Deel Facebook Twitter / X LinkedIn
Achille Mbembe (1957) kreeg in november 2025 de tweejaarlijkse Spinozalens, een Nederlandse prijs uitgereikt aan internationale denkers over ethiek. Tegelijkertijd verscheen de Nederlandse vertaling van zijn boek De Aarde als gemeenschap. Met essays als Necropolitiek (2003), De kritiek van de zwarte rede (2013) en Een politiek van de vijandschap (2016) en zijn analyses van de koloniale en postkoloniale machtsverhoudingen, heeft de inmiddels negenenzestigjarige in Zuid-Afrika levende en werkende Kameroense historicus en politicoloog Achille Mbembe internationaal een stevige reputatie opgebouwd. Vanuit een voor de westerse blik vaak scherp en ongemakkelijk Afrikaans perspectief is hij niet alleen kritisch maar vaak ook ronduit pessimistisch over de toekomst. De grenzen aan de groei zijn bereikt, om het te zeggen met een verwijzing naar het beroemde en beruchte rapport van de Club van Rome uit 1972. Zo constateert Mbembe een verontrustende ‘vernegering’ van de wereld (‘un devenir Nègre du monde’): de specifieke situatie van de Afrikaanse slaafgemaakten – de door het kapitalisme geproduceerde uitsluiting, ontmenselijking, instrumentalisering, verdinglijking, vermarkting… van zwarte lichamen – merkt hij wereldwijd bij steeds grotere groepen mensen op. Uitputting, afsluiting en uitsluiting lijken de belangrijkste globale dynamieken te zijn.
‘De roof van het levende is de grote historische gebeurtenis van onze tijd’, aldus Mbembe. Daarom spreekt hij van ‘necropolitiek’, een politiek die beslist over wat mag leven en wat dood mag, over welke levens waardevol zijn en welke niet, welke een toekomst verdienen en welke niet. Racisme, seksisme, xenofobie,… zijn manifestaties van die necropolitiek, maar ook de systematische reductie (door monocultuur) of vernietiging van de natuur.
Blijft er voor het denken dan niets anders over dan het constateren van en anticiperen op de catastrofe? Toch is dat pessimisme niet zijn laatste woord. In De Aarde als gemeenschap is Afrika ook de naam voor de hoop, voor de vitale, kosmische en transformerende krachten die het levende veiligstellen. In de Afrikaanse tradities is dat ‘levende’ alomvattend en verbonden: het menselijke, het dierlijke en zelfs het materiële maken allen deel uit van een complex maar kwetsbaar ecosysteem.
Hoe somber de analyses van Mbembe soms ook zijn, toch weigert hij te denken in termen van een einde van de wereld of in termen van het verlies aan controle ten gunste van de technologie. Hij wil denken in termen van ‘potentialiteiten’ (een concept dat hij aan de Italiaanse filosoof Giorgio Agamben ontleent), van wat per definitie niet te berekenen en niet toe te eigenen is.
Paradigma’s van bezieling en bevrijding
Mbembe wordt beschouwd als een van de belangrijkste nog levende postkoloniale denkers, maar zijn eigenzinnige mix van antropologie en filosofie, van Afrikaanse kosmogonieën en Frantz Fanon, van emancipatorische politiek en interesse voor Congolese muziek, van wetenschappelijke kennis en mythologische fabels, geven zijn werk een veel bredere adem. In recente geschriften duikt steeds nadrukkelijker de dimensie van de Aarde op – door Mbembe systematisch met hoofdletter geschreven – en wordt zijn gezichtsveld ruimer. Zijn werk ontwikkelt zich langs de onrustige en overprikkelde zenuwbanen van onze tijd.
Mbembe reflecteert op de samenhang tussen de zich steeds sneller voltrekkende technologische ontwikkelingen, de enorme ecologische uitdagingen en het steeds harder wordende politieke en sociale klimaat gekenmerkt door ongelijkheid, exclusie en nieuwe vormen van racisme, en dat alles onder de beschermende paraplu van het globale kapitalisme. Iedere bladzijde van Mbembe’s werk plaatst de lezer midden in de onoverzichtelijke complexiteit en veranderlijkheid van het hier en nu. Maar daarin gaat hij tegelijkertijd op zoek naar de krachten die het levende kunnen versterken. Meer dan ooit is er nood aan paradigma’s van bezieling en van bevrijding van het levende. We hebben daarvoor echter een andere manier van denken, verbeelden en van verwoorden nodig. Een voorbeeld van dit laatste is volgend onderscheid: ‘Wat komt zal worden gebouwd op het fundament van een duidelijk onderscheid tussen het “universele” en het “gemeenschappelijke”‘, waarbij het universele staat voor ‘een zich voegen naar een al gevormde entiteit’, en het gemeenschappelijke veronderstelt dat ‘velerlei singulariteiten bij elkaar horen’.
We beleven volgens Mbembe een scharniermoment in de geschiedenis. Onze tijdsbeleving verandert fundamenteel. De tijd is niet langer een overzichtelijke lineaire opeenvolging van verleden, heden en toekomst – essentieel voor een geloof in ontwikkeling en vooruitgang– maar verschillende tijden schuiven over elkaar heen en dringen bij elkaar binnen: de geologische tijd, de historische tijd en de ervaringstijd. De sociale geschiedenis en de natuurlijke geschiedenis vallen samen. In het antropoceen manifesteert de mens zich voor het eerst als een kosmische kracht die het aangezicht van de aarde kan veranderen. Aarde en technologie worden gekenmerkt door een wederzijdse incorporatie. Het techno-libertarisme wordt op dit ogenblik begeleid door de opkomst van paranoïde en zwaarbewapende machten die bouwen op ‘angst en benauwdheid’ en minder bezig zijn met ‘verovering’ dan wel met ‘afsluiting’ en ‘afscheiding’.
Het gaat Mbembe niet om het ‘universele’ maar wel om het ’universum’. We moeten beseffen dat de Aarde een eindig, planetair ecosysteem is dat alleen maar in stand kan worden gehouden door ‘een globale omgevingspolitiek’, een politiek die zich in het hele ecosysteem investeert. Dat betekent dat we ons voor ons overleven niet in de eerste plaats met onze wortels, onze tradities, onze identiteit en ons verleden bezig moeten houden, maar met onze gezamenlijke, onzekere toekomst op een kwetsbare plek Aarde genaamd. Het betekent ook dat de mens zijn positie in het geheel moet decentreren. Hij is slechts een deel van het weefsel van ‘het levende’, naast de dieren, de planten, de landschappen, de rotsen en al de dingen en objecten die hij heeft gemaakt en waarop hij zijn sporen heeft achtergelaten: ‘De aarde is het equivalent van ons lichaam.’ Het wordt snel duidelijk dat Mbembe ‘het levende’ als een inclusieve categorie ziet die het biologische leven ver overstijgt.
De mens is niet langer de maat van alle dingen, dat is inmiddels de Aarde. Mbembe stelt dat heel scherp: ‘Want uiteindelijk manifesteert de waarheid over wat we zijn zich in laatste instantie in de relatie die we met de niet-mensen onderhouden’. Hoe we omgaan met dieren, planten, de zogenaamde levenloze natuur… is de spiegel van ons mens-zijn. Dat inzicht in de samenhang van alles met alles vindt Mbembe op een bijzonder appellerende manier terug in oude Afrikaanse scheppingsverhalen (kosmogonieën), die hij voor het toekomstige planetaire denken vruchtbaar probeert te maken: ‘Als oudste dochter van de mensheid en een van de oudste bewoners van de Aarde, is Afrika tegelijkertijd een kracht in voorraad én een voorraad aan kracht.’
Dat is een van de grote opdrachten die Mbembe zich heeft gesteld: de Afrikaanse archieven losmaken uit de ‘primitieve’ en ‘archaïsche’ westerse duidingen ervan om ze theoretisch en praktisch ernstig te nemen en in te zetten voor een zich razendsnel ontwikkelende wereld: ‘We vergeten het vaak, maar de oude Afrikaanse samenlevingen waren open, meervoudig en beweeglijk.’ Terwijl het westerse technische denken in het teken staat van de analyse, van het (onder)scheiden, van het (in)delen, van het uit elkaar halen en tot de kleinste bouwsteen terugbrengen…, staat het Afrikaanse denken in het teken van de samenhang, de onderlinge relaties, het verbinden, de overgangen, de transformaties… Mbembe maakt duidelijk dat onze gezamenlijke toekomst afhangt van deze tweede manier van denken. De universele pretenties van de westerse rationaliteit moeten vervangen worden door een zorgende gevoeligheid voor het universum. Want alles kan inmiddels worden geëxploiteerd, dat is kenmerkend voor de tijd waarin we leven. De tijd van het algoritme, het computertijdperk, doet ons geloven dat alles kan worden onttrokken en geprivatiseerd.
Aardetaal
‘Het Tijdperk van de Aarde’ vraagt om een andere taal – een ‘aardetaal’ – en om een andere vorm van schrijven. Mbembe is op zoek naar nieuwe, meer inclusieve manieren om de permanente veranderingen, verschuivingen, metamorfoses van het hier en nu te vatten. Een grote kracht van de schriftuur van Mbembe is dat ze bij momenten de wereld in zijn totaliteit lijkt op te roepen, ‘le Tout-Monde’ zoals de Caribische schrijver en dichter Édouard Glissant het noemt. De nevenschikking en de opsomming, veelgebruikte stijlfiguren, zijn een uitdrukking van de veelheid, de veelvormigheid en de oneindige diversiteit van alles wat de Aarde bewoont. De leeservaring van De Aarde als gemeenschap is bij momenten visceraal. Ze sluit meer aan bij het lezen van literatuur dan bij het lezen van beschouwende teksten: ‘Met behulp van deze taal kunnen we niet alleen sloten openbreken, maar ook de ramp afwenden die het leven bedreigt. Elk stukje van deze aardetaal zal geworteld zijn in de paradoxen van het lichaam, het vlees, het bloed, de zenuwen.’ Het lichaam, zijn organen en zijn eigenschappen duiken vaak als metafoor op. ‘Het recht op ademen’ – een essay dat hij schreef in de covid-periode – is een van Mbembe’s krachtigste pleidooien voor de Aarde als een ruimte om het ‘levende’ – in de omvattende betekenis die hij daaraan geeft – tot ontwikkeling te laten komen.
Een centraal motief in het postkoloniale denken is de uitputting van de westerse narratieven van ontwikkeling, verovering, vooruitgang en controle. De stroomversnellingen van het kapitalisme en de technologie, die een planetair bewustzijn hebben gecreëerd, hebben de westerse dynamiek letterlijk op een punt gebracht waarop ze de hele Aarde kan vernietigen. Maar tegelijk is er ook een groeiend bewustzijn ontstaan van het gevaar van die tragische separatie-, exclusie- en extinctiedrift en wint het relationele denken aan momentum. Daarom pleit Mbembe voor een ethiek van de ‘onthechting: ‘Deze ethiek beoogt vooral de vermenigvuldiging van de levensreserves, het delen van de eerste adem, die het collectief bijeenroept en bezield, zoals dat is samengesteld uit de doden, de levenden en de voorouders, de wezens en de dingen, de dieren, de planten en de geesten.’
Ondanks zijn kritiek op het westerse toe-eigenende denken, zijn er volgens Mbembe ook intellectuele ontmoetingen mogelijk tussen de Afrikaanse kosmologieën en eigentijdse westerse denkers. Donna Haraway, Judith Butler en Philippe Descola, maar ook het werk van denkers als Bruno Latour, Michel Serres, Simone Weil en Jacques Derrida, bieden veel vruchtbare aanknopingspunten met het Afrikaanse ‘metafysisch animisme’: in plaats van louter grondstoffen, instrumenten en transportmiddelen zien de oude Afrikaanse verhalen in steenkolen, bomen en rivieren bezielde entiteiten die met het menselijk leven verweven zijn. Animisme is voor Mbembe deze continuïteit, deze bio-symbiose, deze circulatie van het leven in een gedeeld ecosysteem. Daarnaast ziet hij die relationele gevoeligheid ook aan het werk bij veel kunstenaars. Literatuur, muziek en dans tonen dat er in het leven een zintuiglijke ervaring bestaat die talloze nog onbenoemde en zelfs onbenoembare vormen en gestalten, tinten en texturen omvat die aan de greep van een ‘objectief’ weten ontsnappen. Het is in die ongrijpbare, naamloze, flexibele vormen en gedaantes tussen het menselijke en het niet-menselijke, tussen het spirituele en het materiële, dat iets zichtbaar wordt van wat Mbembe niet zonder pathos omschrijft als ‘de vernieuwing van de wereld’ die noodzakelijk is om de krachten van de entropie en de degeneratie terug te dringen.
Reacties
Vivian Deegens
Interessant hoe het ’toe-eigenende’ westerse denken wordt gecombineerd met het Afrikaanse gedachtegoed van de alomvattendheid van het universum, om een toekomstperspectief te schetsen voor de omgang van de mens met de aarde. In de recensie lees ik hoe die twee invloedssferen lijken te botsen.
Wanneer de recensie een ‘globale omgevingspolitiek’ benoemt als voorwaarde om het eindige aardse ecosysteem in stand te houden, lijkt het voortbestaan van de aarde toch beschouwd te worden als afhankelijk van de mens. En dat terwijl de mens slechts onderdeel is van datzelfde ecosysteem. Meent of menen de recensie en/of het gerecenseerde boek echt dat mensen onmisbaar zijn voor de aarde, of gaat het alleen om het creëren van toekomstperspectief door maatschappijkritiek en het beschrijven van mogelijkheden om de cultuur te hervormen? Misschien duidt die maatschappijkritiek er juist wel op dat mensen momenteel niet meer in staat zijn tot de benodigde verbinding met de natuur, en de aarde misschien langer kan blijven bestaan zonder mensen, ook een vorm van ‘vernieuwen’ (Ik heb het gerecenseerde boek niet gelezen).
Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.