uit de compositie van zijn essayboek wordt duidelijk waar hij naartoe en van weg wilde: van STILTE naar VERDWIJNEN, met als noodzakelijke twee tussenafdelingen SCHOONHEID en ONBEHAGEN. Wie weet had hij ook een einde aan zijn leven gemaakt zonder in aanraking te zijn gekomen met Rothko, Abramović en de schilders van het wit. Zoals de vrijwillige euthanasie bij een vriend en de vaststelling van de ziekte van Bechterew misschien duwtjes in de rug zijn geweest bij iemand die zichzelf al aan de rand van de afgrond had geposteerd. Niemand kan het weten. Zoals het ook slechts speculatie van mij is wanneer ik denk dat het best zou kunnen dat de Zwagerman van de jaren tachtig de ‘maximaal behoedzame’, de naar stilte en verdwijning verlangende die hij ook toen al moet zijn geweest, al dan niet onbewust en ook voor zichzelf, vermomde als een Maximale vitalist. ‘De exhibitionist van de vitaliteit zal de zelfmoordenaar niet begrijpen, maar de suïcidant wel de exhibitionist van de vitaliteit, dat is de grap,’ aldus Burger. In elk geval kan ik uit een van de essays opmaken dat Zwagerman ‘begin twintig’ al ‘perplexiteit’ ervoer bij zijn kennismaking met het werk van Mira Schendel, dat allesbehalve maximalistisch genoemd kan worden.

Hoe dan ook hebben Zwagermans essays, hoe goed ze op zich ook mogen zijn, me uiteindelijk niet zijn bewondering en waardering voor alle door hem besproken kunst doen delen, me met hem mee doen gaan. Integendeel. Ze hebben me veeleer, tegen de bedoeling in, gesterkt in mijn overtuiging dat niet alle kunst de kunst zelf en (daarmee) het leven goed doet. ‘Men maakt iets uit protest tegen het feit dat men er is,’ stelt Zwagerman in zijn voorwoord. Persoonlijk zou ik daar deze variant tegenover willen stellen: ‘Men maakt iets uit protest tegen het feit dat men er niet meer zal zijn.’ Per saldo zal het hoogstwaarschijnlijk op hetzelfde neerkomen, maar qua beleving lijkt het me toch net iets anders.

Met nihilisme hebben Zwagermans boek en zijn ultieme daad intussen niets van doen. Ervan afgezien dat de ware nihilist volgens mij onder fysiek nog draaglijke omstandigheden geen einde aan zijn leven zal maken en de gedachte aan de mogelijkheid van zelfmoord juist zal gebruiken om er nieuw levenselan uit te putten: Zwagerman geloofde, denk ik, wel degelijk in het grote Niets dat tegelijk Iets is, in elk geval hoopte hij op het bestaan ervan.

In het slotdeel van De stilte van het licht komt God in toenemende mate aan bod. In de twee laatste alinea’s van het slotessay signaleer ik God zelfs vier keer. En Hij is eveneens aanwezig in de slotalinea van het nawoord, waar Hij, ‘verrezen in onze verbeelding’, centraal staat in ‘het Absolute, transparante boek’, waar Hij ‘ons leest en aan een bestaan helpt.’ Waar zijn de helderheid en de concrete kijklust gebleven? Mag ik in hemelsnaam weigeren dit te willen begrijpen, deze laatste uitvlucht of – wat is het? – verantwoording vooraf? Intussen bloedt mijn hart.

Links

De Arbeiderspers, Amsterdam, 2015
ISBN 9789029589888
376p.

Geplaatst op 21/09/2015

Naar boven

Reacties

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.