Literatuurkritiek, Recensies

Een laagje zwartheid

Spelen in het duister

Witheid en de literaire verbeelding

Toni Morrison (vert. Thomas Crombez)

Spelen in het duister. Witheid en de literaire verbeelding, de vertaling van Toni Morrisons essay uit 1992, heeft lang op zich laten wachten, maar haar analyse van de klassieke Amerikaanse literaire canon vanuit het perspectief van ‘witheid’ heeft de voorbije drie decennia niet aan kracht ingeboet. Integendeel zelfs. De culture wars woeden immers heviger dan ooit. Het is geen toeval dat het essay in de VS opnieuw op veel aandacht kan rekenen: met de Black Lives Matter-beweging, met de reclaim door conservatief-rechts van een witte Amerikaanse identiteit en met de viering van 250 jaar onafhankelijkheid in het vooruitzicht, staat de discussie over ras opnieuw op scherp in de VS.

Sinds de verkiezingsoverwinning van Trump in 2016 is ‘the white working class’ een cruciale term geworden om de Amerikaanse politiek te begrijpen. ‘Witheid’ is de voorbije jaren door Trump en co geherdefinieerd tot een teken voor slachtofferschap van ongecontroleerde migratiestromen uit het Zuiden, de globaliseringsprocessen en de linkse ‘woke’-ideologie. In een scherpe backlashbocht naar rechts is ‘witheid’ in korte tijd van onderdeel van een sociale structuur die aan niet-witte mensen minder kansen biedt, getransformeerd tot een culturele minderheid. Trumps verwelkoming van witte boeren uit Zuid-Afrika als slachtoffers van een ‘genocide’ is exemplarisch. Maar ook in Europa – waar het begrip ‘ras’ na de Tweede Wereldoorlog geen belangrijke politieke rol meer speelt (hoewel alles kan verkeren, cf. de recente rel rond de benoeming van de Amerikaanse ‘rassenwetenschapper’ Nathan Cofnas aan de Gentse Universiteit) – hebben het migratiedebat en de revisie van het koloniale verleden een grote impact op de discussie over nationale identiteit, over uitsluiting en over politieke en culturele representatie. Veel redenen dus om Morrisons essay te vertalen én te (her)lezen.

 

Geen wit zonder zwart

Toni Morrison (1931-2019) – een van de belangrijkste Afrikaans-Amerikaanse schrijvers van de tweede helft van de twintigste eeuw, Nobelprijswinnaar Literatuur 1993 en auteur van veelgeprezen romans als Tar Baby, Beloved en Jazz – heeft meer dan eens het verwijt gekregen dat ze in haar romans haast uitsluitend zwarte personages opvoerde, dat ze de confrontatie met witte personages uit de weg ging en dus alleen maar over ‘ras’ schreef. In een televisie-interview heeft ze haarscherp de racistische vooronderstellingen van een dergelijk verwijt blootgelegd. Het betekent immers dat zwarte personages pas hun volledige menselijkheid zouden kunnen ontwikkelen in confrontatie met witte personages, dat een roman met alleen zwarte personages een mindere vorm van literatuur zou zijn, dat schrijven over ‘ras’ (over zwarte mensen dus) schrijven over iets marginaals zou zijn, en dat het schrijven over witte (dus universele) mensen het hoogste doel van de literatuur zou zijn.

Morrison wijst in het interview op het grote belang voor haar van Afrikaanse schrijvers, voor wie ‘zwartheid’ geen term is die vanuit ‘witheid’ wordt gedacht. De situatie van de Afrikaans-Amerikaanse schrijver is volgens haar echter complexer. Morrison omschrijft zichzelf als ‘een zwarte schrijver die worstelt met en door een taal die op krachtige wijze verborgen signalen van raciale superioriteit, culturele hegemonie en het afwijzend “anderen” (othering) van mensen en taal kan oproepen en afdwingen (…). Het soort werk dat ik altijd heb willen maken, vereist dat ik leer manoeuvreren met manieren om de taal te bevrijden van haar soms sinistere, vaak luie, bijna altijd voorspelbare toepassing van raciaal bepaalde en gedetermineerde ketenen.’ Als zwarte auteur schreef Morrison in een grotendeels witte taal, die zich weinig gelegen liet aan de ervaring en de leefwereld van zwarte mensen.

Met deze opmerkingen in het achterhoofd kan je je de vraag stellen waarom Morrison in haar essay zoveel plaats inruimt voor de klassieke Amerikaanse witte literaire canon: van Nathaniel Hawthorne over Edgar Allan Poe en Herman Melville tot Willa Cather en Ernest Hemingway. Als zelfs de taal van ‘witheid’ is doordrongen, wat kan je dan verwachten van witte schrijvers? Waarom er zelfs maar aandacht aan besteden?

Het uitgangspunt van Morrison is even eenvoudig als uitdagend. Haar hypothese is dat de jonge Amerikaanse republiek der letteren zich alleen als wit en vrij kon identificeren tegen de achtergrond van zwartheid en slavernij.  De literatuur van de pas gestichte natie stond in het teken van ‘de architectuur van een nieuwe witte man’. En om die architectuur stevig te houden was er nood aan de constructie van een zwarte aanwezigheid. Morrison noemt dit ‘Amerikaans Afrikanisme’.

De droom gaat altijd over de dromer, aldus Morrison: de representatie van zwartheid in de Amerikaanse literaire canon zegt veel meer over de witte schrijvers die haar produceren dan over de zwarte mensen zelf: ‘Afrikanisme is het middel waardoor het Amerikaanse zelf zichzelf leert kennen als een zelf dat niet geknecht is, maar vrij; niet afstotelijk, maar begeerlijk; niet hulpeloos, maar bevoegd en sterk: niet ahistorisch, maar historisch; niet gedoemd, maar onschuldig; niet een ongelukje van een blinde evolutie, maar een progressieve vervulling van het lot.’

Zwartheid wordt zo het negatief van witheid, dat zichzelf als universele drager van de geschiedenis en de vooruitgang kan presenteren. De gevolgen daarvan voor het literaire instituut en het schrijven van literatuur zijn groot en dat in de eerste plaats voor de zwarte lezers en schrijvers. De vroege Amerikaanse literatuur ging ervan uit dat niet alleen de schrijvers maar ook de lezers wit waren: ‘Ik wil graag weten wat die veronderstelling voor de literaire verbeelding heeft betekend’, aldus Morrison: ‘Wat betekent het voor de schrijver om zichzelf, in de volledig geracialiseerde samenleving van de Verenigde Staten, als niet-rashebbend te beschouwen en alle anderen als rashebbend?’

 

‘Whiteness studies’

Morrisons essay heeft een belangrijke rol gespeeld in de ontwikkeling van de zogenaamde whiteness studies. Whiteness studies is een zich sinds de jaren negentig van de vorige eeuw in de VS snel ontwikkelend academisch en interdisciplinair onderzoeksveld dat ‘witheid’ niet als een biologisch gegeven analyseert maar ook en vooral als een sociaal geconstrueerd systeem van privilege en macht. Witheid wordt ontmaskerd als de onuitgesproken norm in de westerse cultuur die in geïnstitutionaliseerde vorm raciale ongelijkheid in stand houdt en produceert. Whiteness studies heeft veel overlap met de door Trump en de zijnen verketterde critical race theory die stelt dat racisme niet louter een persoonlijk vooroordeel is, maar een systemische en structurele dimensie heeft. In die zin zijn de inzichten over ‘whiteness’ cruciaal voor zowel het slachtoffer als de dader van het racisme: de bevrijding van de ene kan niet zonder de bevrijding van de andere. Een rechtvaardige en respectvolle relatie is natuurlijk mogelijk op individueel niveau, maar moet ook op structureel niveau bevochten worden.

In haar essay duikt Morrison in het onbewuste van de witte literaire verbeelding. Ze werpt de vraag op waarom de literatuur van het jonge Amerika met zijn verlangen naar een nieuw begin precies de gotische roman – een typisch product van de achtergelaten Europese cultuur – reproduceerde. ‘De gotische roman was een verkenning van de angst die uit de schaduwen van de Europese cultuur werd geïmporteerd’, aldus Morrison. De pas onafhankelijk natie moest omgaan met vele angsten – de angst voor de grenzeloosheid, voor het ongeciviliseerde, voor de mislukking, voor eenzaamheid, voor de natuur, voor de machteloosheid, voor de agressie van buiten en van binnen,… – en de gotische roman was het perfecte vehikel om die angst voor de duisternis met al zijn connotaties vorm te geven en te bevechten: ‘Er is geen gotische roman die vrij is van wat Herman Melville “de kracht van zwartheid” noemde, vooral niet in een land waar een bevolking woonde die al zwart was en waarop de verbeelding kon inspelen.’ De zwarte mens werd op die manier een ‘surrogaatzelf’, een projectiescherm voor de angsten en de verlangens van de witte mens. Morrison vindt het juiste beeld in een populair genre van muzikaal entertainment in de VS: ‘In de minstrel shows werd een laagje zwartheid aangebracht op een wit gezicht, waardoor dat gezicht kon losmaken van de wet. Net zoals entertainers er door middel van blackface in slaagden onderwerpen bespreekbaar te maken die anders taboe waren, konden Amerikaanse schrijvers een ingebeelde Afrikanistische persoonlijkheid gebruiken om het verbodene in de Amerikaanse cultuur te verwoorden en te verbeelden.’

 

Literaire ruimte herorganiseren

Het is een scherpe en ontnuchterende analyse. Toch maakt Morrison meer dan eens duidelijk dat zij geen literaire rechtszaak wil aanspannen tegen de Amerikaanse canon door bepaalde schrijvers van racisme te beschuldigen of door hen te cancellen. Zij wil in de eerste plaats deze boeken en dus de Amerikaanse geschiedenis en de zwarte aanwezigheid daarin op een complexere en rijkere manier lezen. En Morrison is een sterke lezer die die opdracht aankan. Dat maakt ze duidelijk in haar scherpzinnige lectuur van klassiekers als Huckleberry Finn van Mark Twain en To have and have not van Ernest Hemingway. In die interpretaties laat zich duidelijk de afstand meten tot nu, dertig jaar later. De cancelcultuur is inmiddels veel agressiever geworden (in alle richtingen trouwens) en complexiteit en rijkdom zijn niet onmiddellijk de nagestreefde kwaliteiten van veel eigentijdse literatuur en analyses.

Hoewel ze zich strikt tot de Amerikaanse context beperkt, merkt Morrison terloops op dat er ook zoiets bestaat als een ‘Europees Afrikanisme’, waarmee ze verwijst naar de Europese koloniale verbeelding. In zijn nawoord bij Morrisons essay gaat Sibo Kanobana daar dieper op in: ‘In de Lage Landen hoef je niet ver te zoeken om Morrison’s punten bevestigd te zien’. Kanobana redigeerde enkele jaren geleden de bundel Zwarte bladzijden. Afro-Belgische reflecties op Vlaams (post)koloniale literatuur, waarin een aantal Vlaamse (post)koloniale teksten – van Batavia (1858) van Hendrik Conscience tot Terug naar Congo van Lieve Joris – kritisch werden herlezen. Ook voor Kanobana is die kritische lezing geen oproep tot cancelling, maar een uitnodiging tot zelfreflectie: ‘Hoe en waarom werd de raciale ander ingezet om de eigen witte identiteit vorm te geven? Hoe kunnen we de literaire ruimte creëren voor kritiek, maar ook die ruimte herschikken, heronderhandelen, herorganiseren?’ Het zijn en blijven cruciale vragen voor een (literaire) wereld die steeds diverser wordt en waarin diverse geschiedenissen hun terechte plaats opeisen.

Letterwerk, Borgerhout, 2025
Vertaald door: Thomas Crombez
ISBN 978 94 6494 354 2
128p.

Geplaatst op 19/04/2026

Tags: racisme, Sibo Kanobana, Spelen in het duister, Toni Morrison, Witheid

Categorie: Literatuurkritiek, Recensies

Naar boven

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.