Provare a = cercare di

‘Ik bak een taart in een nieuwe taal. / Elke lepel moet ik wegen. Ik breek // een ei en zie mijn twijfel kleven / aan de kartels.’

Maria Barnas – Nieuwe taal

 

1

Dit had Spanje kunnen zijn. Als ik goed om mij heen kijk, zou ik mijzelf ervan kunnen overtuigen dat deze zon, die op de kleurrijke gevels slaat, een Spaanse zon is. Als ik kijk naar de oude vrouw die met een emmer over het plein zeult, naar de smetteloze man in pak die zich loom van links naar rechts door mijn blikveld beweegt of naar de mensen die elkaar midden op het plein zonder gêne, zonder mondmasker ook, omhelzen en op de wangen kussen, dan zou ik haast kunnen denken dat ik niet hier, maar in een ander land, op een andere plek ben. Zelfs het net niet verstaanbare gebrabbel van de mensen om mij heen lijkt van de harde klanken van het Nederlands te zijn ontdaan en getransformeerd in één of andere zuidelijke tegenhanger. Zolang ik maar niet hier hoef te zijn. Zolang ik maar niet in deze taal hoef te leven.

Ik richt mijn aandacht weer op mijn al even kleurrijke lesboek Spaans, waar ik, door de hitte, nog geen enkel woord uit onthouden heb. Dit is het enige goede wat ik over heb gehouden aan maanden in hetzelfde huis, in dezelfde kamer doorbrengen. Een lokaliteit die bij mij een drang naar weidsheid opriep en dus besloot ik maar een nieuwe taal te gaan leren. Om zo heel even in iets of iemand anders te kunnen wonen. Alleen was ik even vergeten hoe moeilijk het is om aan jezelf te ontsnappen. Hoe moeilijk een nieuwe taal leren eigenlijk is. Dus nu zit ik hier, zoals vroeger om drie uur ‘s ochtends op de dag van een proefwerk, woordjes, zinnetjes en grammatica uit mijn hoofd te leren, waarvan ik er natuurlijk nog niets echt onthouden heb.

 

2

Ik heb altijd moeite gehad met in talen wonen. De eerste keer dat ik mij daarvan bewust werd, was toen mijn moeder boos op mij werd, omdat ik twee uur later dan gewoonlijk uit school was thuis gekomen. Ik had er zelf nooit iets geks aan gevonden dat ik langzamer was dan de rest van mijn klas. Ik had het opgevat als een teken van mijn ijverigheid. Ik ging gewoon met meer aandacht en zorg te werk dan al die andere kinderen, die er maar wat met de pet naar gooide. Dat ik daardoor soms na moest blijven, was voor mij dan ook helemaal geen probleem. Ik hield wel van die stille uren in dat leeggelopen klaslokaal, als een monnik over mijn werk gebogen.

Maar zelfs in mijn kindertijd bleek efficiëntie al een groter goed dan zorgvuldigheid. Niemand, noch mijn moeder, noch mijn leraren, noch de conciërge, had zin of tijd om te wachten tot ik eindelijk mijn zinnen aan elkaar had weten te rijgen. Dus werd ik aan een legertje didactische professionals overgeleverd, die na grondig onderzoek niet anders konden dan concluderen dat ik dyslectisch was. De meeste testen had ik met glans doorstaan, maar wat mij uiteindelijk verraden had, was dat ik enorm had zitten stuntelen bij het voorlezen van een rijtje pseudowoorden, woorden die niet echt bestaan maar wel op woorden lijken. Niet eens de taal zelf, maar slechts dat wat op taal leek, had mij van haar buitengesloten.

Ook later werd ik er constant op gewezen dat ik niet in talen thuis hoor. Toen ik mijn eindexamen Grieks een half uur later dan de rest van mijn klas inleverde, tijd die mij met een dyslexieverklaring op zak gegund werd om extra zorgvuldig te zijn, vroeg de scheikundedocent, die mij voor een verder volledig lege aula had zitten surveilleren, waarom ik in godsnaam voor Grieks gekozen had. ‘Ik heb zelf ook dyslexie en ik snapte daar vroeger echt geen bal van.’ Dat ik net Homerus had vertaald, deed blijkbaar niet ter zaken.

Of later nog, toen ik mezelf schoorvoetend had overgegeven aan een of andere innerlijke drang om de taal dan maar zelf te gaan opeisen en aan een schrijfopleiding te gaan studeren, kwam er die opmerking van die ene docent. Die docent die mij, die nadat ik uit tijdsgebrek een tekst had ingeleverd die ik niet goed genoeg had nagelezen en die dus nog vol taalfouten stond, zei: ‘Wie zulke fouten maakt, wordt als schrijver nooit serieus genomen.’

 

3

Toen ik jaren na mijn diagnose van mijn moeder het boek met de klinkende titel De gave van de dyslexie te lezen kreeg, was ik vooral geïnteresseerd in het lijstje van bekende mensen die blijkbaar ook dyslexie hadden gehad. Klinkende namen als Leonardo da Vinci, Winston Churchill, Walt Disney, Albert Einstein, Whoopi Goldberg en Dennis Bergkamp passeerde de revue. Maar tussen al deze staatslieden, wetenschappers, acteurs en voetballers, bevond zich ook wel geteld één schrijver, de Ierse dichter en Nobelprijswinnaar W.B. Yeats. Ik haalde opgelucht adem. Het was dus mogelijk, dyslectisch zijn en toch een Nobelprijs voor de literatuur winnen.

Weer later zie ik op Facebook een nieuwsitem voorbij komen. ‘tienjarig dyslectische meisje schrijft boek’, kopt het. Ik klik op het bijbehorende filmpje. Een klein hoogblond meisje verschijnt glimlachend voor de camera en houdt een kanariegeel boek omhoog. Op het omslag een titel in de trant van Zoentips van een dyslexiediva. Haar al even hoogblonde moeder glundert, terwijl zij vertelt hoe trots ze op haar dochter is. ‘Het ontroert mij dat je met zo’n beperking toch nog zover kan komen’, zegt ze haast met de tranen in haar ogen.

Je mag dan wel een Nobelprijs willen winnen, denk ik, maar dit is hoe je door de rest van de wereld gezien zal worden. Dit is wat de wereld van je gaat willen maken: iemand met wie je medelijden zou moeten hebben.

 

4

Actrice Mira Bryssinck schrijft in een essay voor tijdschrift rekto:verso, dat ze met zichzelf een pact had gesloten om nooit werk over haar beperking te maken. Maar slechte ervaringen met typecasting, framing en onderrepresentatie deden haar toch in de pen kruipen. Ze schrijft: ‘Toch lijkt, binnen een voorstelling, één laag uit de complexe structuur van mijn identiteit – namelijk mijn beperking – steeds alle andere te domineren. Komt dat door de maatschappelijke perceptie van beperkingen? Of veeleer door de povere representatie van mensen met een beperking op de scène? Wat maakt een beperking zo dominant binnen het complexe tekensysteem van de dramaturgie?’

Hetzelfde vraag ik mij, als dyslectische schrijver, vaak af bij taalfouten. Wat maakt een taalfout zo onvergefelijk? De dramaturgie van een tekst bestaat toch nog uit zoveel meer dan alleen maar spelling? Wat maakt dat inhoud, symboliek, ritmiek en woordkeuze allemaal teniet kunnen worden gedaan door zoiets simpels en onbenulligs als een dt-fout? Waarom word ik gediskwalificeerd om verhalen te vertellen, puur en alleen vanwege het feit dat ik de tweede ‘s’ in ‘misschien’ soms vergeet en soms even niet meer weet of je ‘hoe dan ook’ nu los of aan elkaar schrijft? Komt dat door de maatschappelijke perceptie van dyslexie? Of veeleer door de povere representatie van mensen met dyslexie in de literatuur? Wat maakt een taalfout zo dominant binnen het complexe tekensysteem van de taal?

 

5

Taal is in de eerste plaats een betekenisgever. Het biedt ons houvast in een onoverzichtelijke wereld. Het verbindt ons aan dat wat wij niet begrijpen. Wat wij ingewikkeld of angstaanjagend vinden, plaatst de taal voor ons in een context waarbinnen het bestudeerd en begrepen kan worden. Maar op het moment dat er binnen dat systeem een fout word gemaakt, lijkt daarmee ook de gegenereerde betekenis op losse schroeven te komen staan. De chaos van de wereld sluipt, door de scheur die de taalfout veroorzaakt, ons goed geoliede interpretatiesysteem binnen. Er komt zand in de motor van ons wereldbeeld en de wrijving die dat veroorzaakt, maakt dat we gemakkelijk oververhit raken.

Ik heb mij al vaak afgevraagd wie toch die mensen zijn die de tijd en de mentale ruimte hebben om, als ze ergens taalfout tegenkomen, daar direct melding van te maken. Volgens mij moeten ze rijk zijn. Arme mensen hebben, volgens mij, geen tijd om zich druk te maken over dat soort zaken. Verder zijn ze waarschijnlijk hoogopgeleid, vermoedelijk al een beetje op leeftijd en mogelijks man. Uit ervaring weet ik dat mannen maar al te graag altijd hun gelijk willen halen. Kortom: dus precies die mensen die het toch al het gevoel hebben het voor het zeggen te hebben in deze wereld.

Taal, is naast een betekenissysteem, namelijk ook een manier om te bepalen wie serieus genomen dient te worden. Wie er mag spreken en wie moet zwijgen. Taalfouten zijn daarbij een makkelijk uitsluitingsprincipe. Wie de taal niet goed genoeg beheerst, daar hoeft niet naar omgekeken te worden. Niet voor niets dat we mensen die hier asiel aanvragen aan een taaltest onderwerpen voor ze een verblijfsvergunning kunnen krijgen. Niet voor niets dat hiphop en slam poetry tot voor kort door de culturele elite niet serieus genomen werden. Niet voor niets dat kranten en andere reguliere media het vaak nog zo moeilijk vinden om voornaamwoorden als ‘hen’ en ‘die’ voor non-binaire personen te gebruiken. Omdat de taal die in deze voorbeelden gehanteerd wordt niet ‘juist’ is, mag erop worden neergekeken.

 

6

In 2015 besluit schrijver Jhumpa Lahiri alleen nog maar in het Italiaans, een taal die ze zichzelf heeft aangeleerd, te schrijven en daarmee dus een Italiaanse schrijver worden. Een opmerkelijke keuze in tijden van identiteitspolitiek en culturele appropriatie, zeker voor een auteur wiens eerdere werk sterk leunde op de gespletenheid tussen de twee verschillende culturen waar ze in opgroeide, de Amerikaanse en de Indiase. In een interview in The Guardian vertelt ze dat ze zich in het Engels eigenlijk altijd een soort linguïstische vluchteling heeft gevoeld. Bengaals, de taal die ze sprak tot ze vier was, is voor haar zowel haar moedertaal, als een vreemde taal. Omdat ze het nooit heeft leren schrijven, bleef het altijd ergens de taal van haar ouders. Maar berooft van een echte moedertaal heeft het Engels voor haar nooit een hogere status kunnen verwerven dan die van een boze stiefmoeder. Ze zegt: ‘Paradoxically, the fact that there was not even a question of really belonging in Italy, finally freed me from being caught between two languages. That is to say, having to choose between two ways of being, two ways of thinking. In poche parole, in few words, it has given me a true sense of belonging, fully recognising that it is “a sense”.’

Hoewel ik nooit gespleten heb gezeten tussen twee talen, herken ik wel het verlangen om ergens volledig deel van uit te willen maken. Het gevoel ergens bij te willen horen, maar er tegelijkertijd van buitengesloten zijn. Het gevoel je moedertaal te ervaren als een bestraffende stiefmoeder. Het Nederlands is voor mij altijd de taal geweest waarin ik op mijn hoede heb moeten zijn. Onze relatie is weerbarstig, onstuimig en met momenten pijnlijk. Ik wil dat ze van mij houdt en dat ik van haar kan houden, maar er is al te veel tussen ons gebeurd om nog onbevangen tegenover elkaar te kunnen staan. Ik ben al te vaak door haar in de steek gelaten.

Maar sinds kort ken ik, net als Lahiri, de bevrijding die het leren van een andere taal met zich kan meebrengen. Waarom juist Spaans en waarom juist nu, zijn vragen die ik mij vaak heb afvraagd, terwijl ik en drie andere studenten, in een digitale leeromgeving met een haperende internetverbinding, tapas bij elkaar probeerden te bestellen. Maar feit is dat ik, hoewel ik deze taal waarschijnlijk nog niet eens goed genoeg beheers om er in de werkelijkheid tapas mee te bestellen, er een vrijheid in heb ervaren, die ik al lange tijd niet meer in het Nederlands heb gevoeld. In het Spaans zal ik nooit als vreemde gezien worden, omdat ik er al een vreemde in ben. Omdat ik niet in deze taal geboren ben, is het mij geoorloofd om fouten te maken. Ik mag erin uitproberen, zonder daarvoor op mijn vingers getikt te worden. Maar in mijn eigen taal zal ik me altijd moeten blijven verantwoorden. Zal ik altijd moeten blijven uitleggen waarom ik ben zoals ik ben.

 

7

In een podcast met Jeff Tweedy, zanger van de band Wilco, vraagt interviewer Ezra Klein naar waar het uiteindelijk misschien wel voor elke kunstenaar om draait: wat doe je als je je eigen werk slecht vindt? Klein zegt: ‘I’m like a skilled writer. I get paid to write words for The New York Times. And partially because I’m a skilled writer I try to read a lot of poetry. But sometimes I try to sit down and write poetry and I can’t get over how bad it feels to me. How bad it feels to be so bad at it.’

Terwijl Tweedy Klein op de sofa legt, voel ik mij ook hoe langer hoe meer betrapt: ‘So I think you have identified one of the main things that keep people from doing creative things, and that’s the idea that what they make is going to be bad. But even today, after writing thousands of songs, I know that I still have to go through something bad to get to something good. I think you always have the potential to make something good or bad. With your poetry it doesn’t really sound like you were really able to get to a point where you could get lost in the process and disappear in it. Otherwise you wouldn’t really care whether it was good or bad what you were doing.’

Ergens slecht in zijn, is ingebakken aan dyslexie hebben. Ook ik kan niet in het schrijven verdwijnen omdat er altijd een stemmetje in mijn achterhoofd aanwezig zal zijn dat zegt: ‘Er staat vast nog wel ergens een fout in deze tekst.’ Fouten waar ik mijzelf ook niet kan op kan corrigeren aangezien het nu net het niet kunnen herkennen van fouten is waar alle problemen mee beginnen. Ik laat mijn teksten vaak genoeg nalezen door anderen en ben dankbaar voor iedereen die dat in het verleden al eens gedaan heeft. Maar het naar buiten moeten treden met een tekst voordat je hem zelf als goed genoeg beschouwt, doorbreekt de vertrouwelijke bubbel die de auteur met zijn werk opbouwt. Het ontneemt mij de mogelijkheid om in het werk op te gaan en er lak aan te hebben of wat er aan de andere kant uit komt goed of slecht is.

Daarom zou ik jullie graag een voorstel willen doen. Een idee willen voorleggen. Een gedachteoefening met jullie willen doen. Ik zou jullie graag willen verzoeken om alle taalkundige fouten die eventueel nog in deze tekst, of in al mijn andere werk, te vinden zijn, voor waar en juist aan te nemen. Probeer ze te zien als integrale literaire componenten van mijn artistieke stem. Zie ze in plaats van als fout, als elementen die interpretatie behoeven. Bouwstenen, waar literatuurwetenschappers nog eeuwenlang hun tanden op kunnen stuk bijten. Ik heb ze gemaakt, die fouten. Ik eis ze op. Ik eis het recht op om fouten te mogen maken. Ik eis het recht op om menselijk te mogen zijn. Ik ben menselijk, dus ik maak fouten. Jullie zijn ook menselijk, dus dan mogen jullie dat ook.

 

8

Ik kijk op van mijn woordenlijst. De zon begint al achter de gekleurde gevels te schuiven. Ik besluit er mee op te houden voor vandaag. Ik bestel een aperitief en sla het boek Met andere woorden open, waarin Jhumpa Lahiri haar ontdekkingstocht van het Italiaans beschrijft. Daarin koopt ze ter voorbereiding op haar eerste reis naar Italië een woordenboek. ‘Op de eerst bladzijde schrijf ik op een gegeven moment: provare a = cercare di; “proberen om = trachten te”. Dat willekeurige fragment, die lexicale vergelijking zou een metafoor kunnen zijn voor de liefde die ik koester voor het Italiaans. Iets wat eigenlijk niets anders is dan een hardnekkig pogen, een voortdurend streven.’ Proberen om = trachten te, denk ik. Ik klap mijn laptop open en kijk om mij heen. Naar de oude vrouw die met een emmer over het plein zeult. Naar de smetteloze man in pak die zich loom van links naar rechts door je blikveld beweegt. Naar de mensen die elkaar midden op het plein zonder gêne omhelzen en op de wangen kussen. Dit had Spanje kunnen zijn, denk ik. Ik zet mijn vingers op het toetsenbord en begin te schrijven.

 

Dit essay verscheen eerder al in #41 Gêne van Kluger Hans (2021). Dit literaire tijdschrift is een boorplatform voor beginnend schrijftalent. Voor meer info kan je terecht op klugerhans.org.

           

Logo-ontwerp: Job Boot, www.jobboot.nl

Geplaatst op 28/11/2023

Naar boven

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.