‘Papa, waarom doe je niets?’

Xandra Brood. Rock-’n-Roll Widow

Rutger Vahl

In kraamkliniek Moederheil te Breda wordt in 1958 Xandra Jansen geboren. Ze strijkt neer in het nabijgelegen Ulvenhout. Op haar vierentwintigste verruilt ze de provincie voor de hoofdstad Amsterdam. Daar gaat ze werken bij een hippe discotheek, waar ze Herman Brood ontmoet. Ze krijgt begin 1983 een relatie met de beruchte artiest, trouwt met hem in januari 1985 en schenkt hem een dochter Lola. Dat echtgenoten volgens de wet lief en leed delen, is bij dit paar geen nietszeggende formulering. Brood pleegt zelfmoord op 11 juli 2001.

Daarna is Xandra Jansen definitief ‘mevrouw Brood’ geworden. Dat zegt ze in een boek met de schijnbaar toepasselijke titel Rock-’n-Roll Widow. De charmes en onuitstaanbaarheden van de man die haar tot die status heeft gebracht, komen er bijna uitputtend aan de orde. Nog altijd is er woede, is er onweerlegbare kritiek. Maar steeds wordt dit allemaal getemperd door het feit dat Xandra heroïsch van hem is blijven houden. Achteraf stelt ze vast dat haar leven valt te verdelen in de jaren voor Brood, met Brood en na Brood. Het boek lijkt tegelijk een poging om inzicht te krijgen in haar eigen handelen en rekenschap te geven van haar reacties. Ze noemt zichzelf impulsief en ze toont verantwoordelijkheidszin.

Uit Rock-’n-Roll Widow komt een ruimhartige vrouw naar voren, zonder kapsones. Ze treedt kordaat op en geeft hartstochtelijk om haar kinderen. Het werk aan de bar verruilt ze ten slotte voor dat van styliste. Steeds onderkent ze bij zichzelf zwaktes, die evengoed menselijke tegenstrijdigheden zijn te noemen. Een gezelligheidsdier voor wie het café de tweede huiskamer was en die zich op feestdagen terugtrok met familie en vrienden. Een onbesmuikte babbelaar die, net als Brood, gesloten was en niet graag de confrontatie aanging.

Mogelijk door een idee onvoldoende capabel te zijn, heeft Xandra haar relaas laten optekenen door Rutger Vahl (1972). Eerder gaf hij er met boeken over Cornelis Vreeswijk en Wally Tax blijk van empathisch en geïnformeerd te kunnen schrijven over de mythische branche van de popmuziek. In hoeverre voelde hij zich ook betrokken bij dit onderwerp? Hij behandelde Vreeswijks praatzang in de traditie van Mose Allison en dus van diens fan Brood. En Tax’ grote liefde was Laurie Langenbach, deel van de VPRO-entourage die had meegeholpen de vroege Brood, eind jaren zeventig, verbluffend populair te maken. Langenbach schreef voor hem nota bene de tekst van ‘Doreen’, de toenmalige Xandra.

Ik vrees dat Vahl zich met Rock-’n-Roll Widow misrekend heeft. Ten eerste heeft hij gekozen voor de ik-vorm. Dat versterkt uiteraard het getuigeniskarakter van het boek, maar levert een spreekstijl op die eentonig wordt en redundant. Met vertellerstekst was er niet alleen meer afwisseling gekomen, er zou ook recht zijn gedaan aan Xandra’s identiteit en Vahls aanpak. Rock-’n-Roll Widow opent met een ultrakorte verantwoording van ‘de auteur’. Die blijkt behalve met Xandra gesproken te hebben met ‘haar familie, (jeugd)vrienden, collega’s en met mensen die Herman goed hebben gekend’. Wie dat precies zijn en wat ze hebben gezegd blijft onvermeld. Ook een bibliografie ontbreekt.

De logische ambitie om ‘een zo compleet mogelijk beeld’ te geven wordt al voor aanvang onderuit gehaald. Met Rock-’n-Roll Widow valt onmogelijk voorbij de anekdotiek te raken. Ook is er geen basis voor de lange periode voordat Xandra in Broods leven kwam. Haar kennis daarvan, zegt ze met de haar sierende oprechtheid, stoelt uitsluitend op zijn verhalen. Ze kende geen elpees van de vroege Brood, zelfs niet het klassieke Shpritsz. Een optreden van de Wild Romance had ze nooit meegemaakt. Dit relativeert de werkelijkheidswaarde van beweringen in Rock-’n-Roll Widow over Broods muzikale realisaties tijdens hun relatie. Xandra neemt continu een ‘toptijd’ waar, al spreekt ze zich een beetje tegen door een paar keer over momenten in Broods carrière te beweren dat hij ‘weer helemaal terug’ was.

Mij frustreert het besef dat Rock-’n-Roll Widow – juist door de kroongetuige en de geoefende auteur – kiemen voor een geweldig boek in zich draagt. Xandra vertelt dat ze naar Amsterdam gekomen is op verzoek van haar oom Gert-Jan Dröge, om te werken in diens discotheek 36 op de Schaal van Richter. En dat deze oom eerder de Chez Nelly had gerund, ‘een exclusieve club waar veel bekende Nederlanders kwamen’ en het bij haar ouders voor Brood opgenomen had toen ze vernamen wie de nieuwe vriend van hun dochter was.

Een kapstok voor een samenhangende tekst had de film Andy, bloed en blond haar uit 1979 kunnen zijn, die verhaalt van een provinciaal die naar de grote stad trekt – een lot dat Xandra, Dröge en Brood delen. De soundtrack bevat enige passende vroege Brood-songs. In de film is een rolletje ingeruimd voor Dröge. Diens nachtclub Chez Nelly werd op Shpritsz vereeuwigd in het nummer ‘Hit’. En die tekst was de laatste die Pé Hawinkels voor diens dood in 1977 aan het Brood-repertoire bijdroeg en valt te toetsen aan de latere, zelf geschreven lyrics van de Wild Romance die Xandra heeft zien ontstaan.

Nog mooier zou het zijn geweest wanneer Xandra voort was gegaan op het spoor van Broods verblijf begin jaren zeventig in een christelijke psychiatrische instelling, waardoor hij volgens haar is gaan terugdeinzen voor moralisme. Was dat in Wagenborgen? Over die periode – van zijn definitieve ontslag uit Cuby & Blizzards in 1969 tot het afscheidsconcert in 1974 – is bijna niets bekend, laat staan gedocumenteerd.

Dat Rock-’n-Roll Widow dan weer wel wordt afgesloten met een persoonsregister, verandert het boek veeleer in een voyeuristisch project. Een pijnlijke constatering, juist vanwege het doel dat Xandra er expliciet stelt: het eenzijdige beeld van Brood bijstellen. Daarmee wil ze impliciet een halt toeroepen aan het groeiende legioen van ongevraagde vrienden die zich na diens dood met gekruide verhalen over de zanger-schilder hebben uitgelaten. Een verzet tegen de Brood-industrie kortom.

Ervaringsdeskundige balans

Het is raar om het levensverhaal Rock-’n-Roll Widow uit te pluizen over een ander. Gebeurtenissen en constellaties uit haar jeugd interpreteert Xandra op haar beurt in het teken van Brood. Haar vader was veel afwezig, haar moeder runde het gezin. Vlak voor de epiloog constateert ze dat haar echtgenoot al bijna even lang dood is als dat ze met hem samen is geweest. Ze weegt wat zij, door Brood spaarzaam gecomplimenteerd en dan nog vaak tegenover derden, allemaal voor elkaar heeft gekregen, niet het minst voor hem. En dan zegt ze: ‘Nou Xan, dat heb je toch vrij aardig gedaan, voor een meisje uit Ulvenhout’.

De belangrijkste correctie die Rock-’n-Roll Widow aanbrengt, is dat Brood tekort mag hebben geschoten als echtgenoot maar dat hij een fantastische papa was (behalve bij ‘de zorgtaken’). Xandra merkt op dat de docufilm Rock ’n roll junkie uit 1994 niet vastlegde hoe liefdevol bijvoorbeeld zijn bijdrage aan het Sinterklaasfeest met het gezin was. Ongewis is op wiens verzoek die kant van Broods karakter onbelicht bleef. Wel mag het extra tragisch heten dat hij – met Lola, of met zijn aangenomen kinderen Holly en Brenda – ontbreekt in het Vader & Dochterboek (2015) van Bert en Hannah Wagendorp, waar zijn oude vriend Jules Deelder wel in opduikt.

Daarnaast zegt Xandra dat Brood dan wel een grootgebruiker van drugs was, maar daardoor buitengewoon hard en lang werkte (ook met zijn libido). Dit kon echter alleen in combinatie met alcohol, waarbij een ervaringsdeskundige balans opviel. Dagelijks combineerde Brood twee gram amfetamine met anderhalve tot twee liter sterke drank. Zijn ziekte kreeg pas vat op hem toen de speed niet meer werkte en het evenwicht wegviel – Brood had prompt geen energie meer en werd depressief. Xandra berekent dat hij in zijn leven ongeveer 22 kilo speed heeft weggezet en zo’n twintigduizend liter spiritualia.

Zulke getallen dragen bij tot een betere inschatting van het fenomeen Brood. Zo somt Xandra ook op wie er, naast zijn gezin, van hem moesten leven: drie bandleden van de Wild Romance, hun crew, enige kunsthandelaren (Lex Daniels, Ivo de Lange, Jan Willem Tuitel), zijn aloude manager Koos ‘Coach’ van Dijk en diens kantoorpersoneel. Toen Brood in 1998 door een uit de hand gelopen grap voor de rechter moest verschijnen wegens het bezit van wapens, pepperspray en speed, kreeg hij slechts een boete. Kennelijk was het argument van Broods advocaat aangekomen, dat bij een gevangenisstraf twintig gezinnen zonder inkomen zouden raken.

Onder de juiste chemische cocktail was Brood veelzijdiger en creatiever dan menigeen denkt. Daarbij neemt Xandra hem serieus als dichter en refereert dan toch weer aan de waardering van Lucebert voor Broods poëzie. Maar vooral geeft ze aandacht aan de schilder. Ze raakt dan wat gevoelige punten. Brood werd laatdunkend bejegend door ‘de elite’, gepersonifieerd in Rudi Fuchs. Een overzichtstentoonstelling in het Cobra Museum kon die wond niet helen, evenals argumenten die voor anderen de status van mindere god bevestigen: een brede populariteit, een onstuitbare productie (‘Tweehonderd schilderijen per jaar haalde hij makkelijk’) en een toegankelijkheid als persoon.

Xandra’s solidair te noemen perspectief garandeert dat de stamgasten bij de Brood-verhalen nauwelijks in het verhaal voorkomen. De vele bandleden van de Wild Romance ontbreken, huisverslaggever Bart Chabot speelt een bijrolletje. Net als manager Van Dijk, die uit Rock-’n-Roll Widow opdoemt als een kwade genius. Alles is sinds 1976 tussen hem en Brood in onderling vertrouwen gegaan, niets stond zwart op wit. Naar het schijnt heeft de manager Broods vader op diens sterfbed beloofd een oogje in het zeil te houden. Toch verbaast de verdeelsleutel fiftyfifty, ook voor schilderijen. Voor Xandra is dit een bewijs dat Brood ‘weinig verstand van geld had’, maar evengoed kan het desinteresse en opportunisme van de junk zijn die geen gezeur aan zijn kop wil. Wel ziet ze scherp dat in de geromantiseerde speelfilm Wild Romance (2006) van Jean van de Velde een heiligenrol is weggelegd voor Koos.

Een van de opmerkelijkste, helaas ongedateerde passages uit dit boek is dat Brood de primeur van zijn breuk met de manager aan zijn vertrouwde kanaal Henk van der Meijden had gegeven, maar dat de roddeljournalist niet in De Telegraaf wilde publiceren om ethische redenen. En na een tijdje sloten manager en ster vrede: ze hadden elkaar nodig. Ook over een ander zwart schaap uit de journalistiek, Willibrord Frequin, laat Xandra zich positief uit.

Nieuw zijn uiteraard wetenswaardigheden over Xandra’s leven en over de intiemere kanten en de smaak van Brood. En natuurlijk over zijn ziekte die Chabot, in zijn volgens Xandra niet altijd even waarheidsgetrouwe woordenstroom, wel wat verhulde. Haar stelling is dat Brood niet zozeer zelfmoord pleegde als wel aan euthanasie deed – en dat hij daarin zowel zijn vader als zijn moeder navolgde. Ik weet niet of ik dat allemaal had willen weten. Zoals het mij nu pas opviel dat Chabot bij zijn toespraak op de crematiedag heeft geschmierd: ‘Herman is dood, en dat is zwaar kut’. Een toespeling op Broods reactie na het overlijden van meestervertaler en geestverwant Hawinkels (‘Pé is dood, en dat is kut’).

Xandra verbaast zich over Broods status van knuffeljunk. Ze verklaart het uit zijn publieke vaderschap en relativeert dat met Broods onkunde zijn kind te verschonen. Maar hij kwam voordien al overal mee weg. Ik denk dat het gaat om de gelegitimeerde uitzonderingspositie tegenover de zogenaamde burgerman: er mochten vooral geen verwachtingen zijn die niet pasten bij het nobele-wilden-imago. Xandra internaliseert ze door het knap te vinden dat hij de hele bevalling van Lola in het ziekenhuis is gebleven, terwijl hij die gebouwen ‘haatte’. Een ander aspect van het knuffeljunkschap heette ooit repressieve tolerantie en geldt als het lot van de nar: het binnenhalen van de antistem. In elk geval profiteerde Brood daar financieel van.

Houdbaarheidsdatum

Naar Xandra’s inschatting was Amsterdam in de jaren zestig een hippiecentrum van love and peace, werden de jaren zeventig er door de metro- en krakersrellen grimmiger, en leek de stad in de jaren tachtig, toen zij er ging wonen, ‘iets tot rust te komen’. Tegelijk signaleert ze de recessie en bezuinigingen, en de jeugdwerkeloosheid. En erkent ze dat ze zich bewoog door de zorgeloze en rijke zijde van Amsterdam, het nachtleven van yuppies. Daarin kwam haar talent om van het leven te genieten tot volle ontplooiing.

Als ze eraan toevoegt dat in de Richter het huismedicijn cocaïne was, schept ze meteen een contrast met het decennium waarin Brood zijn grootste successen boekte. Hij bezong toen het leven in de goot, met heroïne en echte junkies. Dat sprak tot de verbeelding, ademde verzet. Er was een ideologische ontvankelijkheid voor het bohèmetype, met als culminatiepunt de egodocumentfilm Cha Cha uit 1979 (die begint met een sprong van een dak). In de Richter nam de aan de ketting gelegde omroep Veronica echter spoedig de lifestylische talkshow RUR op, gepresenteerd door een andere oude bekende, Jan Lenferink, die pontificaal melk dronk. Brood had hem in de jaren zeventig bij de VPRO meegemaakt, bij het radioprogramma Piet Ponskaart.

In de tijd dat Xandra in Broods leven kwam, was de maatschappij veranderd. Grofweg was een sociaaldemocratisch model ingeruild voor een neoliberalistisch. Vele westerse overheden trokken zich terug, zelfredzaamheid moest de oplossing zijn. Bezuinigingen troffen ook kunst en paradoxalerwijs trad moreel een soort regressie in. Toen de uitbundig oordelende Hugo Brandt Corstius in 1985 werd verkozen voor de P.C. Hooft-prijs, een staatsaangelegenheid, weigerde cultuurminister Elco Brinkman hem te sanctioneren omdat de auteur ‘kwetsen tot instrument’ had gemaakt.

Xandra verwijst voor haar liefde met terugwerkende kracht naar ‘Tattoo song’ uit 1984, waar Brood voor het eerst een brede comeback mee trachtte te maken. Het is een pretentieloos reggaeliedje, over een onderwerp dat niet meer controversieel kon zijn. Tattoos begonnen tot de mainstreamfenomenen te horen en zelf nam Brood er steeds meer. Nog een ontdekking: dat er een houdbaarheidsdatum zit aan het coveren van eigen succesnummers. In latere bezettingen is ‘Saturday night’ domweg niet meer te harden, misschien ook omdat de angel ‘I had to hit him to the ground’ voor de Amerikaanse markt al verwijderd was voor ‘just diggin’ sounds’.

Uiteindelijk is Brood volgens Xandra een ‘symbool van het vrije, tolerante en ruimdenkende Nederland’ dat niet meer bestaat. De diverse samenstellingen van de Wild Romance bereikten evenmin de bijna achteloze intensiteit van het trio Lademacher, Cavalli en Meerman uit de toptijd. Haast tragisch is een scène uit de docufilm waarin Brood met zijn jonge drummer Gus Genser een tekst maakt, die Hawinkels gelukkig niet meer hoefde aan te horen. Wel was Genser technisch de beste drummer die de Wild Romance heeft gekend. Maar de soul was verdwenen.

Ook vertelt Xandra dat Brood qua generatie dan wel een kind van de Vietnamoorlog is, maar dat hij daar in zijn kunst nooit wat mee had gedaan. Erg politiek bewust zou hij niet geweest zijn en kranten las hij zelden. Wel wist een televisie-uitzending over de burgeroorlog in Joegoslavië hem te raken, zeker nadat Lola had gevraagd: ‘Papa, waarom doe je niets?’ Het is even komisch als treurig dat Brood volgens Rock-’n-Roll Widow die uitspraak na een lange dag schilderen talloze keren op straat kladde, waarna een meneer kwam informeren wie dat allemaal weer moest schoonmaken.

Genade

Rock-’n-Roll Widow geeft materiaal voor een mentaliteitsgeschiedenis over Brood. Informatie komt steeds meer vrij, bijvoorbeeld doordat stergitarist Danny Lademacher zijn herinneringen heeft vastgelegd in Een fijne hel, een wel wat mythomaan en slordig boek waar foto’s in spiegelbeeld waren afgedrukt. Er bestaan voorts toegespitste memoires van collega-muzikanten als saxofonist Bertus Borgers en drummer Hans la Faille.

Daarnaast is er de magistrale tetralogie van Broods grote vriend Bart Chabot. Hij is een beetje op zijn voormalige idool gaan lijken, een veelgevraagde nar die in talkshows zijn mening mag verkondigen over zaken waar hij niets van af wil weten. Een probleem met Chabots teksten geldt eigenlijk voor bijna alles wat er over Brood is geschreven: het ontbreekt aan een bovenpersoonlijke duiding, aan context dus. Wat dat betreft ligt ook in de secundaire literatuur de top in het begin, met Theo Stokkinks boekje Herman Brood & his Wild Romance uit 1979. Dat bevat documenten en teksten die veel explicieter de culturele omgeving blootleggen.

Wanneer Xandra bijvoorbeeld vertelt over de scheve schaatsen die Brood denkt te kunnen compenseren met bloemenzeeën, dan valt bij Stokkink de naam van die strategie te vinden: Wiedergutmachung. In dat systeem zou Brood later een liedje van Tante Leen opnemen:

Diep in m’n hart
Kan ik nooit boos zijn op jou
Blijf ik je toch altijd trouw
Dat mag je heus wel weten
[…]
Wat een ander van je zegt, kan me niet schelen
Laat ze maar praten, ’k trek me er niets van aan
Want een misstap in ’t leven maken zo velen
Haast iedere mens heeft wel een fout begaan

Stokkink biedt eveneens achtergrond bij Xandra’s terloopse mededeling dat Brood graag Burroughs las – en mogelijk een vuurwapenhobby aan hem te danken had.

Bij deze periode hoort een andere vrouw: Dorien van der Valk. Brood tatoeëerde haar naam op zijn toen nog lege rechterbovenarm. Ongewild maakt Rock-’n-Roll Widow duidelijk dat de geschiedenis zich herhaalt. Na het zoveelste conflict, vertelt Xandra, gooide ze een grote aluminium zoutbus naar Broods hoofd en miste. Dorien verhaalde van een soortgelijke aanval harerzijds op haar geliefde, met een accubak – maar Herman bleef weglopen voor hun werkelijkheid. Mij ontroert dat Brood volgens Xandra een nummer voor zijn gezin heeft geschreven: ‘When I Get Home’. Het gaat hier om ‘Right Now I’m A-Roaming’ van Nick Cave. De late Brood coverde meer liedjes die op geborgenheid terugplooien: ‘Home’ van Iggy Pop en ‘Forever’ van Walet en Nordheim.

Huiselijkheid en de gevolgen van een vaste relatie is meteen een thema op de elpee The Brood uit 1984, al is voorzichtigheid geboden bij zulke observaties. Brood heeft van stonde af tekstregels telkens in andere nummers uitgeprobeerd (op Shpritsz staan zelfs twee verschillende liedjes met dezelfde tekst). En uit de vele YouTube-films van optredens begin jaren tachtig blijkt dit procedé van de harde montage onverkort toegepast te zijn. Om een idee van Broods slopende ziekte te geven, citeert Xandra begrijpelijkerwijs uit het prachtige nummer ‘Dance on’ van Broods laatste cd Ciao Monkey (2001). Maar het fragment komt al voor in een boek van Gerard Wessel uit 1990, bij een foto van een uitgemergelde Ferdi Karmelk, een vroege gitarist van de Wild Romance wiens leven door aids afgebroken werd.

Op het omslag van Rock-’n-Roll Widow staat een van de vele foto’s van het huwelijk op 3 januari 1985. Brood draagt er een petje, want hij had zich net verregaand van zijn weelderige haardos ontdaan. Aan Xandra ontgaat achteraf de parallel niet dat Brood zich vlak voor zijn semipublieke zelfmoord (hij was op een plek van het Hilton gesprongen waar zijn lichaam niet zichtbaar zou zijn) kaal had geschoren.

Ze herhaalt de anekdote over de huwelijksbekrachtiging als door Brood ingestudeerde act. Mij frappeert nu dat hij bij het tekenen van de akte zijn tong tussen zijn lippen perst, alsof er geen misverstand mag bestaan dat hij een groot kind wil blijven. De vraag dringt zich zelfs op in hoeverre zijn beroemde barbaarse handschrift geconstrueerd was. Xandra zegt ook dat het fameuze, in Rock-’n-Roll Widow maar half afgedrukte afscheidsbriefje was gericht aan ‘de family’. In de integrale publicatie in het boek De sprong, dat precies één jaar na zijn dood verscheen, viel echter de spelling ‘famiely’ te ontwaren. Juist in Broods verschrijving, tussen Nederlands en Engels in, zit volgens mij het spel. Er ontstaat tenminste ruimte voor de narcist die anderzijds ondertekent met ‘genade, papa’.

Waarschijnlijk zit hier precies de aantrekkingskracht van deze industrie, en kan ze niet meer inhouden dan verhalen, sterke verhalen, anekdotes, kruidige anekdotes. Het is maar de vraag of dit stopt. De Brood-evenementen herstarten tot nog toe in jaren die eindigen op 1 en 6: voor de herdenking van het sterfjaar 2001 respectievelijk het geboortejaar 1946. Terzijde van Rock-’n-Roll Widow kwam, zeventig jaar nadat Brood nedergedaald was ter aarde, het door Chabot geschreven toneelstuk Chez Brood op de planken. Op YouTube circuleren daarnaast tal van nieuwe beelden en opnames, inclusief 70 The Soundtrack. En toeval of niet, het programma Rambam wist diezelfde dagen aan manager Van Dijk frauduleuze intenties met Broods schilderijen te ontlokken.

Misschien is Rock-’n-Roll Widow vooral ideaal voor het type boek zoals dat bij DWDD is gaan regeren: als getuigenis, te delen met andere individuen die er hun eigen gemeenschap mee scheppen. En met het wat aanstellerige Engels in de titel zal een analogie met Rock-’n-Roll Junkie geambieerd zijn, zodat de echtgenoten ook in taal samenkomen. Voor zover dat nog nodig was bij deze liefdesverklaring van een vrouw die in haar huid naam, geboortedatum en sterfdatum van haar man liet tatoeëren.

Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam, 2016
ISBN 9789038801315
240p.

Geplaatst op 28/02/2016

Deel:

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.