cover big

De afvallige republiek der letteren

Matthijs de Ridder

Over De Republyk van Hans van der Heijde

L.J. Veen, Amsterdam / Antwerpen, 2009,
ISBN 9789020443202 / 432p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 28-10-2009

Bookmark and Share

Is een goed boek automatisch ook een interessant boek? En andersom? Kan een mislukt boek tóch interessant zijn? Het zijn vragen die de roman De republyk van de Nederlandse politicoloog en schrijver Hans van der Heijde opwerpt. Want echt geslaagd kan zijn romandebuut niet genoemd worden, maar in menig opzicht is De republyk interessanter dan wat er door de bank genomen in het Nederlands verschijnt. En dat heeft paradoxaal genoeg veel te maken met de literaire onhandigheid waarmee deze parabel is geconstrueerd.

De republyk begint met de vondst van een lijk in het uiterste noorden van Nederland, aan de Friese Waddenzee. Het weer is net zo kil en neerslachtig als de taal waarin de scène is gesteld. De clichés zijn overweldigend. Een stuurse local ziet iets merkwaardigs liggen in het water. Hij waadt er naartoe, ziet tot zijn afgrijzen dat het een lijk is en loopt weg. De begingeneriek kan gaan lopen, het lijkt tijd voor de entree van een norse rechercheur en zijn ambitieuze assistent. Maar niets is minder waar. Na de korte proloog begint er een afwisselend zakelijk en kluchtig geschreven verslag van de politieke verwikkelingen die volgen op een totaal uit de hand gelopen bekerwedstrijd tussen Heerenveen en Ajax 2.

Stellen dat het postmodernisme volledig aan Van der Heijde voorbij is gegaan, zou oneerlijk zijn, maar de plotse stijlbreuk aan het begin van zijn boek is geen spel met romanconventies. De republyk is geen parodie op een detectiveverhaal, noch een averechtse whodunnit met cultuurkritische accenten. De lezer komt gaandeweg wel te weten wie er aan het begin van de roman is aangespoeld, maar hij heeft op dat moment al lang niet meer het idee dat er nog een mysterie moest worden opgelost. De eerste scène is op dat moment niet meer dan een vage herinnering; een herinnering vooral aan het feit dat het boek ‘literair’ niet zo handig in elkaar zit.

De republyk vertelt het verhaal van een Friese opstand die ogenschijnlijk onschuldig begint. Na talloze onderhuidse provocaties vanuit ‘Holland’ besluiten de supporters van FC Heerenveen de fans van het reserve-elftal van het hoofdstedelijke Ajax tegen te houden. Er volgt een veldslag die door de Friezen wordt gewonnen en ook de wedstrijd die even later begint, lijkt in het voordeel van Heerenveen te worden beslist. Totdat Ajax zich in de rust – de stand is op dat moment 7-0 – terugtrekt, of eigenlijk zwicht onder de druk van de intimidatie. De wedstrijd wordt ongeldig verklaard en de gemoederen koken over. Het is de Friezen menens. Het moet maar eens gedaan zijn met de minachtende houding van het westen ten opzichte van Friesland. Steeds meer mensen spreken zich uit voor onafhankelijkheid en voordat men er erg in heeft, is het hoge woord eruit. Friesland verklaart zich onafhankelijk.

Eigenlijk begint De republyk pas op het moment dat Friesland zich tot zijn eigen verbazing heeft losgemaakt van Nederland. Of laat ik het anders formuleren: Van der Heijde vindt pas een consistente toon op het moment dat de Friezen ontwaken in het bange besef dat ze hun land moeten gaan organiseren. Niet dat de beschrijving van de veldslag niet vermakelijk is, of dat de passages waarin de Hollandse hooghartigheid worden beschreven niet ‘raak’ zijn, maar de schrijver lijkt nooit echt te kunnen kiezen tussen slapstick, politieke satire of een pseudoserieuze what if history. Het is van alles een beetje en daarom vaak net niks. Het verhaal is bijvoorbeeld niet absurd genoeg om de opmerking te kunnen verdragen dat de woede die volgt op het afgelasten van het beladen bekerduel door het KNMI op de satellietfoto’s kon worden waargenomen. Donderwolken boven Duckstad? Geen probleem. Maar in een roman die begint als een detective en vervolgens al te aarzelend laveert tussen talloze genres, is het gewoon een flauwe grap.

De republyk lijkt dan ook af te stevenen op een grandioos fiasco. Maar even snel als de bezwaren groeien over de gehanteerde stijl en de onbeholpenheid waarmee verschillende registers worden gecombineerd, groeit ook de sympathie voor de intellectuele risico’s die Van der Heijde neemt. En eigenlijk moet je al snel concluderen dat die twee constateringen twee loten aan dezelfde tak zijn. Want dezelfde onbevangenheid die leidt tot de hier en daar wat mankende tekst is ook verantwoordelijk voor de verfrissende manier waarop Van der Heijde de werkelijkheid verbeeldt. Ook daarin is de Literatuur op een aangename manier afwezig. Nergens spreidt Van der Heijde de pretentie tentoon dat het hem om een Eeuwige Waarheid te doen is. Nergens raakt hij ook maar in de verleiding om een plaats op te eisen in het Pantheon der Groten. En dat is – in een literatuur waarin ook Marcel Möring en Tommy Wieringa Schrijver spelen – een verademing. Dit is eindelijk nog eens een boek dat zichzelf niet al te serieus neemt.

Wat bijvoorbeeld Dis van Möring tot een onverteerbaar boek maakte, was de onverbeterlijke neiging van de schrijver om de betekenis van het verhaal te zoeken in de literaire referentie. De op zich zeer karige verhaallijn over de westerse samenleving die bijna ten onder gaat onder het morele juk van de Tweede Wereldoorlog, kreeg met veel poeha literaire significantie toebedeeld doordat er voortdurend werd verwezen naar Dante, Joyce, Flaubert en Proust. Reken maar dat het verhaal dan literair gewicht krijgt… en er even gemakkelijk aan ten onder gaat.

Van der Heijde is duidelijk niet op zoek geweest naar een gewichtige toon. Hij heeft zijn verhaal integendeel op zo’n ontwapenend rechtlijnige manier geschreven dat je bijna zou vergeten dat hij daardoor juist een interessant spel speelt met het concept van de literatuur als verkondiger van universele waarheden. De grote leider van de Friese opstand is namelijk niet toevallig de behoorlijk drankzuchtige dichter-classicus Sybe Sybesma. En het is al evenmin toevallig dat hij wordt bijgestaan door een gesjeesde student (tevens verteller van het verhaal) en de door de ambtenarij opgeslokte directeur van het Fryske Museum. De pijlers waarop onze cultuur is gebouwd – de klassieke filosofie, de literatuur, de wetenschap en de geschiedenis – zijn er nog wel, maar ze zijn scheefgezakt door drankmisbruik, lamlendigheid en gebrek aan inspiratie.

Als Sybesma zich met een bijna sardonisch genoegen tot voorzitter van de Grondwetgevende Vergadering laat verkiezen, blijkt deze vertegenwoordiger van het klassieke Bildungsideaal bovendien een nogal tegendraadse leermeester te zijn. Hij is er namelijk niet op uit om grote waarheden te verkondigen. Hij introduceert integendeel zijn eigen averechtse interpretatie van de klassieken. In plaats van voor de moderne variant van de democratie pleit hij bijvoorbeeld voor de originele Atheense vorm. Dat betekent dat alle parlementen, raden en besturen door middel van loting worden gevormd en voortdurend worden vernieuwd. Of die ‘directe democratie’ een betere bestuursvorm oplevert, houdt Sybesma in het midden. Veel slechter kan het in ieder geval niet worden, meent hij. En het verwijt dat hij de chaos afroept over de jonge republiek kan hij alleen maar met schouderophalen beantwoorden. Bovendien: ‘een beetje chaos kan best aangenaam zijn op zijn tijd’.

Friesland vaart aanvankelijk wel bij de intellectuele vrijmoedigheid van Sybesma. Er heerst plots een open debatcultuur, een ongebreideld optimisme en een bijzonder losse zedelijke moraal. De Friezen versmelten massaal met elkaar. Behalve Sybesma, die verreweg de meeste intellectuele lenigheid aan de dag legt, maar ook een zwak punt blijkt te hebben: hij is impotent. Het lijkt een klein defect in een man die voorts vrolijk Plato verguist en belangrijke vergaderingen naar zijn hand zet door naar de dadaïsten te verwijzen, maar het gebrek aan viriele daadkracht zal uiteindelijk wel de ondergang blijken van de al te ludieke samenleving die Sybesma ontwerpt. Als de dichter-classicus eenmaal is verdwenen, worden zijn woorden al snel voorzien van een eng-nationalistische interpretatie, met desastreuze gevolgen.

Van der Heijde presenteert zo op subtiele wijze een zeer lucide analyse van onze prestatiemaatschappij. Je kunt die maatschappij wel even ontregelen, zo laat hij op knappe en vaak hilarische wijze zien, maar je kunt het volk blijkbaar niet van zijn waanbeelden verlossen. Toch schuilt in die ontregeling van de heersende orde wel de kracht en zelfs de verrassing van deze roman. Want wie echt goed leest, treft achter het soms suikerzoete verhaal met uiteindelijk navrante afloop, een uiterst treffende kritiek van de wereld die we liever niet zo fundamenteel ter discussie stellen.

Echt vernietigend kan die kritiek niet zijn in een boek waarin de literatuur slechts voor een tijdelijke opleving van subversief en creatief denken kan zorgen, maar de geste van Van der Heijde is daarom misschien wel effectiever. Het onweerstaanbare van dit boek schuilt namelijk juist in de bescheidenheid waarmee het is gemaakt. In de lepe manier waarop premier Kopsekant (Balkenende), het mediatribunaal Kalkoen en Kalkman (Pauw en Witteman) en bij uitbreiding het Nederlandse (cultuur)politieke systeem worden geportretteerd. En het schuilt in de uiterst inventieve manier waarop grenzen die ons als vanzelfsprekend voorkomen (zowel geografische als filosofische), ter discussie worden gesteld. Niet vanuit een Fries-nationalistische of anti-Nederlandse overtuiging, maar vanuit de simpele maar ontwapenende opvatting dat men nooit mag redeneren op de automatische piloot en dat men altijd bereid moet zijn om zichzelf te herdefiniëren.

En dat geldt uiteraard ook voor de literatuur. Niet dat die literatuur hier op de proef wordt gesteld door een meesterlijke vernieuwer. Maar ze wordt wel uitgedaagd door een relatieve buitenstaander (of een uitgefabuleerde alcoholicus, als je de logica van het verhaal volgt), die laat zien dat een verhaal ook zonder de loden last van de literaire ernst in staat is om ons anders naar onze werkelijkheid te laten kijken. En dat is een kwaliteit die boeken waarvan je gerust kunt zeggen dat ze beter geschreven en beter geconstrueerd zijn, vaak ontberen.

Door de vrolijke subversie die van De republyk uitgaat, ben je geneigd de schrijver veel te vergeven. De clichématige romance halverwege het verhaal tussen Sybesma’s assistent en een journaliste bijvoorbeeld, en het feit dat gesprekken tussen personages al te vaak alibi’s lijken voor het tentoonspreiden van kennis. In goede boeken gebeurt dat misschien niet, maar zolang een boek zo interessant is als De republyk, ben ik een tevreden lezer.

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?