Poëzie, Recensies

Iedereen maar niet iedereen

Joodse gedichten

Nachoem M. Wijnberg

Een ‘sjabbesgoj’ is een niet-jood, een goj dus, die joden op de sabbat helpt door handelingen uit te voeren waarvan zij zich die dag onthouden, zoals het ontsteken van licht of het opwarmen van voedsel. Aangezien gojs niet tot het uitverkoren volk van God behoren, hoeven zij zich niet aan de joodse wetten te houden, en het is voor joden ook fijn om licht te hebben waarbij ze de Thora kunnen lezen. Joden, uitgezonderd door Jahwe, de rechtvaardigen onder de volkeren, hebben toch iemand uit zo’n volk nodig om het lichtknopje te bedienen op zaterdag. Oftewel, één dag per week kunnen joden niet fatsoenlijk leven zonder vreemden, precies op de dag dat de gelovigen zich van hen onderscheiden.

Door deze afhankelijkheidsrelatie wordt de uitzondering van joodsheid onlosmakelijk verbonden aan de rest van de wereld. In zijn nieuwe bundel Joodse gedichten, die op de longlist van de Grote Poëzieprijs stond, houdt Nachoem M. Wijnberg zich met die relatie bezig. Zelfs ‘het grote feit’ uit de joodse geschiedenis kan in die context heel anders worden bezien. Daar schrijft hij: ‘het enige goede aan de Nazi’s’

is dat ze begraafplaatsen ruimden
alsof ze een Sjabbesgoj waren
die waarom zitten jullie in het donker vraagt
en terug hoort: meneer Goj komt u toch binnen
en gaat u zitten in die stoel daar, naast de lichtschakelaar
dan kunt u uitrusten.

Een wrede grap, zou je zeggen. De implicatie dat de joden de nazi’s ergens voor nodig hebben gehad! Maar Wijnberg voert hier de regel dat een joods graf niet geruimd mag worden door tot het uiterste. Zou geen enkele vreemde ooit zo’n graf ruimen, dan werd de wereld één grote joodse begraafplaats.

Om nog even op dit gedicht door te gaan – het is moeilijk om over een gedicht van Wijnberg te beginnen zonder je genoodzaakt te zien er nog iets meer over te schrijven – de titel, iets te lang om hier volledig te citeren, verwijst naar de Duitstalige joodse dichter Paul Celan. Daarnaast noemt Wijnberg ook ‘dat ene te vaak van hand naar hand gegane gedicht’, oftewel Celans ‘Todesfüge’. In dat gedicht schrijft Celan over ‘een graf in de wolken’, een verwijzing naar de Shoah. Door in de context van Celans doodsfuga te impliceren dat de nazi’s hebben voorkomen dat de wereld één groot joods graf werd, brengt Wijnberg ook het tegendeel in herinnering: het graf dat het uitspansel is.

Misschien dat Wijnberg zelf de volgende, enigmatische regels over die verschrikking schrijft: ‘Een stapel bontjassen / waarop twee, drie zwaluwen rusten in de winter, / want wanneer moeten zij anders.’ Alsof de camera wegdraait van het onheil en de sneeuw een tijdje blijft vallen rondom die vogels en hun rustplaats.

Een definitie van joodsheid

Hoewel Wijnberg zich dus bijzonder interesseert voor de uitzonderingspositie die de jood inneemt, wil ik meteen benadrukken dat dit in geen geval het ‘hoofdthema’ is van de bundel. Wat Joodse gedichten nou joods maakt – Wijnberg heeft veeleer om die vraag heen geschreven, om zo te zorgen dat de vraag geen eenduidig antwoord zou kunnen krijgen. De dichter toont een meervoudigheid aan joodsheden, zou je kunnen zeggen, zonder volledigheid na te streven. Het enige verenigende principe is, denk ik, de persoonlijke fascinatie van de joodse dichter.

Hoe enigmatisch joodsheid is voor Wijnberg, blijkt wel uit het gedicht ‘DE MAAN’. Daarin buigt hij zich onder andere over de bekering onder dwang, iets wat joden ondergingen ten tijde van de islamitische en christelijke overheersing van het Iberisch schiereiland. ‘Een bekering onder dwang mag ik ondergaan,’ schrijft Wijnberg:

en als ik er later op terugkom

blijft wat ik in de tussentijd gezegd heb,

zoals het huwelijk van een Jood die gezegd heeft

dat Mohammed een profeet is of zich heeft laten dopen

en zich later afgedroogd heeft (‘hij is zo droog als een Jood

in het midden van de zee’)

Als een van de rabbi’s in de Talmoed (voor mede-goj: dat is een verzameling commentaar op de Tenach, het heilige boek in het jodendom) legt Wijnberg uit wat er staat als er staat ‘onder dwang’:

En onder dwang betekent

om zijn leven te redden,

maar leven kan ook zijn beste leven zijn,

zoals uiteengescheurd te worden

door Mohammeds vinger het beste is wat de maan gebeurt,

of een leven dat er nog niet is

of van wie zich afdroogt door naakt rond te dansen (‘hij danst als een Jood

die uit een bad gestapt is

en geen handdoek kan vinden’),

Joden verliezen hun joodsheid niet aan een afgedwongen bekering als ze die anders met hun leven zouden bekopen. Als het daarbij niet zozeer om de ene, grote dood gaat maar, zoals Wijnberg oppert, juist de kleine die we sterven als we genoegen nemen met minder, opent dat een perspectief waarbinnen een jood iedereen zou kunnen zijn, maar niet iedereen een jood. Als Joodse gedichten een definitie van joodsheid bevat, dan is het die.

Dat van de maan en Mohammed gaat trouwens over een vers uit de Koran waar nogal wat over geschreven is. Het vers, dat inderdaad over het splijten van de maan gaat, werd in vroege tradities historisch opgevat, als een verslag van een wonder dat Mohammed uitvoerde. De Perzische dichter Rumi (1207-1273) schreef op zijn beurt dat er voor de nederige maan niets beters was dan door de profeet gespleten te worden. Wijnberg stelt, op zijn beurt, dat hetzelfde misschien geldt voor een jood. En hoewel dat een wat arbitraire associatie lijkt, al is die ingebed in de historische bekeringen van joden, valt het wel op dat Wijnberg ‘uiteenscheuren’ in het gedicht opneemt. Alsof ook een jood die zich bekeert, uiteengescheurd wordt, opgedeeld in allerlei stukjes waarvan er altijd nog eentje joods blijft.

De potentiële alomtegenwoordigheid van joden, als ik Wijnbergs soort-van-definitie zo mag samenvatten, wordt in het gedicht ‘DE MESSIAS KOMT’ ook in verband gebracht met de verlosser. Die komt ‘als er geen joden meer zijn’, waarna Wijnberg vraagt hoe ‘we’ daarvoor kunnen zorgen ‘zonder dat er ook maar één dag van één van hen / donkerder wordt?’ Heel eenvoudig: ze verspreiden zich over de hele wereld en dan, als de tijd daar is, laat elk van die joden zich dopen of zet een tulband op, ‘de laatste onderhandelingstactiek / die hij nog over heeft’.

In het eerdere gedicht leek de mogelijkheid van joden om zich tot wat dan ook te bekeren, als het hun beste levens redt, misschien nog een soort blije potentie, met die naakte rondedans, maar in dit gedicht kun je het niet anders dan pragmatisch noemen. Onderhandelingstactiek? Een onderhandeling voor je leven, maar waarom zou iemand daarvoor moeten onderhandelen? In vergelijking met, ik neem maar eens een voorbeeld, het christendom, dat haar gelovigen vraagt om een marteldood te sterven voor ze Christus opgeven, klinkt het bevrijdend om elk leven te kunnen leiden. De keerzijde is wel dat die vrijstelling impliceert dat het beste leven niet vanzelfsprekend een joods leven is. Waarom zou het anders vrijgesteld moeten worden? Het is die nuance – zelfs het leven dat niet vanzelfsprekend joods kan zijn mag joods heten – die Wijnbergs gedichten, naast mooie beelden, interessante verwijzingen of memorabele zinnen, zo rijk maakt.

De algemeenste sabbat

De stijl van Joodse gedichten ligt veelal in de lijn van Wijnbergs eerdere bundel Van groot belang (2015). De gedichten, regels en zinnen zijn behoorlijk lang en Wijnbergs houding is reflectief en associatief. Maar ook wat dit aspect betreft laat de bundel zich niet zomaar samenvatten. Neem bijvoorbeeld dit gedicht over de sabbat, een van mijn favorieten uit de bundel. Het heeft meer weg van de compactere lyriek die Wijnberg ooit schreef in Eerst dit dan dat (2004):

Als er iets is wat ik elke dag moet doen
is er een dag van de week dat ik niet hoef.

Dat is alles wat de sabbat betekent
en dat mag ik ook op de sabbat bedenken.

De sabbat kan ik elke dag uitroepen,
zo zijn ook de hemel en aarde gemaakt.

Alsof ik elke dag iets nieuws moet maken
en op de sabbat maak ik wat er al was.

Via ritmische herhalingen deelt dit gedicht een prachtige kleine gedachte. Wat voorbij de laatste, uiterst citeerbare strofe ontroert, is die opening. De gevolgtrekking die zichzelf als het ware opheft, zoals de sabbat het moeten van ‘elke dag’ onderbreekt. In de derde strofe, als een soort parallelisme dat aan de psalmen doet denken, herhaalt Wijnberg die denkbeweging maar dan intenser, door te stellen dat ‘elke dag’ een sabbat zou kunnen zijn. Een gedicht over de sabbat – rust, onderbreking – wordt zo ook een gedicht over de aard van verplichting, die er slechts is voor zover ik de sabbat niet uitroep om te blijven bij wat er al is.

Het deed me denken aan het gedicht ‘Feel Free’ van de Noord-Ierse dichter Nick Laird. In dat gedicht richt Laird zich tot zijn kinderen en vertelt wat hij doet ‘to deal with all the sensational loss’, of in het geval van de sabbat, niet doet:

I like the mind to feel a kind of neutral buoyancy

 

and to that end I set aside a day a week, Shabbat,

to not act. Having ceded independence to the sunset

I will not be shaving, illuminating rooms or raising

 

the temperature of food.

Hoewel Laird sterker conformeert aan een orthodoxer idee van de sabbat, trekt hij net als Wijnberg de rustdag naar zich toe. Ze zetten allebei zélf een dag apart, waarin ze niet doen. Je zou het een soort secularisatie kunnen noemen, of in Lairds geval natuurgodsdienst. De sabbat is niet per se gewijd aan Jahwe, maar een dag waarop Laird zich afhankelijk maakt van de zonsondergang. Wijnbergs persoonlijke sabbat zou je de meest algemene vorm van de sabbat kunnen noemen: onderbrekende inactiviteit, oftwel, niet hoeven.

Van vader op zoon

Persoonlijk zijn ook Wijnbergs gedichten over zijn vader. In ‘ZION’ schrijft hij:

Mijn vader sprak veel talen

en, zoals andermans grap was, allemaal in het Nederlands,

en op een plaats waar dit en overbodige vraag was,

aan het begin van de enige weg

 

van Beër Sjeva naar Eilat in het uiterste zuiden,

wachtte hij tot hij een lopende man zag

om in zijn honderd klasjes geleerde Hebreeuws te vragen: is dit de weg naar
Eilat?,

en het antwoord te krijgen: ah, Nederlander!

Ontroerend, deze poging om een bepaalde vorm van joods te zijn, en de houding van zijn vader lijkt ook zo anders dan die van Wijnberg zelf. Hoewel, wie kan zeggen dat dit niet het beste leven was van de oudere Wijnberg?

Wijnberg laat in een ander gedicht zien dat zijn vader en hij misschien stadia zijn in een bepaalde ontwikkeling van een algemene joodsheid. In ‘MIJN VOLK LEEFT’ zit vader in bad ‘met de kranten en de radio’ en stemt na het ‘heel-uur-nieuws’ op een andere zender af om het ‘half-uur-nieuws’ te horen. Een beeld van iemand die zoveel mogelijk – te veel – ergens van wil verzamelen. Zijn vader ‘las zoveel mogelijk Israëlische schrijvers / (want wie weet hoelang er nog Israëlische schrijvers zijn?)’, schrijft Wijnberg – in dezelfde strofe waarin hij zich afvraagt of zijn vader Yehuda Amichai (1924-2000) heeft gelezen. Dat is de enige dichter, merkt Wijnberg op, tegen wie hij ooit zei ‘ik wilde u enkel een hand geven’; een opzetje voor de climax van het gedicht. Wijnbergs vader, zelfbenoemd ‘hulpgeneraal van de verstrooiing’, probeert, zo lijkt het, uit te werken hoe een jood zonder thuis in de wereld moet zijn. Een van de strategieën: ‘de geschiedenis ín marcheren, / in plaats van snel genoeg vooruit te komen / om daaruit tevoorschijn te komen.’

Dan bindt Wijnberg de eindjes weer aan elkaar vast:

Er is een gedicht van Yehuda Amichai

over tegen zijn vader zeggen dat hij ‘naar een andere synagoge gegaan was’,

terwijl dat niet zo was. Met mijn vader

ging ik op Grote Verzoendag naar zes of zeven verschillende synagoges,

zoals het Parthenon, de Notre-Dame en het Alhambra

in één dag.

 

Een roman, een schilderij, een ruïne op een heuvel,

is ook een gesprek daarover,

ook als er niemand is om mee te spreken. Voor mijn kleurenblinde

en toondove vader

was dat gesprek bijna alles,

vaak alles

en dat maakte zijn ontroering niet enkel niet minder eerlijk,

maar ook niet minder diep.

Het lijkt mij de meest Wijnbergiaanse ode aan een vader: een verwijzing naar je meest gerespecteerde dichter ombuigen. De vader die gebedshuizen over de hele wereld vond, schijnbaar zonder acht te slaan op hun radicale verschillen, of zelfs op hun vijandschap. Een vader die misschien te ver gaat en alles joods probeert te maken, maar die daarmee misschien wel de mogelijkheid van een andere joodsheid creëert voor zijn zoon.

Het loont om Wijnbergs verwijzing te volgen. Amichai’s gedicht ‘Sabbatsleugen’, een prachtig gedicht, trouwens, eindigt met deze strofe (in een vertaling van Glenda Abramson):

And since then the lie has been good and sweet on my tongue

And since then I always go to another synagogue.

And my father returned the lie when he died:

‘I’ve gone to another life.’

Naast Wijnbergs gedicht krijgen de woorden ‘I always go to another synagogue’ een heel andere bijklank. Waarom proeft die leugen zo goed en zoet? Is dat simpelweg omdat het prettig was om de synagoge te verlaten, om helemaal geen enkel gebedshuis meer te bezoeken, of is er een reden waarom Amichai het juist zó blijft zeggen, in die leugenachtige vorm? Het kan een wrange manier zijn om dat vertrek, dat niet anders dan per leugen lukte, te gedenken, maar ook een manier om te zeggen dat het geen simpel vertrek was. Dat hij werkelijk naar een andere synagoge is gegaan – de wereld, de literatuur – zoals zijn vader naar een leven geheel anders dan dit leven geloofde te gaan.

In contrast met Amichai zien we hoe Wijnbergs vader een andere weg vond, ‘een nieuwe strategie’, die Wijnberg zelf uitwerkte tot de strategie van de bekeerde jood, die overal kan zijn, zolang hij er zijn beste leven leeft. Maar de jood lost niet op in zijn bekering. Hij blijft op de een of andere manier ook iemand anders. Die uitzondering koestert Wijnberg zelfs, zoals hier in ‘vreemd’, waarmee hij Joodse gedichten afsluit, een van de mooiste gedichten uit de bundel:

Een Jood is wie,

als hij zoiets vreemds doet als bidden

(dat is wat iemand zo snel mogelijk opzegt,

zodat hij al kan praten

als de anderen nog bezig zijn),

naar een vreemde bidt,

die als een vreemdeling is in de storm

en in rechtvaardigheid en in medelijden,

zegt de Jood,

en zoals ik hoop dat ik een vreemdeling zal blijven

in het midden van mijn eigen vreemdheid (in de betekenis

dat het anders is,

misschien enkel dat het langer duurt

dan ik verwachtte) en als iemand zegt dat dat om iets vragen is

zal ik hem niet tegenspreken,

want dat zou ondankbaar zijn van een vreemdeling.

 

Ik zeg: vreemdheid heeft mij in bezit genomen,

ik heb vreemde gedachten,

de enige die ik nog heb.

 

Een recensie over Joodse gedichten van Nachoem M. Wijnberg door Harm Hendrik ten Napel.

Pluim, Amsterdam, 2020
ISBN 9789083054230
88p.

Geplaatst op 23/05/2021

Tags: Harm Hendrik ten Napel

Categorie: Poëzie, Recensies

Reacties

  1. Erik De Smedt

    Een detail: Celans ‘Todesfuge’, zonder umlaut.

    Beantwoorden

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.