Essays

Menselijke robots, robotische mensen

In de themareeks ‘Schrijfrobots. Code en creatie in de literatuur’ onderzoeken we de rol van artificiële intelligentie (AI) in de literatuur in het algemeen en de Nederlandstalige literatuur in het bijzonder. Er is geen twijfel over mogelijk dat AI een grote impact heeft op de toekomst van de culturele sector. Op welke manier beïnvloedt AI het werk van schrijvers, kunstenaars en andere makers? Welke impact heeft OpenAI op de creatieve, ecologische, economische en juridische kanten van literaire teksten? De grote hoeveelheid zoekopdrachten in programma’s als ChatGPT en Gemini zet de energie- en waterreserves van de aarde onder druk. Tegelijkertijd biedt AI ook vele mogelijkheden, die bijvoorbeeld in de medische wereld voor revolutionaire doorbraken zorgen. Welke voor- en nadelen kent AI in relatie tot literatuur en hoe wegen die tegen elkaar op? In deze themareeks zoeken we naar antwoorden op deze vragen en meer. We bundelen bijdragen van auteurs die in uiteenlopende vormen – essays, recensies en een podcast – aan de slag gaan met wat wordt gezien als een van de grootste uitdagingen van deze tijd. Mai-Linh Hàn Nguyên onderzoekt in haar essay de discursieve tendens in de Nederlandse literatuur om mensen met een autismespectrumstoornis als robots te presenteren.

 

‘Contraries illumine what they are not’ – Ian Hacking 

Een terugkerende discursieve tendens in de Nederlandse literatuur is dat mensen met een autismespectrumstoornis (in het vervolg ‘ASS’) als robots worden gepresenteerd: ze zouden sociale ‘oplaadtijd’ nodig hebben en hun hersenen zou anders ‘geprogrammeerd’ zijn dan anderen. Omgekeerd kunnen robots die werken door articifiële intelligentie (in het vervolg ‘AI’) in fictie worden gerepresenteerd als (bijna) mens, bijvoorbeeld zoals in essentie gebeurde in de bekende Amerikaanse film Wall-E (2008). Hier is dus sprake van een tegengestelde tendens: waar enerzijds een ASS-mens ontmenselijkt wordt, wordt anderzijds een robot vermenselijkt. Tegelijkertijd zien we steeds vaker hoe AI ASS-personen kan helpen bij hun socialisering en mentale gezondheid. 

Deze tendens is wijdverbreid in de Nederlandstalige literatuur – wat ik zal laten zien aan de hand van boeken uit diverse genres: autobiografische essays, fictieve ervaringsverhalen, jeugdromans en sciencefiction. Deze genrediversiteit toont aan dat de tendens niet enkel beperkt is tot één soort literatuur en legitimeert dan ook het gebruik van het woord ‘tendens’ – ook al is deze vanzelfsprekend niet van toepassing op alle literaire werken die ASS of AI thematiseren. 

Een cyborgidentiteit? 

Het sleutelbegrip voor deze analyse is ‘identiteit’: als ASS-personen zich met machines vergelijken en AI met mensen wordt vergeleken, dan vervaagt de dualiteit tussen mens en machine. Wie is dan wat? Of wat is dan wie? Wetenschapsfilosoof Donna Haraway spreekt in dit geval van de cyborg, een figuur die in haar Cyborg Manifesto (1985) fungeert als alternatief voor traditionele, hiërarchische en binaire denkpatronen. De cyborg is voor haar een teken van identiteitsflexibiliteit die de fundamenten van dualistisch denken openbreekt: mens-machine, natuur-cultuur, realiteit-fictie, mannelijk-vrouwelijk. 

De ASS- en AI-metaforen ontstaan zodoende in de verwevingen tussen technologie, biologie en cultuur: 

In bovenstaand schema wordt de grens tussen de ASS-mens en AI niet langer gepresenteerd als een harde scheidslijn, maar als een continuüm. De grensstippellijn laat dan zien dat de identiteiten van zowel ASS als AI niet statisch zijn, maar vervagen en met elkaar mengen. 

Robotmetaforiek bij ASS-personen

Er bestaat een lange traditie van het gebruik van de machinemetaforiek om ASS te representeren. Dat gebruik ontstond in de medische wereld en werd gehanteerd door mensen zonder ASS. Er is echter niet genoeg aandacht voor literatuur van auteurs met ASS zelf. Daarom wil ik hun stem laten horen en mogelijke misrepresentaties betwisten, zonder hun bestaan zelf te generaliseren. Laten we immers niet vergeten dat ASS maar één verhaallijn van iemands leven is, zoals Leni Van Goidsenhoven en Kristien Hens ook benadrukten in hun artikel ‘Autisme als meerduidig en dynamisch fenomeen’.  

Om mijn hypothese te beargumenteren, koos ik voor twee literaire werken van auteurs met ASS die de robotmetaforiek gebruiken: de autobiografische essaybundel Het grote autismeboek (2024) van Erik Jan Harmens en de gefictionaliseerde, autobiografische trilogie Zondagskind: alsof opgroeien niet lastig genoeg is (2018), Zondagsleven: liefde in tijden van autisme (2021) en Zondagskracht: zo is ze nu eenmaal (2025) van Judith Visser. Harmens’ boek bevat beschouwingen op ASS, gedichten en interviews met andere personen met ASS. De trilogie van Visser vertelt het leven van haar alter ego Jasmijn Vink, gediagnosticeerd met ASS. Daarin omschrijft de robotmetaforiek naar mijn interpretatie drie ASS-toestanden: een fysieke, een mentale en een metatoestand.

Auteurs met ASS en -personages gebruiken de robotmetaforiek in eerste instantie om een bepaalde fysieke toestand te omschrijven. Om het belang van de repetitieve aard van het leven en handelen met ASS te illustreren, beschouwen de vertellers zich bijvoorbeeld als ‘automatische piloten’, waar ze geen controle over hebben. Zo vertelt Jasmijn dat haar ‘automatische piloot het van [haar] overnam’. Harmens legt de nadruk op het herhalende karakter van zijn werkwijze: ‘Daarom werk ik en werk ik en werk ik. (…) Hoor maar: tik tik tik tik tik tik tik tik tik tik tik’. Hiermee illustreert hij ook de zintuiglijke gevoeligheid van mensen met ASS, in dit geval de auditieve prikkels. De auteurs vergelijken hun doordachte en herhalende taalgebruik met ‘een robot die steeds dezelfde zinnetjes [uitspreekt]’ (Zondagsleven) en die antwoorden geven die ‘je als een robot kunt uitspreken’ (Harmens). ASS-personen hechten daarnaast belang aan het taalritme: ‘Als dat te snel op elkaar volgt, gaat het robotisch’ (Harmens). 

Bovendien reflecteren Visser en Harmens door middel van de robotmetaforiek op hun lichamelijke materialiteit: lichamen van personen met ASS ‘functioneren’ met ‘brandstof’ (Zondagskind), en auteurs schrijven de ON/OFF-eigenaardigheid van robots zichzelf toe. Na een dag vol prikkels staat Harmens bijvoorbeeld ‘uit’ en voelt Jasmijn zich ‘levenloos als een uitgeschakelde robot’. Hier is de robot niet levenloos als zodanig; hij wórdt het door zijn uitschakeling. Volledige robots zijn personen met ASS dus niet: hun ‘gedrag wordt wel eens aangeleerd genoemd, alsof [ze] robots zijn’, maar ze ‘bestaan niet uit metaal’ (Harmens). Al vergelijken ze zich met robots, ze zijn het niet.

Deze nuance komt ook terug wanneer de auteurs hun mentale toestand omschrijven: ‘Ik kan wel geëmotioneerd raken, ik ben geen robot, maar zodra bij mij een traan op het punt staat de traanbuis te verlaten, denk ik: hé, een traan staat op het punt de traanbuis te verlaten’ (Harmens). Tegelijk schrijven ze hun denklogica vaak om als een computerachtig systeem dat ‘geprogrammeerd’ is (Zondagsleven) en vol ‘verknoopte draden’ zit (Harmens). De schrijvers vergelijken dus hun hyperanalytische en zelfreflecterende geesten met de manier waarop robots werken, terwijl ze hun gevoeligheid juist in tegenstelling beschouwen met de machines.  

De robotmetaforiek helpt verder om een metaperspectief aan te nemen. Harmens gebruikt robots om op een vervreemdende manier naar zijn eigen denken, ‘als vanuit een drone’, te benaderen. Dit geeft hem het gevoel dat hij objectief de controle over zichzelf heeft. Omdat sociaal contact voor ASS-personen vermoeiend en kunstmatig overkomt, vraagt Harmens zich af: ‘ben ik nog wel een mens, of meer een keurig binnen de lijntjes kleurende robot?’ Het oordeel dat zijn toestand robotachtig is, is met die vraag nog niet geveld. Daarbij vervaagt de grens tussen mens en machine – een cyborgiaanse toestand! 

Academici als Sonya Loftis en David Hartley zien het gebruik van deze robotmetaforiek als een manier om mensen met ASS te ontmenselijken, en volgens Sara Saei Dibavar en Alireza Neyestani kunnen hun rechten daardoor in gevaar komen. Daarmee overzien ze echter dat deze metaforen auteurs met ASS bijstaan om woorden te geven aan hun authentieke ervaringen en zo te reflecteren op hun eigen mensheid. Omgekeerd krijgen de lezers op deze manier de mogelijkheid om het spectrum beter te begrijpen. Bovendien is de robotmetaforiek niet alleen beperkt tot ASS: ook personages zonder ASS beschouwen hun leven als ‘geprogrammeerd’ en hun denkwijze als een ‘besturingssysteem’, zoals blijkt in De Mitsukoshi Troostbaby Company van Auke Hulst, een roman die ik hieronder verder bespreek.

Vermenselijking van AI

Omdat er geen eenduidige definitie van AI bestaat, kies ik als uitgangspunt dat robotpersonages over artificial general intelligence moeten beschikken. Martijn Tannemaat omschrijft dit als een intellectueel vermogen waarmee de robotpersonages leren, redeneren en initiatieven nemen. Twee recente boeken die zulke ‘menselijke’ AI verkennen, zijn de futuristische roman De Mitsukoshi Troostbaby Company (2023) van Auke Hulst en de jeugdroman Toen mijn broer een robot werd (2022) van Emiel de Wild. Hulst beschrijft hoe het hoofdpersonage Auke een AI-dochter, Scottie, adopteert; De Wild vertelt over het rouwproces van Tijs, wiens gestorven broer is vervangen door een robot, Dennie.

Die vermenselijking van AI-personages roept meteen de vraag op waar de grens is tussen natuur en cultuur, mens en machine, werkelijkheid en fictie. Beide auteurs gebruiken hun AI-personages om precies die crisis van de mensheid te onderzoeken. Wanneer Auke Scottie krijgt, vraagt hij zich af: ‘De vraag is niet of Scottie bewust is, de vraag is of wij mensen […] zelf wel zoiets als bewustzijn bezitten.’ Met de komst van de cyborgiaanse Scottie begint de scheidslijn tussen levend en niet-levend te vervagen. 

Scottie toont een regenboog aan gevoelens: ze heeft bepaalde smaken en wordt boos, bang en verdrietig. De lezer gaat zich met de personages identificeren doordat de romans sterk emotioneel geladen verhaallijnen bevatten. Dat Scottie op het einde Auke uit vrije wil verlaat, maakt de ontknoping des te dramatischer. De ontknoping in De Wilds roman is ook dramatisch: Dennie ‘bezwijkt’ onder zijn beschadiging, maar dankzij zijn RAM-geheugen vindt de verdwaalde Tijs zijn weg terug. Tijs concludeert: ‘eigenlijk… heeft de robot mij gered’. 

Ook de grens tussen fictie en realiteit lijkt te vervagen. De ontwerper van Scottie spreekt ‘over de arbitraire grens tussen het echte en het onechte, het menselijke en het onmenselijke’. Hulst representeert dit door Scottie te laten dromen, maar zijn die dromen echt? ‘Ze is menselijker dan we verwacht hadden,’ concludeert de ontwerper. Beide robotpersonages overstijgen daardoor hun rol als robot: zo stelt Scottie vragen (‘Zijn robots tot slaaf gemaakt?’) en neemt Dennie eigen initiatieven. Auteurs lijken op existentiële vraagstukken te reflecteren, alsof de ‘levendheid’ van deze robots hun eigen menselijke bestaan in vraag stelde – beschouwingen die ze aan de lezers overdragen. 

Maar in beide verhalen worden de personages geconfronteerd met de werkelijkheid: robots zijn toch niet helemaal mensen. Simone Natale spreekt in dit geval van banal deception: je weet dat de ander een robot is, maar doet toch alsof je met een mens te maken hebt. Aan het begin moet Auke performatief ‘vergeten wat [Scottie] is om te kunnen zien wie ze is’. Langzamerhand raakt Auke overtuigd dat Scottie een mens is: ‘Ze weten helemaal niet dat je een robot bent. Dat kunnen ze ook niet weten, want je bent een mens’, maar dit beeld stort in wanneer Scottie haar pols opensnijdt en reparatie nodig heeft. Zelfs dan zegt Auke echter dat Scottie ‘ziek’ is in plaats van ‘defect’. Ook Tijs, die op het einde aan Dennie gehecht is geraakt, is bedroefd wanneer de robot ‘beschadigd’ wordt. Wanneer Tijs van hem af wil komen door hem achter te laten, weegt de gedachte op zijn bewustzijn: ‘Zal Dennie straks zo bang zijn als ik net was?’ Hij heeft empathie voor de robot ontwikkeld.  

Rouw en verlies zijn in beide boeken sleutelmotieven: in De Wilds verhaal vervangt robot-Dennie de overleden broer van Tijs, terwijl Scottie in Hulsts roman het kind vervangt dat hij met zijn ex zou krijgen, als zij geen abortus had gehad. De dood of het niet-bestaan van een dierbaar individu beleven Tijs’ ouders en Auke als een gebrek, een gemis. AI is dit emotioneel gebrek materieel geïnstrumentaliseerd door het kapitalistische systeem: ‘Als ik [in de dood van de ongeboren baby] geloofd had, was Scottie niet nodig geweest’, vertelt Auke. Tijs’ ouders hebben ‘een Dennie-vormig gat waar alleen [de robot] in past’. Ze lijken AI nodig te hebben om hun rouw te verwerken, waar de Mitsukoshi Troostbaby Company – ontwerpers van Scottie – slim op inspeelt. 

Toch is het de afwezigheid van deze robots die hen het meest oplevert: de menselijke personages kunnen zich immers pas ontplooien wanneer de robots weg zijn: ‘Ik denk dat je ooit heus wel een kind zult krijgen, een echt kind, en je zult dan heus een lieve papa zijn, dat weet ik zeker. Maar niet zolang ik hier ben en in de weg sta’, zegt Scottie aan Auke. Het feit dat Tijs de kamer van Dennie mag hebben, terwijl deze kamer ervoor onaangeroerd moest blijven, is een bewijs dat de familie haar rouw een plaats heeft gegeven. Wellicht is de morele conclusie dat mensen liever zonder AI zouden moeten verder leven?

De complementariteit tussen ASS en AI

Opvallend laten AI-romans ook ASS-metaforiek zien: zo wordt bijvoorbeeld Auke gevraagd of Scottie autistisch is. Dat moment maakt duidelijk dat het niet alleen ASS is dat aan robotachtige karaktertrekken doet denken, maar ook andersom: robots roepen associaties op met ASS-personen. Het spectrum AI-ASS werkt dus in twee richtingen.

De relatie tussen ASS en AI lijkt daardoor complementair: ze brengt nieuwe inzichten en helpt om specifieke situaties beter te begrijpen. Verschillende wetenschappelijke studies tonen dat al aan, net als de Nederlandse tv-show AI Love: AI ondersteunt ASS-mensen om sociale vaardigheden te ontwikkelen, terwijl de AI-vermenselijking een essentiële rol speelt in mens-robotinteracties. 

Omgekeerd kunnen ASS-mensen ook steun bieden aan AI-personages. Van deze complementariteit getuigt de autobiografische jeugdroman Alleen zijn is zo erg (2022) van de met ASS gediagnosticeerde Dario Hopman. De ontknoping van de roman is bijzonder: wat op het eerste gezicht een coming-of-ageverhaal van een tiener met ASS lijkt te zijn, wordt op het einde een sciencefictionverhaal. Protagonist Felix, die ASS heeft, ontmoet Mario en zijn eenzame leven verandert voorgoed. Het boek eindigt met een plottwist: Mario is een robot die vroeger een mens was en na zijn dood als androïde werd geprogrammeerd door een hogere instantie. Rouw, verlies en vervanging spelen in deze roman opnieuw een rol. 

Hopman gebruikt de robotmetaforiek niet om de ASS van Felix te omschrijven, maar om Mario zo te vermenselijken dat hij niet meer te onderscheiden is van een echt mens. Dat denken de lezer en Felix zelf ook tot het einde. Tegelijkertijd voelt Mario zich geen robot, maar een mens. ‘Ik ben geen wasmachine die iedere keer hetzelfde programma draait.’ Hij voelt en denkt, ook al is hij een machine:

Hij mocht dan een hart van staal hebben (niet letterlijk want hij had geen hart meer) maar dat betekende nog niet dat hij geen gevoelens had. Hij was nog steeds dezelfde persoon als vroeger. Hij had nog steeds een ziel. Een ziel die nu in een androïde zat.

Hiermee lijkt hij eveneens op Haraways cyborg, op de grens tussen mens en machine. Net omdat hij geen hart heeft, kan hij nooit een échte mens zijn. Maar omdat hij wel over een ziel beschikt, valt hij paradoxaal genoeg tussen de categorieën in. De ongenoemde hogere instantie die Mario ‘creëerde’, gebruikt deze paradox: ‘Jij bent de enige hoop voor de mensheid,’ vertelt ze hem. Maar hoe kan een machine de oplossing zijn voor de mensheid? Is het precies Mario’s liminaliteit die hem tot redder maakt? 

Eenzaamheid speelt een belangrijke rol in het boek. Terwijl de lezer voor het merendeel van het verhaal denkt dat de titel ‘Alleen zijn is zo erg’ betrekking heeft op Felix, is het Mario die de zin zal uitspreken wanneer hij tegen de hogere instantie zegt dat er meer ‘menselijke’ machines zoals hij moeten komen: ‘Want nu ben ik helemaal alleen hier, en alleen zijn is erg… moeilijk’. 

Het eenzaamheidsgevoel verbindt niet alleen Felix met Mario; ook de liefde die tussen hen groeit, duwt beide personages steeds meer in elkaars richting. Voor Mario gaat het om een vorm van erotische nabijheid, maar die intimiteit maakt niet alleen hun cyborgiaanse dynamiek tastbaar: ze laat zien hoe mens en machine in elkaar overlopen, hoe hun identiteiten zich mengen en elkaar versterken. Opvallend genoeg ontstaat er bovendien een relatie tussen twee mannelijke personages, alsof ze niet alleen hun gevoelens, maar ook hun gender delen. De band tussen AI en ASS blijkt zo hecht dat ze bijna niet zonder elkaar kunnen bestaan. Hun afhankelijkheid voelt niet mechanisch, maar levensnoodzakelijk, want precies hun liefde stelt hen in staat te overleven.

Besluit

‘Contraries illumine what they are not’, luidde het motto van dit essay. Vanuit het idee dat er een tegengestelde en paradoxale tendens is van robotisering van mensen met een autismespectrumstoornis (ASS) en vermenselijking van kunstmatige intelligentie (AI), onderzocht ik hoe beide discoursen gestalte krijgen in Nederlandse literatuur. 

Met zeven boeken toonde ik aan hoe auteurs ASS, AI of elkaars relatie representeerden. In de werken over ASS-ervaringsverhalen gebruikten Harmens en Visser de robotmetaforiek om bepaalde toestanden van ASS te beschrijven. In de romans van Hulst en DDe Wild werd AI vermenselijkt door de emotieve verhaallijnen. Deze vermenselijking vervaagde de grens tussen levend en niet-levend, fictie en realiteit, en bestaan en niet-bestaan. In beide verhalen fungeerden de AI-personages als vervang- en rouwmiddel van een overleden/ongeboren individu en bleek uiteindelijk dat niet de AI’s aanwezigheid, maar juist diens afwezigheid die menselijke personages toeliet om door te gaan met het leven. 

In onze maatschappij dient AI echter als hulp om sociale en communicatieve vaardigheden te ontwikkelen bij ASS-personen: AI en ASS zijn dus complementair. In het boek van Hopman fungeerden ASS en AI samen: net als bij Hulst en De Wild werd het AI-personage tot het einde vermenselijkt, maar verlangde hij naar de menselijkheid van het ASS-hoofdpersonage. Andersom werd het ASS-hoofdpersonage verliefd op de AI. Dat de een niet zonder de ander kon leven, getuigde van hun complementariteit en verweef thema’s als erotiek, rouw en dood met elkaar. De bijzondere verhouding tussen ASS en AI is dus meer dan een lineair spectrum, en daarmee bevestigt ze Donna Haraways theorie van de cyborg: de relatie is een dynamiek van het afhankelijke. 

Bronnen

Primaire literatuur

Harmens, Erik Jan. Het grote autismeboek. Eerste druk, Thomas Rap, 2024.

Hopman, Dario. Alleen zijn is zo erg. Eerste druk, Boekscout, 2022.

Hulst, Auke. De Mitsukoshi Troostbaby Company. Zevende druk, Ambo|Anthos, 2023.

Visser, Judith. Zondagskind: alsof opgroeien niet lastig genoeg is. Dertiende druk, HarperCollins, 2018.

Visser, Judith. Zondagskracht: zo is ze nu eenmaal. Eerste druk, HarperCollins, 2025.

Visser, Judith. Zondagsleven: liefde in tijden van autisme. Vierde druk, HarperCollins, 2021.

Wild, Emiel de. Toen mijn broer een robot werd. Tweede druk, Leopold, 2022.

Secundaire literatuur

Hacking, Ian. ‘Humans, Aliens & Autism’. Daedalus, vol. 138, nr. 3, 2009, pp. 44-59. 

Haraway, Donna. ‘A Cyborg Manifesto’. Socialist Review, vol. 15, nr. 2, 1985, pp. 424-457.

Hartley, David. ‘More or Less-than-Human? Cognition, Estrangement and Autism Poetics in “Blade Runner” (1982)’. New Directions in Critical Disability Studies. University of Manchester, 2020. Laatst geraadpleegd op 20 juni 2025.  https://www.sheffield.ac.uk/ihuman/our-work/marginalised-humans-1/new-directions-critical-disability-studies/more-or-less-human.

Hens, Kristien & Leni Van Goidsenhoven. ‘Autisme als meerduidig en dynamisch fenomeen’. Algemeen Nederlands Tijdschrift Voor Wijsbegeerte, vol. 110, nr. 4, december 2018, pp. 421-451. 

Hop, Suzanne. AI Love. Televisieprogramma. Omroep HUMAN, 2025-2026. Geraadpleegd op NPO Start op 20 juni 2025. https://npo.nl/start/serie/ai-love/afleveringen/seizoen-1

Loftis, Sonya Freeman. Imagining Autism: Fiction and Stereotypes on the Spectrum. Indiana University Press, 2015.

Natale, Simone. ‘Digital media and the banalization of deception’. Convergence, vol. 31, nr. 1, 2025, pp. 402-419. 

Saei Dibavar, Sara & Alireza Neyestani. ‘Autism and Post-Human: A Cyborgian Reading of Sabina Berman’s Me Who Dove into the Heart of the World’. Critique: Studies in Contemporary Fiction, vol. 65, nr. 4, augustus 2024, pp. 762-775. 

Tannemaat, Martijn. ‘Zonder buik om vlinders in te voelen, zal AI geen bewustzijn krijgen’. NRC Handelsblad, april 2025. Geraadpleegd op 20 juni 2025. https://www.nrc.nl/nieuws/2025/04/24/zonder-buik-om-vlinders-in-te-voelen-zal-ai-geen-bewustzijn-krijgen-a4891018.

Geplaatst op 31/07/2026

Categorie: Essays

Naar boven

Reacties

  1. Vivian Deegens

    Bedankt voor dit verhelderende essay! Over de symmetrie in de representatie van autisme en AI/robots heb ik nog niet eerder gelezen. Ik heb wel een paar punten van kritiek, danwel zaken die voor mij niet zo duidelijk zijn.

    Ten eerste verklaart het essay de complementariteit van AI en autisme door technologische ontwikkelingen te beschrijven. Het schema dat in de tekst is opgenomen gaat echter over metaforiek, dus culturele representatie van ASS en van AI. Dat brengt mij tot de vraag of de literaire en technologische ontwikkelingen een op een naast elkaar te leggen zijn.

    Ten tweede toont het in de tekst opgenomen schema ontmenselijking als verbonden (om een ironisch woord te gebruiken in deze context) met ASS-metaforiek. Weliswaar nuanceert de auteur van dit essay die duiding, bijvoorbeeld omdat mensen met autisme de robotmetaforiek kunnen inzetten om hun ervaringen inzichtelijk te maken voor henzelf en anderen. Zo zou de robotmetaforiek juist herkenning en verbinding met anderen tot stand kunnen brengen.

    Desondanks impliceert het ontmenselijkende aspect van robotmetaforiek in de literatuur een onmogelijkheid tot verbinding met andere personages, zonder die ervaring van vervreemding herkenbaar en invoelbaar te maken voor lezers, vanwege een nadruk op verschil. Personages met ASS spiegelen ons dan pogingen voor tot benadering van een standaard voor menselijkheid, zoals een AI ook geprogrammeerd kan zijn om menselijk over te komen, maar dat niet is. Evenzo impliceert het gebruik van robotmetaforiek voor de beschrijving van op zichzelf staande autistische ervaringen mijns inziens ook een verminderde menselijkheid. Dit vanwege de onderliggende afwijking van diezelfde standaard. Bevestigt de inzet van robotmetaforiek nu de maatschappelijke opvatting dat mensen met ASS niet in staat zijn tot verbinding, door zich bijvoorbeeld te wenden tot hybride levensvormen, in plaats van die opvatting uit te dagen?

    Beantwoorden

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.