Essaybundel, Recensies

Verhalen als houvast

De verhalen die we onszelf vertellen

Essays over Californië, New York en de vloek van de sixties

Joan Didion

Samen met onder anderen haar generatiegenoten Don DeLillo (1936) en Cormac McCarthy (1933) behoort Joan Didion (1934) tot de beste en geliefdste levende schrijvers van Amerika. Ze is de auteur van unieke essays, de buitengewone roman Plays It As It Lays (1970) en wonderschone autobiografieën The Year of Magical Thinking (2005) en Blue Nights (2011). Het heeft even geduurd, maar nu is er eindelijk, in de vertaling van Koos Mebius, een gedegen selectie van Didions essays in het Nederlands verschenen onder de titel De verhalen die we onszelf vertellen.

De status van Didion wordt misschien wel het best gevat door de Amerikaanse schrijver Katie Roiphe : ‘I don’t think that I have ever walked into the home of a female writer, aspiring writer, newspaper reporter, or woman’s magazine editor and not found, somewhere on the shelves, a row of Joan Didion books.’ (In Praise of Messy Lives (2012)) Didion is niet alleen geliefd, ze is ook een voorbeeld voor velen.

Welke boeken zou Roiphe het vaakst hebben aangetroffen op die planken? Sowieso de essaybundels Slouching Towards Bethlehem (1968) en The White Album (1979). Dat zijn de boeken waarmee Didion bewondering oogstte; de meeste essays in De verhalen die we onszelf vertellen komen dan ook uit die twee klassieke bundels. De andere essays komen uit After Henry (1992), Political Fictions (2001) en Where I Was From (2003).

 

Ik als stijl

Hoewel Didion in haar essays vaak in de eerste persoon schrijft, weten we vrij weinig over de persoon Didion. David Foster Wallace zei eens dat de ik uit zijn essays een persona was. Volgens Joost de Vries, die De verhalen die we onszelf vertellen samenstelde en inleidde, is de ik in Didions essays ‘een leeg silhouet; haar Ik is niet eens een persona.’ Het lijkt alsof Didion heel persoonlijk is, schrijft Roiphe, omdat ze gebruik maakt van haar ‘mental fragility’. Didion schroomt niet te schrijven over haar depressies, huilbuien en haar huwelijksproblemen. Het autobiografische is bij Didion geen onthulling, maar een springplank. In het essay ‘Op de eilanden’ bekent ze:

We zijn hier op dit eiland midden in de Pacific om te voorkomen dat we gaan scheiden. Ik vertel u dit niet bij wijze van nietszeggende onthulling, maar omdat ik wil dat u, terwijl u dit leest, een heel precies beeld krijgt van wie ik ben, van waar ik ben en van wat er in mij omgaat.

Waarom Didion en haar man op het punt staan om te scheiden, komen we niet te weten. Wel krijgen we een goed beeld van ‘waar’ Didion is en wat er in haar omgaat. Haar gevoelens komen indirect tot uitdrukking in de stijl en het onderwerp van het essay. Ze voelt zich misplaatst en vervreemd, schrijft Didion, en dat is waar ‘Op de eilanden’ uiteindelijk over gaat.

In zijn inleiding schrijft Joost de Vries: ‘Didion heeft een ingebouwde pluralis majestatis, haar Ik is altijd een Wij.’ Is dat wel zo? Is haar ik niet veeleer een stilistisch kenmerk? Zowel De Vries als Roiphe betoogt dat haar huilbui in een wasserette in New York nauwelijks betrekking heeft op de persoon Didion en vooral moet uitdrukken wat het betekent om jong te zijn in New York. Maar zelfs als een persoonlijke beschrijving een algemene betekenis heeft, dan nog wordt haar ik nooit meervoudig. We kijken met haar mee via een perspectief dat van haar is én blijft. Haar ik is een stijl, persoonlijk en subjectief en de ik blijft singulier omdat, wat het onderwerp ook is, het essay een uitdrukking is van haar gevoel, want ‘whatever I do write,’ schrijft Didion in het voorwoord van Slouching Towards Bethlehem, ‘reflects, sometimes gratuitously, how I feel.’

De toon van een Didionessay is dus vooral de uitdrukking van haar gevoel. Soms gaat de toon van het origineel wat verloren in de Nederlandse vertaling. Dat is deels onvermijdelijk, in een vertaling gaat altijd iets verloren, maar in een aantal gevallen is de oorzaak van het verlies een vertaalkeuze. Zo kiest Mebius een keer voor een grammaticale variatie, terwijl de herhaling van de zinstructuur juist zorgt voor een bepaalde geladenheid. ‘The tension broke that day. The paranoia was fulfilled’, schrijft Didion aan het einde van ‘The White Album’. In beide zinnen staat het onderwerp vooraan, de herhaling is een uitdrukking van het gevoel dat het onontkoombare is gebeurd. In zijn vertaling hanteert Mebius niet de volgorde van Didion: ‘Op die dag werd de spanning doorbroken. De paranoia was bevestigd.’

 

Verhaal van het gevoel

In het essay ‘Why I Write’, dat niet is opgenomen in De verhalen die we onszelf vertellen, zegt Didion dat schrijven een daad van agressie is, ook als het wordt gekenmerkt door ‘ellipses and evasions – with the whole manner of intimating rather than claiming, of alluding rather than stating’. Deze passage is interessant omdat Didion hier haar eigen stijl karakteriseert: intimating rather than claiming, alluding rather than stating en with ellipses and evasions. Als geen ander verstaat Didion de kunst van het weglaten, het belang van wat niet wordt gezegd. Haar indirecte, kalme en onderkoelde stijl onderscheidt haar van de hijgerige en geëxalteerde stijl van andere New Journalists als Tom Wolfe en Hunter S. Thompson.

De serene stijl van Didion intensiveert de inhoud. Neem het begin van het essay ‘Kruipend naar Bethlehem’. Kalm vertelt Didion: ‘De neergang leek niet meer te stuiten.’ Na de roes volgt brakheid; de jaren zestig van de vorige eeuw eindigden met een enorme kater (een van de essays heet niet toevallig ‘De kater van de sixties’). Toen de neergang al was ingezet, ging het ook met Didion persoonlijk bergafwaarts. In haar bekende essay ‘Dat zeggen we vaarwel’ schrijft ze: ‘Niets was onherroepelijk; alles lag binnen handbereik.’ Dat gevoel verdween toen ze achtentwintig werd, het jaar ‘waarin het me duidelijk begon te worden dat niet alle beloftes zouden worden ingelost, dat sommige dingen onherroepelijk blijken en dat alles had meegeteld, elke uitvlucht, al het geaarzel, elke fout, elk woord, álles.’ Met het verdwijnen van de onschuld en de zaligheid van de onwetende verschijnt de wanhoop, waarvan Didion toen pas de werkelijke betekenis begreep. ‘Dat zeggen we vaarwel’ is een mooie afsluiting van Slouching Towards Bethlehem en The White Album gaat verder waar de eerste bundel eindigde: met een desperate Didion.

In De verhalen die we onszelf vertellen wordt dat grote verhaal, namelijk dat van Didions gevoel, een beetje verstoord omdat de chronologische volgorde niet wordt gehanteerd. Dus komt het essay ‘The White Album’ voor het essay ‘Dat zeggen we vaarwel’, terwijl de oorspronkelijke volgorde van Didion volgens mij niet willekeurig is.

 

De betekenis van de verhalen

‘We vertellen onszelf verhalen om te kunnen leven.’ Zo begint Didion het essay ‘The White Album’, om vervolgens een heel essay lang te alluderen op het falen van de verhalen en wat het gevolg is als je niet meer gelooft in de verhalen die je jezelf altijd hebt verteld: depressie, wanhoop en inertie. De vaste grond onder haar voeten is verworden tot drijfzand nu de verhalen waar ze eerder in geloofde hun betekenis hebben verloren.

Verhalen fungeren niet alleen als een houvast, ze kunnen ook een verwoestende werking hebben, zoals Didion aantoont in het essay ‘Sentiment en duiding’ uit de bundel After Henry. Dit essay gaat over de brute verkrachting en mishandeling van een jogster in Central Park. De toon is nu vooral beschouwend: Didion analyseert de verhalen in de media om te onderzoeken hoe betekenis tot stand komt. De conclusie van het essay is dat media en politici een valse, sentimentele analogie hebben gecreëerd door in hun verhalen de jogster gelijk te stellen aan wat goed is aan New York. Niet alleen de jogster, de hele stad New York wordt hier het slachtoffer. De verhalen scheppen eenduidigheid en zo houvast voor velen, maar ze hebben wrede gevolgen voor de jonge verdachten die geen schijn van kans hebben en worden veroordeeld. Onterecht, zoals toen al duidelijk was en later werd bewezen.

De mooiste voorbeelden van die typische Didionstijl van intimating en alluding zijn de persoonlijke essays ‘Over zelfrespect’, ‘Over moraliteit’ en ‘Het nut van een notitieboekje’. Dit is essayistiek van het hoogste niveau: actueel maar tijdloos, persoonlijk maar algemeen en gevoelig en intelligent tegelijk. Deze stukken zijn zo fijnzinnig, zo veelzeggend, zulke krachtige uitdrukkingen van prachtige denkbewegingen. Het nut van een notitieboekje is volgens Didion niet het vastleggen wat ze heeft gedaan of gedacht; haar notities vertellen haar hoe ze zich toen voelde en ‘hiermee komen we in de buurt van waar het bij een notitieboekje om draait’. Ze begint het essay met een notitie, vervolgens schrijft ze over het belang van een notitieboekje, om uiteindelijk te eindigen met de filosofische waarheid ‘dat het een goed idee is om in een goede verstandhouding met ons vroegere zelf te leven, of we onszelf nu wel of geen prettig gezelschap vinden’. Notitieboekjes zijn nuttig om het gevoel van al die ikken te conserveren waaruit onze identiteit is opgebouwd. ‘It is a good idea, then, to keep in touch, and I suppose that keeping in touch is what notebooks are all about.’ De conclusie van het essay mist in de Nederlandse vertaling zeggingskracht, omdat Mebius de herhaling (‘keep in toch’ en ‘keeping in touch’) en zinsbouw van Didion negeert: ‘Het is dus een goed idee om een contact te houden, en ik denk dat dat is waar het bij notitieboekjes uiteindelijk om gaat.’

Didion kon trouwens ook venijnig en direct zijn: in het essay ‘Brief uit ‘Manhattan’ sabelt ze Woody Allen vakkundig neer. En ze was ook kritisch over het feminisme. In het essay ‘De vrouwenbeweging’ schrijft ze: ‘Het idee dat in fictie altijd een zekere, niet weg te nemen ambiguïteit schuilgaat is blijkbaar nooit tot deze vrouwen doorgedrongen, en dat kan ook haast niet, want fictie verhoudt zich op vrijwel geen enkel front met ideologie.’ Opeens maken intimating en alluding plaats voor claiming en stating en het zorgt voor een fijne afwisseling in De verhalen die we onszelf vertellen. Wat de toon van de haar essays ook is: Didions taal is altijd van een bewonderenswaardige zuiverheid en schoonheid.

 

Recensie: De verhalen die we onszelf vertellen van Joan Didion door Koen Schouwenburg

De Arbeiderspers, Amsterdam, 2020
Vertaald door: Koos Mebius
ISBN 9789029541176
332p.

Geplaatst op 08/07/2020

Tags: David Foster Wallace, De verhalen die we onszelf vertellen, Feminisme, Joan Didion, Joost De Vries

Categorie: Essaybundel, Recensies

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.