cover big

Nevengeschikt debuut

Matthijs de Ridder

Over Hoe de wereld perfect functioneert zonder mij van Joost Vandecasteele

De Arbeiderspers, Amsterdam, 2009,
ISBN 978 90 295 6773 2 / 206p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 23-07-2009

Bookmark and Share

Een debuut dat met een nevenschikking begint, moet haast wel de voortzetting zijn van iets dat ons niet wordt meegedeeld. In het geval van Joost Vandecasteeles (1979) Hoe de wereld perfect functioneert zonder mij zou dat kunnen wijzen op het logische vervolg van een langzaam luidruchtiger wordende opmars langs literaire tijdschriften als De Brakke Hond, Deus Ex Machina en De Revisor, waarin het overgrote deel van de hier gebundelde verhalen voor het eerst verscheen. Maar deze bundel is ook een voortzetting in de meest letterlijke zin. De Vlaamse debutant schetst in zijn debuut namelijk een beeld van hoe de wereld er morgen zou kunnen uitzien. Het is het alternatieve vervolg op wat het begin van alle begin is: ‘In den beginne schiep God den hemel en de aarde’, de aanzet tot menig nevengeschikte zin.

Vandecasteeles voortzetting van de schepping luidt als volgt: ‘En de ochtend daarop kleefde nog steeds op mij de geur van sigaretten en goedkoop glijmiddel.’ Toegegeven, het begin van deze tweede dag herbergt veel minder poëzie dan die uit de Bijbel, maar het is een effectieve echo van de dag waarop God het water van het land scheidde en het land voorzag van zaadvormende planten. Al snel wordt duidelijk dat het Vandecasteele niet te doen is om vruchtbaarheid of zelfs de schepping. Zijn universum begint namelijk met een haast obsessieve uitdrijving van de Heer uit een vroom meisje, dat het licht van de eenentwintigste eeuw lijkt te hebben gezien. Dit perverse exorcisme voltrekt zich natuurlijk met onnoemelijke hoeveelheden seks; een therapie die niet alleen een heel nieuw universum oplevert voor het ooit zo godsvruchtige meisje, maar ook voor de ik-figuur. Dat de moderne seculiere wereld geen plaats is voor diepgaande relaties wist deze haast cynische twintiger natuurlijk wel, maar het feit dat zijn ijverige volgelinge daar in no time aan onderdoor gaat, raakt hem uiteindelijk toch. In een samenleving waarin niemand noodzakelijk lijkt te zijn, is de beslissing om er geen deel meer vanuit te willen maken snel genomen. Noem het de ultieme vorm van vrijheid, maar in Hoe de wereld perfect functioneert zonder mij is deze vrijheid juist een beklemmende factor.

Het beklemmende zit hem bij Vandecasteele niet eens zozeer in het uitzichtloze van het moderne leven, als wel in de constante dreiging van alternatieve scenario’s of het gevoel dat alles in tweede instantie misgaat. Het alternatieve scheppingsverhaal is daar een voorbeeld van, en ook ‘Genesis: CityBis’, het tweede verhaal dat heel letterlijk doorgaat op het pseudo-Bijbelse elan, biedt een blik in de angstaanjagende mogelijkheid van een parallelle wereld. CityBis is een winkelcentrum annex woonkazerne, dat – zoals de naam al doet vermoeden – zo enorm groot is dat het een stad in een stad is geworden: ‘Een plek waar de consument nooit meer dan honderd meter verwijderd is van het product.’ De afstand tussen wat de commercie bedenkt en het ‘echte leven’ wordt vervolgens zo groot dat CityBis al snel zijn eigen logica kan hanteren. ‘Hebt u al onze nieuwe verse melk met echt vruchtvlees geprobeerd, meneer?’ Het is een vraag waar de gemiddelde klant niet meer van opkijkt.
Maar hoe vatbaarder men wordt voor de verleidingen van het alomtegenwoordige kapitalisme, hoe moeilijker het wordt om contact te hebben met een mens van vlees en bloed. Probeer elkaar ten eerste maar eens te vinden, in het winkelcentrum met ontelbaar veel verdiepingen, vleugels en uithoeken. En als dat dan toch is gelukt, dan blijkt het bijna onmogelijk om een oprecht gesprek te voeren. Relaties worden voorgewend en seksuele verlangens moeten in het geniep worden bevredigd. Hetgeen in een krappe en helverlichte wc eigenlijk een onbegonnen zaak is. Genot is in dit consumentenparadijs met andere woorden moeilijk te vinden.

Er is één personage dat garant lijkt te staan voor de hoop op beterschap. Het meisje Brulletje, dat her en der in de verhalenbundel opduikt, is het soort vrouw van wie ex-minnaars blijven houden. Zij vormt de herinnering aan hoe echte liefde er ook al weer uitzag, maar als zelfs Brulletje blijkt te kunnen functioneren (weliswaar niet perfect, maar toch) zonder haar geliefden, is ook die hoop vervlogen.

En om ook hier maar eens een alinea met een nevenschikking te beginnen: waar hebben we dat eerder gelezen? Zo’n beetje overal zou een niet eens bijzonder overdreven antwoord kunnen zijn. En – nogmaals een nevenschikking – dat is op zich nog niet zo erg, maar Vandecasteele weet nooit echt een eigen draai aan deze materie te geven. Zo uitdagend en grappig als dit alternatieve scheppingsverhaal begon, zo snel verzandt het ook in clichés. Al sinds de late jaren tachtig verdwaalt Generation X in bijna autonoom opererende steden, verdrinkt ze in een overvloed aan keuzemogelijkheden en wordt seks ingezet als een frustrerende vorm van vrijetijdsbesteding. Vandecasteele weet daar niet erg veel aan toe te voegen. Jay McInnerney, Bret Easton Ellis, Douglas Coupland, Haruki Murakami en Paul Mennes lijken allemaal een partij mee te blazen in deze compositie, die maar geen eigen klank wil krijgen.

Daar komt nog bij dat Vandecasteele zijn lezers ook niet meteen voor zich weet te winnen met zijn stijl. Hij schrijft direct en bij vlagen zelfs lomp proza, wat in dit geval zeer effectief had kunnen zijn, ware het niet dat deze aanpak bij herhaling ontspoort. Zijn strategie is die van de boude bewering en de onwaarschijnlijke fantasie en dat is een zeer moeilijk stijlmiddel om in de hand te houden. Wat als uitdagend, of licht provocerend bedoeld was, wordt namelijk al snel banaal of zelfs puberaal. Als de bevolking aan het begin van het boek zo langzamerhand genoeg heeft van de vrede en begint te roepen om een oorlog, dan werkt dit nog prikkelend, maar als er halverwege de bundel, in het kader van de door CityBis in het leven geroepen ‘Sorry Dag-solden’, mensen met Anne Frankmaskers rondlopen die luidkeels brullen: ‘Zeg dat het u spijt’, dan is de humor ver te zoeken. Cynisme heeft immers alleen maar effect als het doordacht is en niet, zoals hier, uit de lucht komt vallen.

Het gebrek aan effectiviteit van op zich krachtige middelen en het vaak slordige Nederlands waarvan Vandecasteele zich bedient, geven Hoe de wereld perfect functioneert zonder mij een wat voorbarig karakter. Het lijkt het werk van iemand die nog net niet klaar was om te debuteren, iemand die het schrijven nog te veel is overkomen en nog te weinig heeft ondergaan. En dat is jammer, want Vandecasteele kan wel wat. Hoe weinig solide zijn eerste bundel ook in elkaar zit, hoe weinig coherent de ideeën worden uitgewerkt en hoe onbevredigend het boek als geheel ook is, dit debuut heeft wel potentie.

Om te beginnen is Hoe de wereld perfect functioneert zonder mij meer dan een verzameling eerste probeersels van een jonge auteur. Vandecasteele heeft duidelijk geprobeerd om in tien verhalen zijn visie op de wereld te formuleren, een visie die, losjes refererend aan de aanslagen van 9/11 en de reeks moorden op tieners in Londen, duidelijk de apocalyptische richting uitgaat. De schrijver stelt zichzelf constant de vraag wat er zou gebeuren als de fenomenen die nu nog slechts af en toe aan de oppervlakte komen, regel worden. Wat gebeurt er als al de ontevreden mensen plots in opstand komen? Het antwoord op die vraag levert hier en daar zeer sterke situaties op.

Vandecasteele is op zijn best in het titelverhaal en het afsluitende ‘Bijna-Mens’; verhalen waarin hij resoluut de stap zet naar een sciencefiction, of comic-achtige setting, waarin de wereld groteske proporties aanneemt. Maar vooral in het laatste verhaal gaat het dan plots niet meer over de misbaarheid van de net-niet-dertigers, die zich volgens Vandecasteele bovendien voortdurend onttrekken aan de maatschappij, maar juist om de noodzaak een poging te doen om mens te worden, of toch in ieder geval bijna.

‘Bijna-Mens’ is een spannend verslag van een zoektocht door een gebouw, waarvan de bewoners de buitenkant nooit hebben gezien en waarvan niemand precies weet hoe het in elkaar zit. De ik-figuur is op zoek naar de uitgang. Dat is dus een zoveelste poging van een Vandecasteele-personage om de wereld te ontvluchten, maar ook een poging om de absurde voorwaarden van die wereld ter discussie te stellen. Het is namelijk niemand duidelijk waarom het leven in het immense gebouw vormgegeven is, zoals dat is vormgegeven. In tegenstelling tot CityBis, dat in eerste instantie nog ontworpen was om het de consument naar de zin te maken, zijn de oorsprong en functie van het gebouw in het laatste verhaal volkomen duister. Het is er. Het staat toe dat hele verdiepingen worden geterroriseerd door valse poedels, dat andere etages in de ban zijn van vage koffiegoeroes, en nog andere ooit volkomen verwoest werden door de tragikomische Overurenoorlog. Maar het recht om het gebouw te verlaten, lijkt er niet te zijn.

Dit besef van opgesloten zijn, is een andere vorm van beklemming, maar wel één die helemaal aan het eind van het boek, als de ik-figuur op de vuist gaat met de vervanger van de God die een van zijn collega’s aan het begin nog had uitgedreven, eindelijk wat indruk maakt. Pas als Vandecasteele even vergeet dat hij een toch wat clichématig portret wilde schilderen van de nakomelingen van Generation X, en zich concentreert op de eenling die de waanzin wil ontvluchten, vindt hij een effectieve vertelvorm. Dat doet hij – op de valreep – zonder alle mislukte provocaties, onhoudbare stellingen over ‘zijn’ generatie en de pseudowijsgerige pogingen om zijn verhalen als een algemeen tijdsbeeld te verkopen. Hoe abstracter en absurder Vandecasteeles fantasiewereld wordt, hoe indringender zijn analyse.

En – laatste nevenschikking – dat zou wel eens de opmaat kunnen zijn tot een schrijverschap.

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?