cover big

De woorden wijd en mijn vinger diep

Erwin Jans

Over Liederen van een kapseizend paard van Els Moors

Nieuw Amsterdam Uitgevers/het balanseer, Amsterdam/Aalst, 2013,
ISBN 9789046815830 / 66p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 21-02-2014

Bookmark and Share

de pijl die ik hartstochtelijk heb toegelaten
de voorwaarde voor mijn niet-aflatende
extase of hoe de zomer hoog
bij me naar binnen glijdt

Zo staat er in het openingsgedicht van Els Moors’ tweede poëziebundel Liederen van een kapseizend paard. De erotiek slaat de lezer onmiddellijk in het gezicht: ‘benen waarmee ik over het schoteltje melk heen / kan zitten de woorden wijd / en mijn vinger diep’. De hand dient niet alleen om te schrijven, maar ook om te vingeren. Tegelijk is het opvallend dat het om een solitaire erotiek gaat, al ontbreekt het niet aan mannen.

Moors’ eersteling er hangt een hoge lucht boven ons (2006) werd bekroond met de Herman de Coninckprijs voor het beste poëziedebuut. In 2008 verscheen haar eerste roman Het verlangen naar een eiland en in 2010 publiceerde ze de verhalenbundel Vliegtijd. Zowel Moors’ proza als haar poëzie zijn celibataire verlangenmachines, om een term van Gilles Deleuze te gebruiken. Haar werk produceert evenveel eenzaamheid als onverwachte en vluchtige (erotische) ontmoetingen; evenveel concrete lichamelijkheid als bevreemdende logica; evenveel exaltatie als banale alledaagsheid; evenveel zwaarte als lichtheid.

Dat geldt ook voor haar nieuwe bundel, waarvan de titel in alle opzichten de lading dekt. De poëzie van Moors is een intense ik-lyriek, al is ‘ik’ hier natuurlijk ook ‘een Ander’: ‘alle mannen en vrouwen die in me / woonden als in een goedkoop pension’. Of: ‘vermommingen // ik blijf ze aan- en uittrekken / tot mijn armen ervan kraken’. Het wankele centrum van Moors’ gedichten is een ‘ik’ dat zich roekeloos en hartstochtelijk in de wereld stort (‘dit is de aarde en ik loop erop / met flipflops die knallen’), zichzelf tegelijk zoekt en verliest in een niet-eindigend gevecht met het verlangen producerende lichaam:

ik praat in een mij vreemde taal tot
mijn lichaam ervan schokt
nooit uitgeput genoeg
om niet nog een keer
over de rand
de diepte in te kijken

Het beeld van de afgrond en de val komt obsessief terug in de bundel: ‘raak ik aan een afgrond die ik niet begrijp’, ‘over de reling heen / de diepte ingezogen’, ‘een afgrond nodigt uit tot springen’, ‘ik val steeds van de wereld af’, ‘er ligt een vrouw op bed / en het lijkt alsof ze gevallen is’. Niet verwonderlijk dus dat er in de titel sprake is van ‘kapseizen’: wie zo veel in de afgrond kijkt, kan niet rechtop blijven staan. Er is weinig houvast in het universum dat Moors beschrijft: ‘tijdelijke landschappen laten zich lezen // bijvoorbeeld aan de hand van koplampen’. Het is een mooi beeld, geplukt uit een alledaagse ervaring: even licht een deel van het landschap op om zich onmiddellijk weer terug te trekken in de duisternis. Het landschap, zowel dat van de stad als van de natuur, is vaak overweldigend aanwezig:

er is de boom de lucht en de duif
en er is het dichtgetimmerde raam
ze duizelen sneller dan de snelwegen
en het roet op de muur
de weggetrapte schoen en
de geuren die de stad
op deze plaats heeft

Of:

bergen meren dalen groen
er liggen perziken in houten bakken
aan de kant van de weg frambozen
zeeën kampvuren de lucht is blauw
brandende velden vreemden in tenten
dieren

Er lopen inderdaad heel wat dieren in deze bundel rond: een kat, apen, een gier, meeuwen en ratten (‘er zijn geen mensen / er zijn alleen ratten’), een mengeling van gedomesticeerd en wild, aantrekkelijk en afstotelijk, en daardoor representatief voor de spanningen in Moors poëzie.

Moors’ universum is er een van veel zintuiglijke indrukken, absurde en groteske uitvergrotingen van details, lichamelijke ervaringen, gedachtenassociaties, spiegelingen: ‘ik ben niet dat / wat mij omringt ik heb alleen / spiegels nodig omdat ik voor mezelf / onzichtbaar blijf als ik niet ook / blind naar binnen kijk’. Het ik kan zich de wereld noch zichzelf toe-eigenen: ‘de ondoorgrondelijkheid van het bewijsmateriaal / kan ik de zaak niet eenvoudig laten betijen?’

Maar het vallen heeft ook een andere dimensie, het is extatisch: ‘vallen alsof / je vliegt’. Vallen is inderdaad een ogenblik lang vliegen, maar dan naar beneden. Dit is de eigen toon van deze bundel: een ogenschijnlijke lichtheid die omslaat in zwaarte, en omgekeerd. In het extatische eerste gedicht staat er ook: ‘mijn longen kreunen onder het gewicht van / tegels vloeren en dan weer rotsblokken.’ Kapseizen doet natuurlijk in de eerste plaats een schip, niet een paard, maar ‘een zwemmer is een ruiter’, zoals Paul Snoek al dichtte. Ook in Moors’ gedichten komen paard en vooral water veelvuldig voor. In erotisch en seksueel geladen beelden: ‘zandkastelen losliggend zeewater / de achtergrond waartegen wij beide // galopperen/ haastig rollend hitsig/ schuimbekkend’.

De ontmoeting met de ander is altijd onmogelijk en de daardoor traumatisch: ‘staat wat ik liefheb / voor wat ik maar nauwelijks verdraag / kan een aanraking ooit meer zijn / dan een gedoogbeleid’. Soms klinkt het rauw en primitief: ‘je bent een gier en je ruikt / mijn zieltogend vlees / je ziet me doodgaan / en geniet’, of gewelddadig en ‘castrerend’, zoals in: ‘alleen als ik tegen iemand aan loop / zal ik mezelf in de ogen / hebben gesneden’. Maar er staat ook: ‘liefde is blijdschap / waarmee we dit heden vervolmaken’. Die regel staat tweemaal in de bundel, en dat zal niet toevallig zijn. Ondanks alle kwetsuren, blijft de hoop op iets beters overeind: ‘het eigenwijze stoten van een geliefde / zal me op gedachten brengen’.

Moors’ poëzie barst van de lichamelijkheid, maar wie op het lichaam inzet doet dat nooit zonder risico’s: ‘het lichaam is de wereld die niet te overschouwen is / leg het behoedzaam neer / reken er niet op dat je kunt gokken / zonder te verliezen’. De dichter zoekt naar een relatie met haar lichaam, met haar moeder, met haar jeugd, met mannen, met de wereld. Maar ‘ondertussen schiet onze trein zichzelf voorbij’. In een ander gedicht zit ze ‘alleen // op een vroegtijdig verlaten schip’, of verdwijnt ze ‘door de klapdeuren / van [een] krakkemikkig feest’. Waarom ‘Dennis Black Magic’ – een Vlaamse pornoregisseur die inmiddels een celstraf uitzit wegens fraude en aanranding – in de volgende versregels opduikt, is niet onmiddellijk duidelijk, maar de verzen zijn wel somber intrigerend:

the return van the real dennis black magic
is dat ik ergens mijn geld en mijn bloed
heb ingepompt en dat de enige ziel
die ik dan nog te vergeven heb

me op de lippen ligt als het gezicht
van iemand die me bemint
alsof ik levend ben

De poëzie biedt geen bescherming: ‘mijn eenzame spraak / is kuis als het water van / een oceaan maar dan van / voor hij door de wereld / als stortplaats werd gebruikt’. De ellende van de wereld dringt herkenbaar en onophoudelijk in de gedichten binnen: de vluchtelingen op Lampedusa, het politieke geweld, homohaat: ‘men leeft niet zonder ondertussen / ook de goddeloze wetten van de machthebbers / te bestendigen’, zo klinkt het nuchter, maar ook wanhopig. Dit zegt Moors over Europa:

ze is zich niet geheel bewust
maar ook niet onverschillig
vraagt steeds verbaasd

waar woont het kwaad
heb ik het aangericht?

De bundel bestaat uit twee, ongeveer gelijke delen. Die zijn van elkaar gescheiden door een cyclus van vijf gedichten onder de titel ‘so böse wie noch nie’. De gedichten zijn titelloos, op twee gedichten na die thematisch samenhangen: ‘Europa is een vrouw’ I en II. In het voorlaatste gedicht wordt de versvorm verlaten voor poëtisch proza om in het laatste gedicht opnieuw terug te keren naar de versvorm. Het prozagedicht toont syntactisch hoe dingen, gevoelens, lichamen, dieren, planten, enzovoorts zich in Moors’ universum met elkaar verknopen:

[…] het verlangen van planten die dorst hebben is water dat uit de hemel valt het is niet te koop en niet omkoopbaar en er is een directe lijn tussen jou en het water door middel van de woorden die je zegt het gaat niet om wat je zegt het gaat om hoe je het zegt hoe je het hebt gezegd en hoe je het zal zeggen en hoe je ademt terwijl je het zegt en naar het raam bent gelopen het raam is groot en vierkant en geeft uitzicht op de obligate boom en de wereld en roofvogels de vorm van je naakte voet loodst je ook nu weer naar een altijd voor het eerst te betreden weg vlinders die nat worden in de regen fladderen en neuken veilig onder een blad in de stilte zou je denken maar jouw stem omarmt me geruislozer nog dan de zon

Liederen van een kapseizend paard is een heftige brok lyriek, zonder veel leestekens, vol grondeloze passie en twijfel. De bundel eindigt met een schaamteloos fysiek verlangen dat voorlopig de enige zekerheid blijkt te zijn: ‘grijp ik hem hongerig / bij de billen heb ik het zaad // in gedachten bij me / blijf ik op de been’. Met die rauwheid spreekt zij ook over haar gedichten: ‘al mijn woorden blijven wijken / voor het eigenzinnige blaffen / van mijn mond’.

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?