Paraderen rondom de blinde vlek

Verrek, het is geen kunstenaar. Gerard Reve en het schrijverschap

Edwin Praat

Summum van de grote maskerade die Gerard Reve (1923-2006) tijdens zijn schrijverscarrière opvoerde is geen canoniek literair werk zoals De avonden uit 1947, maar het televisiespektakel De Grote Gerard Reve Show, uitgezonden in 1974. Presenteerde (toen nog) Simon van het Reve zich rondom 1947 nog als een existentialistische somberman, het prototype van de ‘Grote Mysterieuze Schrijver’, daar paradeerde hij in 1974 schaamteloos als showmaster ‘Gerard Reve’, ’s lands ‘Koninklijke Volksschrijver’. Deze beweging mag echter niet worden opgevat als een evolutie in Reves levensgeschiedenis, zo maakt neerlandicus Edwin Praat (1980) aannemelijk in zijn intellectueel diepgravende en vaak ook uiterst spannende studie Verrek, het is geen kunstenaar. Veeleer gaat het om het uithouden van een voortdurende slingerbeweging tussen autonoom, zuiver kunstenaarschap en de wetten van de markt en het grote publiek. En dat Reve als kunstenaar zo openlijk flirtte met het plebejische mag even curieus als paradoxaal worden genoemd. Want hij ondermijnde hiermee in feite alle impliciete ‘wetten’ van de kunstwereld – althans zoals die zijn blootgelegd door de bekende Franse cultuursocioloog Pierre Bourdieu.

Cultuursociologie

Volgens Bourdieus ‘sociologie van het culturele veld’ doen de verschillende spelers in dat culturele speelveld (in dit geval literaire auteurs, uitgevers, recensenten, lezers, enzovoorts) er immers alles aan om te ‘verhullen’ dat literatuur met zoiets ondermaans als bijvoorbeeld ‘commercie’ te maken heeft. Allen volgen de ongeschreven spelregel dat literatuur in termen van ‘belangeloosheid’ dient te worden beschreven. En dat literatuur los behoort te opereren van de normale, burgerlijke werkelijkheid van alledag. Aan de vagebondachtige pose van outsiderschap en autonome belangeloosheid ontleent de moderne schrijver het benodigde ‘charisma’. Want juist in de meest zuivere onafhankelijk ogende kunstenaars en kunstuitingen legt het lezerspubliek nog de grootste waarde. Wie zichzelf en anderen er immers van overtuigt dat dit artistieke spelletje werkelijk leidt tot iets diepzinnigs, bevestigt zichzelf als behorend tot het selecte groepje ingewijden dat goede smaak bezit. Dat levert de literatuurminnaar autoriteit (symbolisch kapitaal) op in de samenleving.

De schrijver wordt stilzwijgend geacht dit spel van (zogenaamd) zuivere belangeloosheid mee te spelen. Volgens Bourdieu kan de schrijver alleen succes genereren door de ‘illusio’ in stand te houden. Zou de literaire schrijver ruiterlijk toegeven dat hij mikt op effectbejag en verkoopcijfers, dan zou de illusie dat het kunstveld veel meer is dan zomaar een spel opzichtig worden doorgeprikt. Doet de kunstenaar dit toch, dan wordt dat ervaren als een spelbreuk die hem tot paria maakt. Hij veroordeelt zichzelf daarmee tot de wereld van kitsch en massacultuur. Maar vreemd genoeg gaat dit niet op voor Reve, die zich als een van de eerste moderne schrijvers een identiteit aanmat die in het huidige literaire landschap wellicht al veel positiever zou worden benoemd als ‘cultureel ondernemer’ en ‘bruggenbouwer’ tussen de artistieke elite en het publiek. Toen, voor de opkomst van de massacultuur, lapte Reve met die posturering alle bourdieuaanse wetten aan zijn laars, waarmee hij liet zien dat het wel degelijk mogelijk is om de illusie van zuivere kunst te doorbreken zonder aan populariteit in te boeten bij de kunstminnaar. Maar betekent dit nu ook, zoals Praat uiteindelijk concludeert, dat Reve wees op een fundamentele ‘blinde vlek’ in Bourdieus sociologie?

Jongleren met tegendelen

Gewillig leende Reve zich voor De Grote Gerard Reve Show, een idee uit de koker van de begaafde (en jonggestorven) regisseur Rob Touber. Alle rollen die Reve zich tijdens zijn schrijverscarrière had aangemeten passeren de revue: schrijver en dichter, beroepsprovocateur en burleske sadist, katholiek en homoseksueel, artistieke alcoholist en sombere nihilist. En last but not least ook de populistische anti-intellectualist die, bijgestaan door volkszangers als Gerard Cox en Adèle Bloemendaal en een spetterend showballet, het volk stroop om de mond smeerde. Het door Reve uitgesproken openingssonnet is veelzeggend:

Zie ik het goed? Is het echt waar?
Verrek, het is geen kunstenaar,
Het is een mens, echt uit het leven.
Het is onze eigen Gerard Reve.

Weg met die verknipte intellectueelders
Reve voor de bloembolteelders!
Voor ú, niet voor die sjieke troep
die niets meer leest als pies en poep
Vanavond pret voor échte mensen,
vooruit, de broek uit en maar jensen!

De variété van voorgedragen kwinkslagen, gedichten, liedjes en schunnigheden die zich uitrolt, moeten we volgens Praat begrijpen als een jongleerspel waarmee Reve een eenheid in de tegendelen creëerde. Enerzijds paaide Reve het grote publiek door zich aan de kant van het volk te scharen. Anderzijds wist Reve toch ook de rol van de voor het kunstpubliek interessante buitenstaander voortreffelijk te vertolken. Reve flirtte voortdurend met het romantische beeld van het moedwillige buitenbeentje, bijvoorbeeld in de gedaanten van de absurdist, de katholieke homoseksueel en de duistere schrijver met gefronste wenkbrauwen. Het meest vernuftig is Reves spel wanneer hij het beeld van de volksschrijver gebruikte om het pretentieuze spel van zuivere buitenstaanderliteratuur te ontmaskeren, terwijl hij tegelijkertijd parasiteerde op diezelfde outsiderslogica van het zuivere kunstenaarschap. Wat is er immers rebelser dan binnen de Republiek der Letteren te beweren dat alles slechts om plat vermaak gaat?

Realiteit van de charlatan

Reves dubbelspel laat zich volgens Praat evengoed terugvinden in diens gehele oeuvre. In de fictie openbaart zich de realiteit achter de fictie die – o Reviaanse ironie! – toch ook weer niets dan fictie blijkt te zijn. Reve ontmaskerde de kunst als niets dan charlatanerie, maar bleef ondertussen zelf verscholen achter het masker van de ironische kunstenaar die niet voor een gat te vangen is. Neem de roman Een circusjongen (1975). Wat begint als een zuiver fictief verhaal, wordt al snel doorbroken door allerhande hyperbolen, karikaturen en omkeringen die benadrukken dat zoiets als zuivere literatuur niet bestaat. Het is eerder het werk van een kunstenaar die expliciet vecht voor status. Dat blijkt bijvoorbeeld wanneer deze artiest, in de gedaante van een acrobaat, in gesprek raakt met de koningin:

‘Ja… zoals U sommige dingen weet te zeggen en te vertellen,’ sprak zij [koningin] op peinzende toon. ‘Ook in Uw boeken… En toch… toch aarzelt men, en verzet men zich als het ware, en vraagt men zich af: meent hij alles nu werkelijk, zoals hij het zelf schrijft en vertelt?… Anderen weet hij mede te voeren, maar blijft hij niet zelf op een of andere wijze boven al die gevoelens verheven, die hij oproept en beschrijft?…’
‘Als een soort handige acrobaat, bedoelt U?’
‘Nu ja… inderdaad, zo ongeveer…’
‘…die hoog boven het publiek zijn schitterend, zijn kunstig evenwicht bewaart door telkens bliksemsnel van houding te veranderen?…’
‘U zegt het zelf beter dan iemand anders het zou kunnen, Mijnheer…’
‘Ja, hoog boven het publiek zweef ik, Mevrouw, in een bang evenwicht, dat elke sekonde opnieuw veroverd moet worden… […]’

Ook hier vindt de lezer dezelfde kermiswaarheid terug die Reve eerder al eens kernachtig had uitgesproken tijdens de door de televisie geregistreerde huldiging als P.C. Hooftprijs-winnaar. Dat was in 1969, toen hij steeds vaker het verwijt kreeg de ongrijpbare clown uit te hangen, waartegen hij riposteerde:

Ja, dat is waar. Ik ben een acteur, ik ben een komediant, ik ben de charlatan, en een clown. Maar het krankzinnige is, dat de rol die ik speel, dat ik dat ben, en dat ik vanavond, dat geloof ik in diepe ernst, eigenlijk niets gezegd heb wat ik niet heb gemeend.

Juist van achter het masker van de kunstenaar kon hij alles in alle ernst en openheid verkopen, of dat nu ging om racistische boutades, of zelfs om de ongehoorde boodschap dat kunst onscheidbaar is van de (economische en morele) wetten van de maatschappij.

Blinde vlek

Als ‘burger-schrijver’ acteerde Reve in feite zélf als een soort Bourdieu die het literaire spel zou ontmaskeren als een strijd om status en autoriteit, zonder dat die status zich ook maar op iets substantieels mocht baseren. Maar tegelijkertijd wijst deze Reve volgens Praat ook op een blinde vlek in de cultuurtheorie van Bourdieu. De socioloog ging er immers van uit dat alle spelers in het spel het spelletje moeten meespelen dat kunst iets buitengewoons voorstelt. Daarom is er een cultuursocioloog nodig. Die observeert het spel namelijk van buitenaf en kan zodoende het publiek bewustmaken van de illusie. Maar door middenin het culturele spel openlijk toe te geven een charlatan te zijn, tart Reve die logica. Reves literaire spel, zegt Praat, illustreert vooral dat het allemaal nog listiger werkt dan Bourdieu wellicht voor mogelijk hield. Door de fictie van de fictie te openbaren en te laten zien dat zoiets als charismatische literaire autonomie niet bestaat, werkte Reve zichzelf tegelijkertijd in de onafhankelijke positie van de charismatische buitenstaander – en won hij aan succes.

Maar had Bourdieu dit werkelijk over het hoofd gezien? Ja en nee, vermoed ik. In zijn academische werk vertoont Bourdieu, zoals Praat hem bekritiseert, inderdaad de neiging om een tamelijk schematische tegenstelling te suggereren tussen de door de illusie bedwelmde spelers in het spel en de ontnuchterende sociologische observant daarbuiten. Het is echter de vraag of Praat niet zelf ook een blinde vlek vertoont, wanneer hij geen aandacht schenkt aan het feit dat het schematisme van Bourdieu vooral een doelbewust artificieel vertelstandpunt was voor de socioloog om de ontmaskering te voltrekken. Want Bourdieu zag wel degelijk in dat literaire schrijvers sociale kritiek kunnen leveren, zoals omgekeerd ook wetenschappers rollen spelen in het academische spel, om symbolisch gezag en spreekrecht te verwerven. Dat blijkt bijvoorbeeld uit enkele fascinerende uitspraken die Rokus Hofstede optekende tijdens de door Bourdieu verzorgde sessies aan het Collège de France en tijdens een Amsterdams seminarie in 1994 ter gelegenheid van de Nederlandse vertaling van Les règles de l’art. In Hofstedes aantekeningen van Bourdieus woorden in de colleges valt te lezen:

1. Het probleem van het vertelstandpunt, van de afstand tot het vertelde, is een probleem dat sociologen en schrijvers gemeen hebben. In hun poging om het standpunt van het verhaal te beheersen, herken ik mij in schrijvers als Flaubert of Proust. […] Wat mij bij een literatuurwetenschapper als Genette irriteert, is dat hij die eigenschappen ook wel ziet, maar er vervolgens iets formalistisch van maakt. Terwijl het juist heel realistisch is: het gaat erom jezelf in staat te stellen de maatschappelijke werkelijkheid vanuit een veelheid van gezichtspunten onder woorden te brengen. Ook Proust werkt in dat register. […] In zijn beschrijving van maatschappelijke mechanismen is hij volgens mij een van de grootste sociologen die heeft bestaan. […] Voor sociologen is dat fascinerende lectuur. […] Schrijvers hebben enorme verantwoordelijkheden. Wie literatuur bedrijft, speelt met vuur. Vaak leveren ze een soort sociologie in vermomming. […]

2. Ik kan u verzekeren dat het een vraag is die ik mij vaak heb gesteld: is het niet tegenstrijdig hoogleraar aan het Collège de France te zijn en de dingen over de sociale wereld te zeggen die ik zeg? Maar ik geloof dat je een gezaghebbende positie niet alleen hoeft te gebruiken om je op je gezag te laten voorstaan. Je kunt die positie ook gebruiken om dingen te zeggen die juist discrediterend zijn, voor jezelf of anderen.

Bourdieu zegt hier niet alleen dat schrijvers in vermomming een soort sociologie bedrijven, zoals Reve inderdaad sociale kritiek bedreef zonder zijn vermomming ooit volledig af te werpen, maar ook dat sociologen zelf hun vermomming moeten inzetten om het spel te ontmaskeren. Ook de wetenschapper kan niet anders dan de ‘illusio’ in stand houden dat deze buiten de illusie verkeert, terwijl hij er evengoed middenin zit. De wetenschapper ontleent zijn symbolisch gezag net zo goed aan een zekere pose van de observerende buitenstaander. Wel is het volgens Bourdieu de taak van de sociale wetenschapper, en daarin kan iedere socioloog lessen te nemen bij kunstenaars en schrijvers als Reve, om te proberen het (eigen) rollenspel te doorzien en te trachten om de spelregels voortdurend te doorbreken die machtsrelaties en autoriteit fixeren. Beiden, schrijver en socioloog, vinden elkaar in het bewustzijn van de blinde vlek die altijd blijft bestaan, hoezeer de courante ‘illusio’s’ (werkzaam in het veld van de kunst, maar evengoed in de economie, de politiek, enzovoort) die eigen ongegrondheid ook proberen te verhullen. Waar men in het dagelijks leven graag doet alsof het allemaal in een onveranderlijke natuur is gegrond, paraderen kunst en wetenschap doelbewust rond de blinde vlek in onze beeldvorming – want dat is de plaats waar ook de mogelijkheid ligt om het allemaal nog eens met andere ogen te zien. Zo onzinnig is die artistieke parade van Reve dus allerminst, hoezeer hij de kunst ook ontheiligde.

Amsterdam University Press, Amsterdam, 2014
ISBN 9789089646835
480p.

Geplaatst op 14/03/2015

Deel:

Reacties

  1. erwin gaur

    Een opmerking en relativering: Bourdieu beweert niet dat kunstenaars de ‘inversie van de economie’ hun carrière lang vol (moeten) houden: hij stelt dat investeren in sociaal en cultuur kapitaal in het Veld van Culturele Productie noodzakelijk is om later in een carrière de opgebouwde kapitaalvormen (ten dele) om te wisselen naar economisch kapitaal. Direct openlijk streven naar economisch kapitaal is volgens zijn analyse een slechte strategie binnen dit Veld. Ook Bourdieu is in zijn beweringen kortom subtieler dan zowel de recensent als de gerecenseerde hier lijken te beweren.

  2. Daan

    Volgens de recensent (en volgens mij ook volgens de gerecenseerde) is het niet zo dat PB de noodzaak van economisch kapitaal ontkent of afwijst en dat het niet toegelaten zou zijn om symbolisch kapitaal te verzilveren in de vorm van economisch kapitaal (maar misschien is die indruk ten onrechte gewekt). Wel is het zo dat het als argument binnen het kunstdiscours allerlei problemen veroorzaakt, kraakhelder beschreven door de gerecenseerde, aan de hand van Reve en PB’s filosofie.

  3. erwin gaur

    Het zal aan mij liggen: mij ontgaat dan dus de veronderstelde ‘blinde vlek’.

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.